Economie

Neoliberaal

‘Bûter, brea en griene tsiis, wa’t dat net sizze kin is gjin oprjochte Fries.’ Wie dit zegt is een Fries, of heeft heel lang geoefend.

Er was een tijd dat het woord ‘neoliberaal’ net zo’n functie vervulde – niet vanwege de tongbrekende kwaliteiten, maar omdat het direct iemands politieke voorkeur onthulde. Alleen al het gebruik van het woord was genoeg om jezelf foutloos te classificeren als links.

Een feilloos schibbolet, want in mijn beroepsgroep leken andere dan linkse economen het begrip te schuwen als de pest. Wa’t dat net sizze kin is gjin oprjochte linkse, wil ik maar zeggen. Tegelijkertijd fungeert ‘neoliberaal’ ook als excuus voor gebrek aan denkkracht. Wie in linkse kringen beleid als neoliberaal kwalificeert hoeft verder niet met argumenten te komen. Een woord met een krachtige retorische lading, altijd handig in de preek voor eigen parochie.

Dat is voorbij. Vorige week kwam het IMF met een artikel getiteld Neoliberalism: Oversold? Alsof de bio-industrie de voor- en nadelen van plofkippen bespreekt – terwijl er één ding is dat de bio-industrie nooit zal doen, en dat is het woord ‘plofkip’ in de mond nemen. De term gebruiken is toegeven dat het bestaat. Het IMF doet dat nu wel. In de twee decennia dat ik het IMF volg kan ik me niet één gelegenheid herinneren waarin dat gebeurd is. De term ‘neoliberalisme’ zal daarmee zijn pejoratieve lading verliezen. Wie het woord post-mei 2016 gebruikt, zit voortaan in hetzelfde discours als het IMF. Niet echt een plek waar oud-links zich senang voelt.

Ik vind het een meesterlijke zet. Je moet nooit meegaan in het discours van je tegenstander, zou je denken, dan ben je verloren. Het IMF draait dat om. Door onbekommerd de voors en tegens van neoliberalisme te bespreken, neemt het fonds er afstand van. Terwijl die vereenzelviging van neoliberalisme en IMF juist het hart van het oud-linkse wereldbeeld is.

Wie het IMF nu nog bevecht is niet met zijn tijd meegegaan

Want ooit, in de dagen van de ‘Washington Consensus’ – ook al zo’n retorisch hoogstandje, bedacht in 1989 –, gold het IMF als vaandeldrager van het neoliberalisme. Het was de tijd van de shocktherapie en kleptocratische privatiseringen in Oost-Europa, aangemoedigd door het IMF. Van de ongebreidelde financiële globalisering die het IMF hartstochtelijk voorstond, en de Azië-crisis die er in 1997 op volgde. Die was de aanleiding voor Joseph Stiglitz om in een verbitterde strijd met het IMF het ongelijk van neoliberaal beleid aan te tonen. Het IMF gaf geen krimp en Stiglitz werd in 2000 gewipt als hoofdeconoom van de Wereldbank. Het ging hard tegen hard. De structurele aanpassingprogramma’s van het fonds bezorgden Afrika niet het gehoopte herstel: wat volgde waren de ‘twee verloren decennia’ van de jaren tachtig en negentig.

En wat zeggen Jonathan Ostry (IMF-onderdirecteur), Prakash Loungani (IMF-divisiehoofd) en Davide Furceri (IMF-econoom) nu over vrije kapitaalstromen en het terugdringen van overheidsuitgaven, twee kernwaarden van die programma’s en van neoliberaal gedachtegoed? ‘De voordelen wat betreft economische groei zijn tamelijk moeilijk vast te stellen (…) er zijn aspecten van de neoliberale agenda die niet hebben gebracht wat we ervan verwachtten.’

Voor wie de jaren tachtig en wat volgde ter linkerzijde heeft meegemaakt is dit niets minder dan een gotspe. Nogmaals: alsof de bio-industrie verklaart dat het niet altijd even duidelijk is dat haar werkwijze helemaal in dienst van het dierenwelzijn heeft gestaan. De milde erkenning van de IMF-economen dat het wellicht beter had gekund: moeilijk te verkroppen voor de geharde critici. Dat zeggen zij verdorie al dertig jaar! Ostry cum suis besluiten met de zoetsappige conclusie dat ‘beleidsmakers, en instituten als het IMF die ze adviseren, niet moeten worden geleid door geloof maar door bewijs van wat werkt’. Tjonge. Tussendoor wordt dus even net niet gezegd dat het fonds misschien wel een geloof aanhing. Het is om je hoed bij op te eten.

Maar komaan. Waarom zwartgallig nakaarten? Wie het IMF nu nog bevecht is niet met zijn tijd meegegaan. Het is niet langer Angelsaksisch privatiserings- en bezuinigingsgeweld dat het sociale model van het Rijnland naar de knoppen wil helpen. We doen het nu gewoon zelf. En als er iets of iemand is die dat nog kan tegenhouden, dan is dat het IMF. Het fonds van Christine Lagarde staat lijnrecht tegenover het Europa van Jeroen Dijsselbloem, dat een van de eigen lidstaten met een molensteen van schuld om de nek de Egeïsche Zee in probeert te schuiven. Alleen het IMF staat nog in de weg. Het dringt aan op schuldkwijtschelding voor Griekenland, de Europese Commissie en Europese Centrale Bank zijn mordicus tegen.

Het is misschien even wennen, maar mijn advies: vergeet oude sentimenten, steun de lijn van het IMF, niet die van Europa.