Nenad fiser ‘de balkan is overal’

Terwijl de wereld zich vastklampt aan vredes besprekingen,Navo-dreigementen en sancties als oplossingen voor de situatie in ex-Joegoslavie", is Nenad Fiser, voormalig hoogleraar filosofie te Sarajevo, er na anderhalf jaar ballingschap in Nederland niet optimistischer op geworden. Maatschappelijke desintegratie en etnische zuiveringen zullen niet beperkt blijven tot de Balkan: ‘Het kan overal gebeuren.

De gewelddadige desintegratie van Joegoslavie doet menigeen twijfelen aan de beschaving. Is die twijfel gewettigd?
Nenad Fiser: ‘Veel Westeuropeanen heb ben de neiging om alle betrokken partijen even veel schuld toe te schuiven voor het geen er nu in Joegoslavie gebeurt. De Balkan wordt afgeschilderd als een kruitvat en dat is een handige afleidingsmanoeuvre voor het falen van de internationale diplomatie. Natuurlijk is het verleidelijk om het multiculturele karakter van voormalig Joegoslavie te ontkennen en daaruit de huidige burgeroorlog te verklaren. Maar die samen leving was wel degelijk in de letterlijke zin des woords multicultureel, dat kan niet genoeg worden benadrukt. Je ging jarenlang op vertrouwelijke voet met mensen om zonder hun etnische achtergrond te kennen. Ik zou mijn eigen afkomst niet eens kunnen definieren. Ik heb joodse, christelijke en islamitische voorouders, terwijl ik mijzelf in geestelijk opzicht in de eerste plaats als boeddhist beschouw.
In Bosnie was sprake van een unieke traditie van culturele vermenging en intellectuele kruisbestuiving. Ik heb vaak gewerkt in de kelder van het Nationaal Archief in Sarajevo, waar authentieke handschriften van de afgelopen vier eeuwen lagen opgeslagen, in tientallen talen en alfabetten. Die stukken vormden het onomstotelijke bewijs dat mensen van verschillend geloof en met uit eenlopende culturele tradities eeuwenlang vreedzaam hebben samengeleefd. In de zomer van 1992 is het archief in brand geschoten en verwoest. Uiteraard met opzet; het bombardement op Sarajevo had van begin af aan tot doel om alle bewijzen van multiculturele verstandhouding in de stad te vernietigen. Ik herinner me nog goed hoe ik tijdens een van de eerste avonden van het bombardement op wacht stond op een dak, hoog boven de stad. Vanaf daar kon ik zien hoe de Serviers met grote precisie achter eenvolgens de moskee, de katholieke en orthodoxe kerken en de synagoge bombardeerden. Ze waren erop uit het levende bewijs te vernietigen dat al die geloven en tradities broederlijk naast elkaar konden bestaan.’
Toch is ook Bosnie uiteengevallen langs etnische lijnen. Hetzelfde dreigt te gebeuren in India, Zuid-Afrika, Italie. Wat kunnen we leren van de nationalistische ontrafeling van Joegoslavie?
'Het is belangrijk om onderscheid te maken tussen chauvinistisch nationalisme zoals je dat bijvoorbeeld in de Verenigde Staten aantreft en etnischnationalisme, dat gericht is op een zuivering van het eigen volk van zogenaamd vreemde elementen. Voordat mensen zo diep kunnen zinken, moet aan een aantal elementaire voorwaarden zijn voldaan. De belangrijkste is het wegvallen van een minimum aan persoonlijke zekerheid. En dat dan vooral op economisch gebied, als gevolg van recessie, inflatie en werkloosheid. Na de dood van Tito in 1980 was er tien jaar lang voortdurend economische achteruitgang in Joegoslavie. Niet die achteruitgang op zich was doorslaggevend, maar de volstrekte uitzichtloosheid, het gevoel dat alles op een dood spoor was geraakt. Het deed er niet toe hoe hard je werkte, je ging er hoe dan ook op achteruit. Dat maakte mensen wanhopig.
Er is vaker de vergelijking met Duitsland in de jaren dertig gemaakt, en daar is veel voor te zeggen. Er is geen wanhopiger toe stand denkbaar dan die van anomie, het ontbreken van iedere vorm van wetmatigheid of regelmaat in het maatschappelijk leven. Je kunt nergens op bouwen, nergens op vertrouwen. In Joegoslavie maakten de vertrouwde patronen overal plaats voor een krankzinnig voluntarisme. Opeens doken tientallen kleine Tito'tjes op, die de leiding namen in hun eigen regio of stad. Politiek werd een zaak van persoonlijke betrekkingen tussen de leiders. De jaren tachtig waren ook de tijd van de industriele megaprojecten. Regionale leiders lieten omwille van het prestige reusachtige fabriekscomplexen bouwen, zonder aanvoerlijnen of aansluitende afzetmarkten: aluminiumfabrieken op honderden kilometers afstand van de dichtstbijzijnde bauxietmijn. En niemand bekommerde zich om afbetaling van de schulden. Elke bestuurder dacht dat het zijn tijd wel zou duren.
