Sylvain Ephimenco

Neo-antisemitisme (2)

«De verbittering groeit met de dag. We willen graag redelijk blijven, maar vertel me: hoe kunnen we ons aanpassen aan een politiek die weigert op te treden tegen mensenrechtenschendingen? Hoe langer de strijd duurt, hoe meer onrust we verwachten binnen de Marokkaanse gemeenschap. De woede is enorm.» Deze woorden die Jamal Ftieh, voorzitter van het Komitee Marokkaanse Arbeiders in Nederland, verleden week in De Groene uitsprak, krijgen een diepere betekenis na de onthutsende ontaarding van de anti-Israël-demonstratie afgelopen weekeinde in Amsterdam. De amper verkapte dreiging die Ftieh in zijn woorden legde, hoewel hij natuurlijk niet persoonlijk aan de rellen heeft deel genomen, kunnen even goed als een soort oneigenlijk pressiemiddel richting de Nederlandse politiek worden uitgelegd: als jullie, regering, parlement en politici, geen ander standpunt innemen inzake Israël, zijn de consequenties binnen de Marokkaanse gemeenschap niet te overzien. De woede is enorm, de verbittering groeit en we verwachten onrust. Wie daar verantwoordelijk voor is, behalve Israël, moge duidelijk zijn. Niet de woedenden maar zij die met hun Nederlandse politiek de woede hebben veroorzaakt. Wie ons standpunt niet overneemt, moet het maar voelen.

Voor het gemak verwart Ftieh de genres door de retorische vraag te stellen: «Hoe kunnen we ons aanpassen aan een politiek die weigert op te treden tegen mensenrechtenschendingen?» Het woord aanpassen roept associaties op met integreren. Een dubbele uiting van chantage dus. Zoals tal van Marokkanen in Nederland snapt de KMAN-voorzitter niet hoe democratie in onze westerse landen werkt. Want het kan inderdaad in onze traditionele democratie niet zo zijn dat door te dreigen met woede en geweld of de weigering te integreren, een minderheid haar wil aan de meerderheid oplegt.

Het resultaat is dat de uiting van woede van de minderheid zoals op 13 april in Amsterdam geconstateerd, een averechts effect bij de meerderheid zal sorteren. Daarvoor is een factor van cruciaal belang: de scheidingslijn loopt langs duidelijke etnische en religieuze gebieden.

Het moet een gruwelijke ervaring zijn geweest voor tal van autochtone Amsterdammers en Nederlanders die de Tweede Wereldoorlog hebben meegemaakt, om te zien hoe de Arabisch-islamitische woede de symboliek van hun stad heeft bevlekt. Hoe het nationale monument met hakenkruizen werd bedekt, hoe het «joodse» Krasnapolsky-hotel werd aangevallen, hoe joodse passanten werden lastiggevallen, hoe borden met «joden raus» werden meegedragen, hoe werd gerefereerd aan de massamoord die de profeet Mohammed onder joden aanrichtte.

Met hun uiting van woede importeren de Arabische Nederlanders niet alleen het Midden-Oostenconflict in het vreedzame Nederland, ze introduceren ook hun afschrikkende neo-antisemitisme. Bovendien wijzen de agressieve spreekkoren in het Arabisch tijdens de demonstratie niet op een vergaande integratie van de Arabische Nederlanders.

De met agressiviteit en soms haat en antisemitisme doordrenkte demonstratie van Amsterdam tekent dus de scheidingslijn tussen gemeenschappen die in de nabije toekomst tot een onoverbrugbare kloof dreigt uit te groeien. Alsof het verschijnsel van botsende culturen die de immigratie uit islamitische landen met zich meebrengt nu al een cesuur in de Nederlandse civiele vrede begint te schetsen.

De symboliek van de foto, die in Het Parool werd afgedrukt, waarop het jongetje met Palestijnse sjaal en plastic kalasjnikov staat, omringd door lachende demonstranten, zal zijn uitwerking in elk geval niet missen. Misschien moet Jamal Ftieh voortaan beter op zijn woorden letten. Want het zou kunnen zijn dat enorme woede met nog grotere razernij wordt beantwoord.