TONEEL: Paradijs

Neo-activisten (1)

In het verlaten kantoorpand is op de eerste verdieping een tuin aangelegd voor een toneelvoorstelling over het redden van onszelf middels doe-het-zelf-moestuinen – daar komt het theaterproject Paradijs van Dood Paard en De Warme Winkel kortweg op neer.

Bij binnenkomst keuvelen de vier tuiniers met de toeschouwers. Ze laten ons weten dat ze het nog niet zo goed kunnen, dat tuinieren. Ze praten er wel erg lief over. Over de sierlijke ronding van het komkommerplantje, achterom langs de stekstok omhoog. Of over de eenzame boon die ze te voorschijn hebben gekweekt. Alsof het gaat over galante mise-en-scènes en eenzame collega’s.

Ik denk ondertussen glimlachend aan mijn vader. Die (naast een stal vol melkkoeien) een paar bunder tuingrond had, met sla, spinazie, aardbeien en snijbonen. Deels voor de veiling, deels voor ‘eigen bik’, consumptie door de familie Zonneveld. Hij zou deze dilettanten overigens subiet van zijn land hebben gestuurd. Vader voelde aan zijn lendewater als-ie te maken had met amateurs. Aan exotische groenten deed-ie niet. Komkommers vond-ie al een brug te ver. De trots van zijn tuin waren schorseneren (‘armeluisasperges’) en tuinbonen. Zijn doodsvijanden waren bladluis en onweer, híer hebben ze last van vliegen en stroomstoringen. Hij zou zich in deze ambiance overigens doodgelachen hebben. Om de rondgedragen bakken met larven. En om de toeschouwers die luid ‘ah!’ zuchten bij witte vlinders die nietsvermoedend harakiri plegen door tegen bouwlampen aan te vliegen.

Paradijs voegt zich naar iets wat een bescheiden tendens lijkt te worden. Een variatie op het activistisch theater uit de jaren zeventig. Waarin de makers ervoor kiezen het niet te laten bij nagespeelde analyses of het stimuleren van het denken over oplossingen voor de actuele crises. Waarin toneelspelers zélf aan alternatieven bouwen. En hun bouwsels deel uit laten maken van de voorstelling. De groep Wunderbaum trapte onlangs af voor hun vierjarig project The New Forest. Een beoogd model voor een andersoortig polderlandbestuur. Het eerste deel leverde een beetje een houten­klazerige non-voorstelling op. Maar in mei wordt in Rotterdam op locatie gebouwd aan een ‘machtsexperiment’ voor onze op langlopende mandaten gebaseerde democratie. Paradijs beoogt een grootsteedse variatie op Rousseau’s verlichte adagium il faut cultiver notre jardin. Terug naar de natuur, middels urban gardening. Tegen het eind van de voorstelling wordt een Al Gore-achtige, gekwadrateerde natuurramp gefingeerd: de bouwlampen boven de kantoortuin gaan groep voor groep uit (een in het middendeel van de voorstelling al voorspelde catastrofe). Daarna wordt een van de leden van het tuinderscollectief met rituele eer ten grave gedragen onder het uitroepen van mantra’s vol goede voornemens.

Het is zoals gezegd wel zoet. Het heeft ook een hoog gehalte aan Jiskefet-ironie en aanverwante nieuwe-lulligheid. Het scheelde geen haar of ik was, Michiel Romeyn indachtig, een aantal keren van mijn stoel opgestaan, onder het luidop uitroepen van de verzuchting ‘rááárrrr’. Mijn vader had mij dan weer een ferme klap voor mijn harsens verkocht. Want tuinieren, het kan niet vaak genoeg worden herhaald, gaat van au! (wordt vervolgd)


Paradijs staat nog t/m 18 april in Sarphatistraat 53 te Amsterdam, theaterfrascati.nl. Van 20 mei t/m 1 juni maakt Paradijs deel uit van het SPRING Performing Arts Festival in Utrecht, op de locatie City Campus MAX, springutrecht.nl