Dat zou je als eerste teken van politiek verval kunnen beschouwen: grotere, onderling stelselmatig communicerende eenheden vallen uiteen in kleinere, geisoleerde gemeenschappen, terwijl het gezamenlijke belang en het historische perspectief uit het oog worden verloren. Zo kan het idee wortel schieten dat de ene regio de andere uitbuit, dat de ene nationaliteit superieur is aan de andere.’
Is dat voldoende als voedingsbodem voor etnisch nationalisme?
'Nee, er komen nog andere factoren bij. Het maatschappelijk verval lijkt onstuitbaar en daardoor komen mensen vroeg of laat op de gedachte dat iemand bezig is hun leven opzettelijk te verwoesten. Dat is een natuurlijke neiging tot rationaliseren van processen die voor een eenling niet te bevatten zijn. De enige politicus die Joegoslavie nog uit het slop had kunnen halen, Ante Markovic, kwam te laat om dat proces te stuiten.
Het zondebokmechanisme draaide op volle toeren. En de complottheorie is de mooiste van alle theorieen, want je bewijst een complot door te wijzen op het feit dat niemand ervan heeft gehoord. Op een gegeven moment deden de meest fantastische theorieen de ronde over een bolsjevistisch-joods-Vaticaans vrijmetselaarscomplot.
Maar een complot moet wel enigszins plausibel zijn om door grote groepen mensen te worden geloofd. En om mensen in actie te brengen, moet het wel enige zintuiglijke basis hebben. Eric Hoffer heeft in een mooi beknopt boekje, True Believer, beschreven hoe mensen in een toestand van anomie verlangen naar zingeving en integrerende factoren. Zo'n integrerende factor kan natuurlijk een grootste gemene deler zijn, datgene wat mensen op het eerste gezicht gemeenschappelijk hebben, bijvoorbeeld etniciteit. Maar dat is niet genoeg; mensen verlangen ook naar een gemeenschappelijke zaak om voor te strijden, en dat is tot nog toe altijd de strijd tegen een gemeenschappelijke vijand geweest. Daarom had Hitler de joden zo hard nodig, en daarom hebben Milospaevic’ en Tudzjman elkaar zo hard nodig. Ze zijn elkaars evenbeeld en vervullen voor elkaars bevolking de functie van boeman.’
Waar werd dat streven naar etnische zuivering als oplossing voor de problemen het eerst openlijk geformuleerd?
'Onder pseudo-intellectuelen die zich letterlijk door de nieuwe post-titoistische machthebbers lieten inhuren. Velen van hen hadden tijdens het bewind van Tito in de academische luwte geleefd en zij grepen nu hun kans. Terwijl de machthebbers zich toelegden op intrigeren en manipuleren, zetten die pseudo-intellectuelen zich aan de rechtvaardiging daarvan met krankzinnige mythologiee"n en politieke programma’s. Daarmee wisten ze tevens hun eigen maatschappelijke positie te verbeteren. Het schoolvoorbeeld van deze categorie mensen is Dobrica Cosic, de voorzitter van de Servische Academie van Kunsten en Wetenschappen, die het ideologische fundament van Slobodan Milospaevic’’ politiek heeft bedacht. Cosic was de ontwerper van het beruchte Memorandum uit 1986, waarin Milospaevic plannen voor een Groot-Servie" werden ontvouwd. Inmiddels heeft Cosic zijn beloning binnen: hij is benoemd tot president van klein-Joegoslavie".
Toch lag een cetnischen verklaring voor alle problemen niet direct voor de hand, althans niet onder de bevolking. Dat gold vooral voor Bosnie", waar etnische vermenging de gewoonste zaak van de wereld was. Voordat een boer of een arbeider aan de lopende band op de gedachte kon komen dat zijn Servische collega of Kroatische overbuurman schuldig was aan alle ellende, moest er heel wat werk worden verzet.
De media hebben een belangrijke rol gespeeld bij het verspreiden en populariseren van de etnische waanzin. Dat begon sluipenderwijs, bijvoorbeeld door bij een bericht over een steekpartij de volle naam en nationaliteit van de dader te vermelden en van het slachtoffer alleen de initialen. Ondanks de moeilijke omstandigheden hebben wetenschappers en wetenschappelijke instellingen inhoudsanalysen van de Joegoslavische media kunnen maken, en daaruit blijkt hoe geleidelijk nieuwe uitdrukkingen en vormen van berichtgeving ontstonden, volledig gebaseerd op etniciteit. Zo wekten de media heel bewust de indruk dat alle problemen op de een of andere manier samenhingen met etniciteit en in het bijzonder met alle vormen van etnische vermenging. De ultieme paradox was echter dat de mechanismen die bedoeld waren om etnische wrijvingen te voorkomen, bij uitstek het vehikel werden voor de verscherping van die wrijvingen.
