Nelleke van Maaren, 2 april 1941– 11 september 2014

Niet alleen was ze een uiterst veelzijdig en groots vertaalster, ze was bovendien de schutsengel van schrijvend Nederland. Schrijvers én vertalers zouden armer, geïsoleerder en misschien kansloos zijn zonder haar.

‘Beroerd nieuws’, zo begon die e-mail bijna een jaar geleden. Ze had kanker, de uitzaaiingen in de lever maakten de zaak hopeloos, maar, zei ze erbij: ‘Het is niet anders.’ Zeuren had geen zin. En gezeurd heeft ze niet. Daar was ze te praktisch voor en, vooral voor zichzelf, te streng. Tussen de slechte dagen door moest alles gewoon zijn, al gingen we samen ineens opvallend vaak naar de film. Na afloop werd in een café het leven gevierd zoals we dat gewend waren, kletsend over werk, onze vele kinderen en kleinkinderen, en haar volkstuin of de tuin bij hun tweede huis in Engeland, dezelfde onderwerpen als in haar lange, zeer vermakelijke e-mails.

Roddelden we ook? Ik geloof het niet. Er hing iets schoons om Nelleke van Maaren. Een enkele aansteller kreeg een veeg uit de pan, en dat was het. Geen woorden aan vuil maken. Een keer in de keuken in Little Snoring moest ik mijn tranen verbijten over het wangedrag van een uitgever. Ze keek me aan en zei: ‘1) Jij gaat niet aan jezelf twijfelen, en 2) Jij gaat nú Rechtshulp bellen’, en toen ik door wou drenzen: ‘Als jij nu eens brood ging roosteren?’

Nelleke was heerlijk duidelijk. De samenwerking tussen ons ging vanzelf goed. Ons finest moment beleefden we toen we als duo-vertaler op het podium werden geroepen en bloemen kregen, wat nooit gebeurt. We moesten ons lachen inhouden, want de helft van onze tekst was onverstaanbaar gemaakt met een ratelende naaimachine, maar Olga Zuiderhoek speelde goed, en ach. Ze heeft de poster tot op het laatst in de hal laten hangen. We hebben elkaar via het toneel leren kennen, daar had Hans Croiset mee te maken, die ons allebei de mooiste opdrachten gaf, en ook via NRC Handelsblad, waarvoor we allebei recensies schreven, zij over Franse boeken. Ze was ooit lerares Frans. Later was ze een poos recensent Duits voor Trouw.

Allure, dat had ze, ook uiterlijk. Ze hoefde haar rode vest maar aan te trekken en haar rijzige gestalte trok de aandacht. Ook als vrouw van Rudi Fuchs, die ze onvoorwaardelijk steunde als museumman en kunstbeschouwer, moest ze vaak publiek opdraven. Ze kookte met gemak de rijsttafel van haar Indische moeder na voor een tafel vol gasten. Op 11 september is ze, 73 jaar oud, in haar huis in Amsterdam overleden. Haar as komt op Westerveld bij die van haar ouders. Daar in de buurt (Beverwijk) is ze geboren en schoolgegaan (Overveen, gymnasium-alfa).

‘Je telt je zegeningen toch wel?’ vroeg ik een keer quasi-achteloos, toen ze nog over straat kon schuifelen. Je houdt niet vol om almaar te doen of er niks aan de hand is. Ze knikte enthousiast. Ze had een prachtig leven gehad, het was nog niet eens afgelopen.

Intussen was ze de schutsengel van schrijvend Nederland. Het had er hier heel anders uitgezien zonder haar. Schrijvers én vertalers zouden armer, geïsoleerder en misschien kansloos zijn. In besturen, commissies of in haar eentje ijverde ze voor betere omstandigheden. Zo versterkte ze de drie pijlers van georganiseerd literair Nederland: het Fonds voor de Letteren (nu Letterenfonds), de vvl, waarvan ze erelid was, en voor de auteursrechten de lira, die ook de Stichting Rechtshulp Auteurs, de Vertalers Vakschool en projecten en prijzen subsidieert. Ze was een politiek dier. De radio in haar keuken en in haar auto stond altijd op de nieuwszender, en je wist: soms moest je je kop houden omdat ze online was met de wereld.

‘Je telt je zegeningen toch wel?’ Ze knikte enthousiast

In feite stond ze aan de basis van de lira, én het Productiefonds, dat zoveel Nederlandse schrijvers in het buitenland heeft gepromoot, en zeker het Vertalershuis, dat al weer twintig jaar in de Van Breestraat in Amsterdam functioneert en wat mij betreft het Van Maaren-huis mag heten. In 2009 ontving ze de Vertaalprijs van het Fonds voor de Letteren en in 2010 de Oostenrijkse Staatsprijs voor Vertalingen, want ze was zelf een uitstekend en gedreven vertaalster. Ze wilde haar eigen geld verdienen. Om tien uur ’s avonds trok ze met rode wijn en sigaretten naar haar werkkamer om tot twee uur te werken. De rest van de dag was voor de anderen, onder wie haar vriendinnen.

Ze heeft van alles vertaald, ook een kunsthistorisch boek en catalogi, en een heleboel Dick Francissen; voor detectives had ze een persoonlijk zwak. Een van de verrassendste dingen die ik met haar heb gedaan is naar de paardenrennen gaan in Engeland, nu tweeënhalf jaar geleden. Ze kon licht en zwaar aan en had het een niet liever dan het ander, al is er verschil in moeilijkheid.

Haar boeken voor Privé-domein vormen al een prachtige nalatenschap: ze selecteerde en vertaalde dagboekfragmenten van Sylvia Plath, brieven van Ted Hughes en als laatste George Orwell (Dagboeken 1931-1949). Dat project wilde ze per se afmaken. De goede ontvangst heeft haar op haar sterfbed nog plezier gedaan. Als tuinierster wist ze dat in de selectie lijstjes over geraapte eieren of nieuwtjes over de bramenstand niet mochten wijken voor het wereldnieuws, want die twee gaan prima samen.

In haar dankwoord bij de Fonds-prijs vertelde ze hoe vertalen voor haar van een ‘leuke hobby’, goed te combineren met kinderen, was veranderd in iets waaraan ze haar zelfstandigheid ontleende. Ze noemde de jury ‘moedig’, omdat haar werk zo divers was. Het woord ‘oeuvre’ leek haar te deftig, maar er staan nota bene ook zeven Botho Straussen, vier Leo Perutzen, een Ernst Jünger en een Mme de Staël tussen, en dan die twee monumentale Heimito von Doderers, misschien wel haar meesterproef. In de slotwoorden van haar praatje hoopte ze op een betrokken en actieve achterban: ‘Doe uw mond open waar dat nodig is.’

‘Kom op’, zei ze graag.

Beloofd, Nelleke.


Beeld: 2009 (Klaas Koppe).