Groene-gesschiedenis

Neomarxistisch spinrag en frisse winterwind

De tijden van De Koo, Wiessing en Dijkstra herleefden met de komst van Martin van Amerongen als hoofdredacteur van De Groene

In de vele artikelen die de afgelopen jaren over Martin van Amerongen zijn geschreven, wordt niet zelden vermeld dat hij de man was die De Groene Amsterdammer heeft veranderd van een dogmatisch, links-radicaal parochieblaadje dat werd volgekliederd met ‘feministische geitenwollensokkenbreierei’ in een ‘ongekamd krakersidioom’ en dat overmatig veel begrip had voor stalinistische regimes, in een open, ondogmatisch, progressief, liberaal en leesbaar weekblad. Dit is slechts de halve waarheid.

Inderdaad, De Groene van voor de komst van Van Amerongen bevatte nogal wat ‘marxistisch betonvlechtersproza’, er was onevenredig veel aandacht voor het linkse actiewezen, en de kijk op kunst en cultuur was vaak eenzijdig – maar een intolerant, orthodox marxistisch fellow travellers- blad was De Groene al lang niet meer, als het dat al ooit was geweest.

Wie een nummer van De Groene uit het midden van de jaren zeventig doorbladert, wrijft zich wellicht de ogen uit. Alleen het uiterlijk al is even slikken. De speelse en esthetische lay-out van Jan van Keulen uit de jaren vijftig was in 1972 vervangen door de opmaak van een onvervalst colportageorgaan. De kop van het blad was in moddervette letters gedrukt en omlijst met een groen, langwerpig kader. Het geheel zag eruit als een baksteen, waarbij niet duidelijk was of die diende om door de etalages van kapitalistische warenhuizen te smijten of om de nieuwe maatschappij mee op te bouwen.

Ook de inhoud stemde weinig vrolijk. Alle frivoliteit leek uitgebannen, zodat de lezer niet werd afgeleid bij zijn pogingen de duistere machinaties van het grootkapitaal of de nieuwste revolutionaire strategieën te doorgronden. Kolom na kolom, pagina na pagina, werd gevuld met doorwrochte artikelen over de Derde Wereld, waarbij ruim aandacht werd besteed aan het perfide optreden van allerlei imperialistische mogendheden en gewetenloze multinationals. Ook werd veelvuldig bericht over socialistische experimenten in ontwikkelingslanden en het heldhaftige optreden van talloze bevrijdingsbewegingen, waarbij het niet altijd zachtzinnige optreden van dergelijke revolutionairen met de mantel der liefde werd bedekt of werd afgedaan als CIA-propaganda.

Het nieuws van binnen de landsgrenzen werd gedomineerd door ellenlange interviews met vakbondsleiders, discussies met vertegenwoordigers van actiegroepen en linkse partijen. Redacteur Paul Brill moest eindeloos debatteren eer zijn collegae akkoord gingen met zijn voornemen om de verderfelijke ‘reformist’ Joop den Uyl te interviewen.

Ook op cultureel gebied waren er veel taboes. Bij het honderdjarig bestaan van De Groene constateerde de redactie tevreden dat er de laatste jaren veel vooruitgang was geboekt. ‘Tien jaar geleden nog bestond 70 pct. van de krant uit het kultiveren van de burgerlijke kultuur. Nu is het wereldbeeld vanwaaruit geschreven wordt duidelijk socialistisch – zij het met alle gradaties die dat woord kan hebben. De nadruk op klassieke kultuur is verdwenen. Voor pagina’s reisverhalen, esthetische vormgeving en episodes uit de geschiedenis zijn nu pagina’s strijdkultuur en ekonomische analyses in de plaats gekomen.’

Kwam aan dit alles nu een eind op woensdag 2 januari 1985 om half negen ’s ochtends, toen Martin van Amerongen voor de eerste maal als hoofdredacteur de trappen van Westeinde 16 besteeg? Was hij het die met één ferme zwaai de ramen open zette waardoor de frisse winterwind het neomarxistische spinrag wegblies? Het valt niet te ontkennen dat er in de jaren daarna veel veranderde.

Op cultureel gebied gaan de ramen inderdaad wijd open. Wat in 1977 nog was afgedaan als ‘burgerlijke kultuur’ komt nu weer helemaal terug, zij het geschreven met een c. Zelf schrijft de hoofdredacteur menige beschouwing over Heine, Tucholsky, Freud, Mozart en Wagner. Anderen stimuleert hij om op niet-ideologische, onbevangen en uitdagende wijze een zo breed mogelijk aanbod van kunst en cultuur te analyseren.

Ook op andere terreinen wordt een einde gemaakt aan de ‘brandnetelsoeplinksigheid’, wat onder meer betekent dat de artikelen over de koffiepluk in Nicaragua, waarvan Van Amerongen er naar eigen zeggen minstens drie per week ontvangt, tot een absoluut minimum worden beperkt. Ook worden de partijcongressen van de Communistische Partij Nederland, de Pacifistisch Socialistische Partij en de Politieke Partij Radicalen niet meer in extenso verslagen. Evenmin wordt nog aan elke kraakactie in Groningen of Tiel een pagina gewijd.