Een goed voorbeeld is de onafgebroken propaganda die ten tijde van Tito werd gemaakt voor de eenheid en broederschap onder alle Joegoslavische volken. Daar werd van jongs af aan zo op gehamerd dat elke Joegoslaaf wist dat het nationalisme het dynamiet was om de samenleving te laten ontploffen. De grondwettelijke verplichting dat elke nationaliteit in elk bestuurslichaam proportioneel vertegenwoordigd moest zijn van het plaatselijke niveau tot en met de federale regering was ook zo'n mechanisme. Dat werd de “nationale verdeelsleutel” genoemd. Zoiets klinkt heel democratisch, maar het gaat ervan uit dat de identiteit van iedere burger in wezen etnisch bepaald is en dat kwesties van nationale aard per definitie gevoelig liggen.
Het nationalisme was dus ingebouwd in het politieke systeem. En zodra je aanvaardt dat elke nationaliteit intrinsieke eigenschappen heeft, zet je de deur open naar superioriteitswaan en nationale mythevorming. Bovendien erken je dan geen overkoepelend waardensysteem meer waarbinnen een democratische meerderheid haar wil kan opleggen. Zo'n meerderheid betekent voor jou als “etnische” vertegenwoordiger immers niets; jouw mening weegt zwaarder dan die van de meerderheid, omdat jij intrinsiek afwijkt van die meerderheid. In Bosnie" werd het moment van ineenstorting bereikt toen de Servie"rs zich terugtrokken uit het Bosnische parlement en zeiden: sorry, we willen niet meer deelnemen aan de beraadslagingen want we worden toch altijd weggestemd; we zijn alleen verantwoording schuldig aan onze eigen mensen en daarom willen we ons eigen parlement.
Het is belangrijk om te beseffen dat zo'n samenloop van omstandigheden in principe overal kan optreden en niet noodzakelijkerwijs als gevolg van een economische crisis. Het is ook denkbaar dat een ecologische crisis mensen tot wanhoop brengt. Dan kunnen dezelfde mechanismen in werking treden, ook in Nederland.’
Zal het ooit mogelijk zijn om in Bosnie" tot min of meer stabiele verhoudingen terug te keren?
Een ding staat vast: je kunt een staakt-het-vuren afdwingen, je kunt het land weer oplappen, maar meer dan een morfine-injectie in een pijnlijk weefsel zal het niet zijn. De georganiseerde verkrachtingen van vandaag zijn het zaad van een toekomstige burgeroorlog. En de wereld zal ongetwijfeld met meer van zulke beproevingen worden geconfronteerd.
Ik zie het als een evolutionaire beproeving van de mensheid. Tot nog toe heeft iedere stam, ieder volk, ieder bondgenootschap een tegenstander, een vijand nodig gehad. Nu komt het erop aan te laten zien of we zonder vijand kunnen denken, of we in staat zijn om de mensheid als een geheel van gelijkwaardige individuen te beschouwen. We moeten een beslissende evolutionaire stap zetten en ik weet niet of we daartoe in staat zijn. We moeten beseffen dat de ultieme waarheid over ons, mensen, niet noodzakelijkerwijs gunstig is. Het universum heeft aan ons als soort tenslotte geen boodschap.
Misschien zijn we ertoe veroordeeld om eeuwig te blijven denken in fichteaanse termen van “Ik” en “Niet-Ik”, van “Wij” en “Niet-Wij”, omdat het de enige manier is waarop we de menselijke samenleving kunnen organiseren. In dat geval zullen we nieuwe polariteiten zoeken. Een nieuwe tegenstelling tussen het Westen en Rusland is door de opkomst van een man als Zjirinovski heel reeel geworden. Hetzelfde geldt voor een tegenstelling tussen christendom en islam. Milospaevic en Tudzjman hebben dat ook begrepen en doen zich de laatste tijd voor als hartstochtelijke verdedigers van het christelijke avondland.
Mijn hoop is gevestigd op het feit dat de bipolaire wereld van de Koude Oorlog elk land uit zijn isolement heeft gehaald. Om de nucleaire vernietiging van de wereld te voorkomen werd elk conflict aan een transnationaal lichaam, de Verenigde Naties, voorgelegd. Iedereen begreep dat er onder die omstandigheden geschipperd werd met elementaire waarden, maar tegelijkertijd werd elk land betrokken bij de transnationale besluitvorming. Nu is de tijd aangebroken om de elementaire beschavingswaarden te verdedigen, ongeacht wie die waarden in een bepaald conflict vertegenwoordigt. En dat dan niet uit vaag idealisme, maar eenvoudig uit eigenbelang. Anders zal de hypocrisie, die de internationale diplomatie inzake Bosnie heeft getoond, op den duur ontaarden in een anomie van de internationale rechtsorde, met alle desastreuze gevolgen van dien.’