Inleiding op de serie ‘Hoe nu verder?’

Neoliberale oogkleppen

Heeft het neoliberalisme zijn beste tijd gehad? Is het nodig om de ideeën van John Maynard Keynes weer van stal te halen? Het zijn vragen die aan bod komen in de interviewserie ‘Hoe nu verder?’.

© Michael Stravato

Nadat hij tien jaar was geweerd uit het economielokaal van de middelbare school, is John Maynard Keynes weer gerehabiliteerd op het digitale schoolbord. Onder leiding van de Rotterdamse hoogleraar Bas Jacobs heeft een commissie namens het ministerie van Onderwijs de tijd rijp bevonden om de Britse econoom zijn plek tussen de pubers weer terug te geven.

Het schrappen van het keynesiaanse gedachtegoed uit het curriculum van de middelbare school kwam, vers na de financiële crisis van 2008, op een curieus moment. Juist bij het uitbreken van de crisis na jaren van neoliberaal economische beleid werd het handboek van Keynes, The General Theory of Employment, Interest and Money, afgestoft om de crisis te bezweren; in Europa en Amerika pompte de overheid miljarden in de economie om banken te redden en de economie draaiende te houden.

Het belangrijkste verschil tussen de neoliberale en de keynesiaanse theorie is hoe men denkt over vraag en aanbod. Milton Friedman, de grondlegger van de neoliberale economie, gelooft dat vraag automatisch volgt op aanbod en wilde daarom de markt vrij baan geven. Keynes denkt dat de vraag niet vanzelfsprekend is; zij moet op gezette tijden een steuntje in de rug krijgen van de overheid, zoals bij een crisis. Met nadruk op geloven en denken, want eigenlijk weten ze het allebei niet zeker.

De laatste jaren zijn er steeds meer signalen dat Keynes weer aan populariteit wint, en niet alleen in het klaslokaal. Het Internationaal Monetair Fonds (IMF), de bank voor landen, kwam in 2016 met een opzienbarend mea culpa over het jarenlange bezuinigingsbeleid in crisistijd – bij uitstek een neoliberale maatregel – dat ze heeft afgedwongen bij tientallen landen. En ook de New Green Deal, die trending is in de Amerikaanse voorverkiezingen, is een maatregel waar Keynes warm voor zou lopen.

Is dat dan de les die we tien jaar na de crisis hebben geleerd? Het neoliberalisme heeft zijn beste tijd gehad en we ‘komen weer thuis’ bij de ideeën van Keynes over een invloedrijke en actieve overheid in ons economisch leven?

William Nordhaus won in 2018 de Nobelprijs voor de economie. Deze hoogleraar aan Yale University ontving de prestigieuze prijs voor zijn onderzoek naar de samenhang van economische groei, CO2-uitstoot en klimaatverandering. Hij kwam tot de conclusie dat deze drie-eenheid het beste in balans is als we streven naar een maximale opwarming van 3,5°C, ruim boven het kritieke omslagpunt van 1,5°C volgens het wetenschappelijke klimaatpanel van de VN. Economisch wellicht een solide plan, maar wat heb je eraan als je bent opgeslokt door de zee?

De economische wetenschap werkt graag met modellen om inzicht in de toekomst te bieden. Wanneer de werkelijkheid anders blijkt dan wat het model voorspeld had, duidt men deze verschillen als externalities. Geen man over boord, welke wetenschap maakt zich niet schuldig aan verkeerde voorspellingen? Maar bij een wetenschap die zoveel beleidsinvloed heeft als de economie en externalities die een verzamelnaam zijn voor een stijgende zeespiegel, teloorgang van de biodiversiteit, opwarming van de aarde en groeiende ongelijkheid, doet een foute voorspelling er wel degelijk toe. Een hoogleraar lauweren die de grenzen van de aarde met voeten treedt en wil streven naar een opwarming van 3,5°C is zorgwekkend wereldvreemd.

Daarom was 14 oktober 2019 een opmerkelijke dag voor de economische wetenschap. Michael Kremer, Abhijit Banerjee en Esther Duflo wonnen de Nobelprijs voor de economie met hun vernieuwende onderzoek naar armoede. Wat vernieuwend is aan hun aanpak is dat ze experimenten uitvoeren volgens de methode van randomised evaluation: twee vergelijkbare groepen krijgen een verschillend ‘economisch recept’ toegediend om vervolgens te kijken wat het beste werkt.

Deze methode is in veel wetenschappen een heel normale praktijk, maar het feit dat de Nobelprijs-jury dit revolutionair acht in de economie is veelzeggend. Duflo sprak er al over in een interview met De Groene in 2011: ‘Sachs, Easterly, Moyo (bekende ontwikkelingseconomen – db), allen hanteren ze één model waarmee ze de hele wereld verklaren. Maar uiteindelijk zijn hun ideeën vooral gebaseerd op anekdotisch bewijs (…) Ieder armoedeprobleem heeft zijn eigen ingewikkelde structuur. Die moet op microniveau systematisch onderzocht worden. Het ontwikkelingsvraagstuk kan niet in abstracto worden opgelost.’

Duflo onderscheidt zichzelf door haar startpunt: ze neemt observaties – en niet anekdotisch bewijs – als uitgangspunt door experimenten uit te voeren voordat ze naar verklaringen zoekt. In de economische wetenschap is het tegenovergestelde normaalgoed: de economische neoliberale theorie is het startpunt waarmee de wereld wordt geduid. Het is tunneldenken, dat erg ongebruikelijk is bij andere vakgebieden. Sterker nog, het is een wetenschappelijke zonde. Zowel de sociale als de natuurwetenschappen kennen verschillende theorieën voor verschillende fenomenen en experimenten hiermee in de echte wereld.