Het resultaat van dit alles is dat ‘al die politiek geflipte kanunniken uit de magische driehoek Nijmegen-Oss-’s Hertogenbosch’ massaal weglopen. Daar staat tegenover dat tal van nieuwe lezers, nieuwsgierig geworden door die excentrieke hoofdredacteur die regelmatig in de publiciteit is, zich op het altijd noodlijdende blad abonneerden.

Al met al veranderde er dus heel veel, na die tweede januari 1985. Maar in ideologisch opzicht was De Groene al jarenlang bezig zich te ontworstelen aan allerlei ultralinkse dogma’s. In tegenstelling tot wat wel beweerd werd, bestond de redactie niet louter uit marxistisch-leninistische scherpslijpers. Welgeteld was er slechts één redacteur met een partijboekje van de CPN op zak. Maar juist Arnold Koper had een werkzaam aandeel in wat Van Amerongen noemde het ‘uitroken’ van zijn partij. De nieuwe hoofdredacteur ontdekte bij zijn aantreden dat de krant al ‘ideologisch uitgemest’ was. ‘Het was in een tijd dat sommige liberale kranten nog schreven dat er ongetwijfeld veel op de Duitse Democratische Republiek aan te merken was, maar dat toch moest worden geconstateerd dat er onder Erich Honecker een alleszins te waarderen onderwijssysteem was ontwikkeld. De Groene wist allang beter.’

Vanaf het einde van de jaren zeventig besteedde De Groene veel aandacht aan de dissidentenbeweging in Oost-Europa. Tot groot ongenoegen van veel lezers die communistische regimes nog altijd het voordeel van de twijfel gunden, beschreven redacteuren als Arnold Koper en Anet Bleich vol verve de scheuren die het sovjet-imperium begon te vertonen, terwijl een medewerker als Paul Scheffer vrijwel iedere opposant persoonlijk leek te kennen. Aangezien ook op het terrein van de binnenlandse politiek de aandacht niet langer uitsluitend uitging naar allerlei radicaal-linkse splintergroeperingen kan geconcludeerd worden dat De Groene reeds voor de komst van Van Amerongen een weliswaar linkse maar tegelijkertijd open en niet-dogmatische krant was.

Begin jaren zeventig waren er felle discussies gevoerd over de aard van de Groene -journalistiek. De ene redacteur was van mening dat je vanuit je eigen maatschappijvisie, met behulp van de nodige feiten, een goed leesbaar en overtuigend stuk moest schrijven. Anderen daarentegen vonden dat alleen de feiten telden. Er moest zoveel mogelijk materiaal worden aangedragen om de meningsvorming te bevorderen, de lezer moest worden voorzien van munitie die gebruikt kon worden in de klassestrijd. De laatste stroming won het pleit, hetgeen ertoe leidde dat de krant voor een belangrijk deel ging bestaan uit bijdragen van medewerkers die weliswaar met veel feiten kwamen en ideologisch zeer bevlogen waren, maar die doorgaans beschikten over het stilistisch vermogen van een orang-oetan. De redacteuren moesten eindeloos zwoegen om van dergelijke kromtaal nog enigszins leesbare stukken te maken. Voor Max Arian was het redactionele beleid van Van Amerongen niet minder dan een bevrijding. ‘Martin stelde dat het pas zinvol was om veel energie in zo’n stuk te steken als je zeker wist dat het daarna een acht of een negen waard was. Als je er met heel veel inspanning hooguit een klein zesje van kon maken, dan moest je er gewoon niet aan beginnen. Dat heeft ons ontzettend veel werk bespaard.’ En het leverde een veel leesbaarder krant op.

Van Amerongen greep terug op de oude tradities van De Groene, waarin vroeger klinkende namen hadden geschreven als Lodewijk van Deyssel, Frederik van Eeden, Jacob Israël de Haan, Carry van Bruggen, Simon Vestdijk, Hendrik Marsman, Menno ter Braak, Eddy du Perron, Matthijs Vermeulen, Anton Koolhaas en A. Alberts. Auteurs die iets te vertellen hadden, maar die ook wisten hoe je iets moest vertellen. Onder Van Amerongen werd De Groene weer die open, liberale en leesbare krant die het vóór de jaren zeventig geweest was. Daarom hoort Van Amerongen thuis in het rijtje van belangrijke hoofd redacteuren die het blad hebben geleid. Evenals Johannes de Koo (1877-1907), Henri Wiessing (1907-1914) en Rients Dijkstra (1945-1970) was hij een polemische natuur, die zijn vooruitstrevende en republikeinse opvattingen niet onder stoelen of banken stak, had hij een fijne neus voor jong talent en een schier onbegrensd vertrouwen in zijn medewerkers. Evenals zij maakte hij een krant die de moeite waard was.