Sport

Neigen

In elke sport heb je vedettes. De atleten die anders zijn dan de anderen. De vedette is buitengewoon, uitzonderlijk. Hij is een ster. De vedette is het tegenovergestelde van de waterdrager.
Van de waterdrager zijn er vele, en het is niet zo moeilijk om het te worden. Vedette worden is wél moeilijk. Als je geen natuurlijke aanleg hebt voor het vedetteschap is het zinloos om te proberen het desondanks te worden, want je valt meteen door de mand. Het publiek heeft dat direct door.
Als iemand zijn best doet om een vedette te worden, dan zeggen we dat hij ‘vedetteneigingen’ heeft. Dat is ongeveer het ergste wat je als sporter kunt hebben: vedetteneigingen. Maar de verleiding is groot. Welke sporter wil niet bewonderd worden? Wie wil niet anders (en beter) zijn dan de anderen? Wie wil niet bijzonder zijn? En wie wil niet het recht verwerven om gekke dingen te doen?
Het aanlokkelijke van het vedetteschap zit deels in de ruimte om afwijkend gedrag te vertonen en ermee weg te komen. Want vedettes gedragen zich anders dan de gemiddelde medemens. Ze hebben trekjes. Typische dingen.
Van de grote vedette Jannes van der Wal, dammer, is bijvoorbeeld bekend dat hij wedstrijden miste omdat hij in slaap viel in de trein. Dat vond niemand erg.
De vedette komt als laatste het veld op – zie Johan Cruijff. Tijdens de wedstrijd geeft hij zijn medespelers opdrachten en bevelen – zie Johan Cruijff. Hij is vanzelfsprekend degene die met de pers spreekt. Zíjn hoofd komt op een poster, niet dat van een ander. Als voetbalplaatje is hij het moeilijkst vindbaar van allemaal en wordt hij geruild tegen vier linksbacks en twee verdedigende middenvelders.
Het haar van de vedette zit altijd goed – zie Ron Zwerver. Hij praat graag en veel, ook tijdens de wedstrijd en ook tegen de scheidsrechter. Hij draagt een dun kettinkje om zijn nek, soms met een katholiek medaillon eraan. Bij triomfen heft hij als eerste de cup de lucht in om die te tonen aan de toeschouwers. De vedette is de dandy onder de sporters: soeverein en zelfbewust en verheven boven het grauw. Een prima donna – zie Fatima Moreira de Melo.
De sporter met vedetteneigingen is voornamelijk sneu. Hij heeft een iets te dik en lelijk kettinkje om zijn nek, met een logge hanger eraan met een pasfoto van zijn oma. Hij gaat roze schoenen dragen in het veld. Hij doet een band in zijn haar die te breed is en over zijn ogen zakt. Hij neemt het verkeerde kapsel op het verkeerde moment (een permanent met een matje in de nek) en denkt dat hij trendsetter is.
Hij laat tatoeages zetten die niet mooi zijn maar wel lelijk. Soms met spelfout.
Hij doet ‘prikkelende’ uitspraken in de pers, die dan verkeerd worden begrepen. Hij maakt grappen die niemand grappig vindt, waarna het stil wordt in de kleedkamer. In diezelfde kleedkamer haalt hij rare dingen uit, omdat hij heeft gelezen dat Piet Keizer wel eens kleurstof in iemands shampoofles deed. Dus doet hij twee-secondenlijm in de lippenbalsem. Jeukpoeder in iemands sokken.
De neigende sporter wordt nuffig en slaakt kreetjes als er iets niet lukt. Legt een hand tegen zijn voorhoofd en zucht diep. Trekt de aandacht als hij te lang geen aandacht heeft gekregen.
Diep van binnen vraagt hij zich af of hij niet beter waterdrager had kunnen blijven maar daar is het te laat voor. Hij moet door. Misschien wordt hij het vanzelf.
Hij komt te laat terug van de kerstvakantie omdat hij zijn oma zo miste. Doet net alsof hij geblesseerd is. Wil per se als voorlaatste het veld op komen. Drinkt in de rust alleen maar Cola-light. Hij ontwikkelt allerlei vormen van bijgeloof, die de media moeten plezieren: twee verschillende kleuren veters in zijn schoenen. Wet gel in zijn haar én zijn wenkbrauwen. Schietgebedje gesproken door de neus.
Hij komt niet naar de training omdat hij zich ‘niet zo lekker’ voelt. Hij huilt als hij een teddybeer ziet. Koopt een gigantische four wheel drive maar durft er alleen maar heel zachtjes in te rijden.
Als hij scoort na een sublieme assist van een medespeler juicht hij in z’n eentje, duwt de anderen weg, en loopt met geheven vinger naar de tribune. Hij wijst op zijn borst, hij wijst op zijn naam op zijn shirt. Zijn medespelers gaan hem steeds vervelender vinden, en de supporters ook. Hij wordt na verloop van tijd inderdaad anders dan de anderen: als enige wordt hij uitgefloten door de aanhang. Als de trainer hem van het veld haalt nadat hij weer eens gillend als een speenvarken ter aarde is gestort vanwege een schouderduwtje denkt de sporter met de vedetteneigingen dat hij een publiekswissel krijgt. Hij zwaait trots naar de tribunes. Daar wordt het opeens heel stil.