In de economie domineert juist één gedachtegoed. Na de Tweede Wereldoorlog werd het keynesiaanse gedachtegoed heilig verklaard en diende alle problemen op te lossen, vanaf de jaren zeventig was het de beurt aan het neoliberale denken om voor alles een oplossing te bieden. Duflo doorbreekt dit theoretische keurslijf door te beginnen met de observatie voordat ze kijkt welke theorie hierbij past. Toegegeven, feiten en observaties zijn niet waardevrij, iets wat geldt voor de gehele wetenschap inclusief Duflo, maar je hoeft geen wetenschapsfilosoof te zijn om in te zien dat de wereld bekeken door één theoretische bril leidt tot een versmald beeld.

Dit concludeert ook de OESO, een samenwerkingsverband van de 36 meest ontwikkelde landen op economische en sociale thema’s, in het rapport Beyond Growth: Towards a New Economic Approach van september dit jaar: ‘De grenzen tussen de “orthodoxe neoliberale economie” en “heterodoxe economie” beginnen in te storten.’ Het rapport, opgesteld door gerenommeerde economen als Mariana Mazzucato en Robert Skidelsky, doet niets minder dan oproepen tot een nieuw paradigma in de economie: ‘Meer dan tien jaar na de financiële ineenstorting, terwijl de wereldeconomie geteisterd wordt door verschillende crises, is de tijd rijp voor een paradigmaverandering.’

Met andere woorden, de aarde blijkt niet plat te zijn. De wetenschappers concluderen in het rapport dat het beleid dat is gebaseerd op het neoliberale gedachtegoed de afgelopen decennia heeft geleid tot groeiende ongelijkheid, uitputting van de natuur en een ontkoppeling van economische groei en de groei in welvaart. Om deze trends te stoppen is het zaak om in economisch beleid ‘beyond growth’ te gaan denken; de ramen moeten open in de stoffige economische machinekamer om verfrissende inzichten van heterodoxe denkers, geïnspireerd door de psychologie, politicologie en biologie, toe te laten.

Wat deze economen ons zeggen middels de spreekbuis van de OESO is niet nieuw. Verschillende economen als Ha-Joon Chang, Joseph Stiglitz, Thomas Piketty en Kate Raworth hebben deze boodschap op hun eigen manier al uitgedragen. Wat nieuw is, is dat een gerenommeerd en machtig economisch instituut gestoeld op het neoliberale gedachtegoed ditzelfde gedachtegoed probeert te de-institutionaliseren. Vanuit de machinekamer zelf komt een oproep tot verandering. En dat is bijzonder.

‘Economie is net als aderlaten’, zei Esther Duflo indertijd tegen De Groene. ‘We denken te weten hoe de wereld werkt, maar hebben in feite geen idee.’ Gezien de belangrijke rol van de economie in ons leven is ‘geen idee hebben’ niet aanvaardbaar. Het logische startpunt voor meer inzicht zijn feitelijke observaties en dit legitimeert de experimenten van Duflo. Aan het experiment kleven echter ook ethische bezwaren. Door twee vergelijkbare groepen in armoede verschillende ‘economische medicijnen’ toe te dienen, zoals Duflo doet, benadeel je ook een groep doelbewust. Duplo probeert dit op te lossen door haar onderzoek eerst langs een ‘ethische commissie’ te sturen.

Daarnaast zijn experimenten geschikt voor een micro-setting, maar op grotere schaal onuitvoerbaar. De effecten van macro-economisch beleid op het welzijn van een land zijn niet in een experiment te gieten vanwege de talrijke variabelen, en vindt maar eens een land dat zich hiervoor wil lenen. Een van de weinige macro-economische experimenten vond dan ook plaats in het dictatoriale Chili van generaal Pinochet. Van de ene op de andere dag werd een neoliberaal beleid in zijn meest pure vorm ingevoerd, met aanzienlijk menselijk leed tot gevolg.

Maar dit wil niet zeggen dat er geen waardevolle observaties mogelijk zijn over macro-economisch beleid. Na vele jaren van het Chinese staatskapitalisme, de continentale verzorgingsstaat en het Angelsaksische vrijemarktmodel is er een zee van waardevolle inzichten over hun verschillen.

Nadat haar verweten was ‘te experimenteren met mensen’, reageerde Duflo in The New Yorker: ‘Mensen blootstellen aan beleid terwijl je geen idee hebt of het werkt, is dat dan niet experimenteel?’ Ethische bezwaren bij experimenten moeten serieus worden afgewogen en een observatie op macroniveau kent haar uitdagingen, maar het ontslaat je niet van de verantwoordelijkheid om te leren van gemaakte fouten en te proberen tot betere methoden te komen. Door feitelijke observaties als startpunt te nemen in de economische wetenschap – zoals het kritieke omslagpunt van 1,5°C opwarming of de gestaag groeiende ongelijkheid – kunnen de neoliberale oogkleppen afgeschud worden en ontstaat er ruimte voor een diversiteit van theorieën zoals het een wetenschap betaamt.

De economie speelt zich niet af in een vacuüm, maar staat midden in de natuur én in een samenleving die bol staat van irrationeel menselijk gedrag – en zo moet je haar ook benaderen. Inzichten uit andere vakgebieden en meer aandacht voor alternatieve economische theorieën kunnen de economische wetenschap verrijken en bieden de realiteitszin die broodnodig is om economie op een gezonde manier te integreren in de natuur en samenleving. Verschillende economen en niet-economen bieden alternatieven voor de huidige economische wereldorde die de uitdijende financiële sector, de groeiende ongelijkheid en de klimaatverandering het hoofd kunnen bieden. Hun ideeën verdienen een podium en zullen daarom aan bod komen in de interviewserie ‘Hoe nu verder?’.


Lees ook: