Nep en echt bij Salinger

J.D. Salinger (1919-2010) was meteen vanaf de lancering van zijn debuut een cultheld. De manier waarop hij over uitzonderlijkheid versus banaliteit schreef, over ‘wij’ en ‘zij’, deelde de lezers onmiddellijk in twee kampen: gelovers en haters. Die laatsten verweten hem dat hij ‘nep’ zou zijn.

Uit de verhalenbundel die Salinger in 1953 publiceerde, Nine Stories, wordt meestal het eerste verhaal, A Perfect Day for Bananafish, aangehaald. Ook ik vond het ooit - zo'n dertig jaar na dato - zo goed dat ik het kopieerde en bij iemand door de brievenbus duwde, dat ik de eerste twee alinea’s overschreef en er een brief mee begon, dat ik het in bed in zijn geheel aan iemand voorlas. Overigens in alledrie de gevallen moest, salingeriaans maniakaal, dezelfde persoon het ontgelden.

Dat was de magie van Salinger, en in dit geval van dat mysterieuze verhaal over een meisje, Muriël, dat op een hotelkamer in Florida haar nagels lakt en half landerig, half geïrriteerd een telefoongesprek met haar moeder voert, terwijl het object van haar moeders zorg (‘Heb je de psychiater verteld wat hij met oma’s stoel probeerde te doen?’), de man met wie ze net getrouwd is nadat ze de hele oorlog op hem heeft gewacht, even verderop aan het strand een gesprek over bananenvis voert. 'Ik heb het wel meegemaakt dat een bananenvis een bananenhol binnenzwom en niet minder dan achtenzeventig bananen opvrat.’ De spanning over de mogelijke ongerijmdheid van deze figuur, Seymour, neemt toe als hij hierna gehuld in badjas de lift neemt in het hotel en woedend wordt op een vrouw die naar zijn smaak te zeer naar zijn voeten kijkt: 'Ik heb twee doodgewone voeten en ik zie godverdomme geen enkele reden waarom iemand ernaar zou staren.’ Toch kan niemand vermoeden wat er in de hierop volgende scène gebeurt, even kort als koud. Hij komt de hotelkamer binnen waar het ruikt naar nagellakremover, het meisje (de verteller heeft het consequent over 'het meisje’, alleen in de dialoog met haar moeder is ze Muriël) ligt op een van de bedden te slapen. Vanonder een stapel ondergoed in een koffer pakt hij een pistool en spant het. 'Toen liep hij naar het lege bed, ging erop zitten, keek naar het meisje, richtte het pistool en schoot een kogel door zijn rechterslaap.’ Einde verhaal.

Maar dat was dus de magie, om even terug te komen op de aanleiding van deze uitweiding: de suggestie van iets absoluuts, dat niet te herleiden is tot iets wat van a tot z via b en c te volgen is, maar dat zweemt naar onherstelbare beschadigdheid, en dat alleen te vatten is voor ingewijden, teergevoeligen die weten dat er geen enerzijds-anderzijds bestaat. Echte lezers ook, voor wie de ontdekking van een schrijver net zo'n serieuze zaak is als voor deze Seymour, die klaarblijkelijk toen hij gelegerd was in Duitsland 'het meisje’ een bundel had toegestuurd van een Duitse dichter. Ongerust vraagt zij nu door de telefoon aan haar moeder of die soms weet wat ze ermee heeft gedaan. De moeder reageert onmiddellijk gealarmeerd: 'Waarom? Wil hij het hebben?’
Muriël: 'Nee. Alleen, hij vroeg ernaar, toen we hierheen reden. Hij wilde weten of ik het had gelezen.’

'Het was in het Duits!’

Het meisje legt haar moeder uit dat dat op zich geen excuus is om ze niet te hebben gelezen. Want dat Seymour haar had uitgelegd dat die gedichten toevallig geschreven waren 'door de enige grote dichter van deze eeuw’. (Een van de eigenaardigheden van het proza van Salinger, iets wat de dwingendheid van het een en ander nog eens onderstreept, is dat enkele woorden maar soms ook hele zinsneden cursief worden gedrukt.) En: 'Hij zei dat ik een vertaling had moeten kopen of zoiets. Of de taal had moeten leren, nota bene.’

Voorzover er iets duidelijk kan worden uit dit verhaal is het dit: aan de nagellakkende Muriël, die er toch al uitzag 'alsof haar telefoon aan één stuk door had gerinkeld vanaf het moment waarop ze in de puberteit was gekomen’, is al die teergevoeligheid niet besteed. Of dit besef ook door Seymour is doorgedrongen in de paar dagen die hun huwelijksreis al duurt, en dit hem over de rand jaagt, wordt nergens duidelijk, en het zou ook een te makkelijke verklaring zijn. Wie weet is het omgekeerd en handelt hij omdat hij weet dat dit geluk dat hem ten deel is gevallen nooit overtroffen zal worden.

Wat het ook is: het grootste deel van Salingers kleine oeuvre, de boeken die ná Nine Stories verschenen, te weten Franny and Zooey (1961) en Raise High the Roofbeam, Carpenters and Seymour: An introduction (1963), is gewijd aan de nagedachtenis van Seymour. Stukje bij beetje komen we via zijn broers en zus meer te weten over deze onaards slimme figuur, de leider in het toch al exceptionele gezin Glass, die zijn mythische status waarborgt door voortijdig een eind aan zijn leven te maken. Zelfs het debuut van Salinger, dat op zich niks te maken lijkt te hebben met de familie Glass, behalve dan dat verteller Holden Caulfield zich er vast erg thuis zou hebben gevoeld, wordt met terugwerkende kracht binnen de Glass-wereld getrokken. In Seymour: An Introduction maakt Buddy Glass, de oudste nu Seymour dood is en ook Walter die hem opvolgde er niet meer is - gesneuveld in Korea - zich bekend als zijnde de schrijver van The Catcher in the Rye, dat in 1951 verscheen, én van A Perfect Day for Bananafish.

Wederom een kleine dertig jaar verder merk ik dat bij herlezing, hoewel vaak gezegd wordt dat Salinger een schrijver is die je in je adolescententijd moet leren kennen, zijn werk niets aan betovering heeft ingeboet. Helemaal niets. Zij het dat ik inmiddels zo m'n gedachten heb bij het romantische karakter van zelfmoord en niet meer echt onder de indruk raak als een verhaal eindigt met een zelfvernietigend pistoolschot. Integendeel: ik ben nu geneigd dit tot de absolute kitsch te rekenen. Het voordeel hiervan is dat de acht verhalen die volgen op A Perfect Day for Bananafish des te schitterender te voorschijn komen. Zoals het tweede verhaal, Uncle Wiggily in Connecticut, dat even aangrijpend als wrang de toenemende dronkenschap van twee huisvrouwen beschrijft, en dat gaat over de pijn die we anderen aandoen als gevolg van de fantomen in ons eigen leven. Of het een-na-laatste verhaal, The Daumier-Smith’s Blue Period, waarin een New Yorkse jongeling zich voordoet als kunstkenner en huisvriend van Picasso, maar die in oplichterij onder moet doen voor het Japanse echtpaar bij wie hij te werk wordt gesteld. Een onbedaarlijk grappig verhaal, waarin ik opeens lees waar Lorrie Moore haar inspiratie vandaan moet hebben gehaald, maar ook van een Murakami-achtige redeloze schoonheid. De scène waarin de ik-verteller zich voorstelt dat hij achter het geheim van het Japanse stel zal komen, lijkt genuine Murakami: 'Ik zou luisteren, luisteren, luisteren, met mijn hoofd in mijn handen - tot ik, ten slotte niet meer bij machte om het te verdragen, mijn hand in de keel van Mme Yoshoto zou steken, haar hart beetpakken en het verwarmen zoals ik een vogeltje zou verwarmen.’

Ook de langere verhalen Franny en Zooey, die voordat ze samen in boekvorm verschenen eind jaren vijftig in The New Yorker werden gepubliceerd, komen nog steeds rechtstreeks binnen. Het is bijna niet voor te stellen dat heel wat bekende tijdgenoten van Salinger, collega-schrijvers als Joan Didion, Mary McCarthy en John Updike, tegen die tijd zozeer tabak hadden van zijn proza dat ze het in lange stukken afbrandden.

In een doorwrocht stuk in The New York Review of Books ('Justice to J.D. Salinger’, juni 2001) analyseerde literair journaliste Janet Malcolm wat er aan de hand kan zijn geweest met Salingers receptie. Behalve dat hem vorm- en oeverloosheid werd verweten, vond men dat hij leed aan zwelgzucht, eigenliefde en koketterie. Het opvallendste terugkerende verwijt was echter dat zijn verhalen 'spurious’ zouden zijn, oftewel vals, in de zin van niet 'echt’, niet authentiek.

Is dit sowieso al een ingewikkelde aanklacht, in het geval van Salingers proza is het vergelijkbaar met Donald Duck verwijten dat hij geen broek aan heeft. Op het gevaar af hysterisch te klinken: zonder in Salingers verhalen te geloven, blijft er niets over dan miezerig en inderdaad oeverloos gejeremieer. Waarbij ik me in dezelfde hijgerige ademstoot afvraag, Franny and Zooey opnieuw vers in het geheugen: maar hoe kun je hier niet in geloven? Malcolm schrijft dit toe aan de algehele blindheid van de contemporaine literaire kritiek, die per definitie gedateerder is dan de werken waarover geschreven wordt. Zij haalt het aanvankelijk met hoongelach onthaalde werk van Manet erbij, en Oorlog en vrede van Tolstoj, om te laten zien dat juist een negatieve ontvangst in zijn tijd latere critici erop kan attenderen dat hier iemand iets nieuws doet.

Zelf denk ik, mede in aanmerking genomen dat Salinger wel meteen vanaf de lancering van zijn debuut een cultheld was die niet te klagen had over respons, dat de groeiende aversie voortkwam uit zijn thematiek, die zich ook nog eens materialiseerde in een zelfverkozen kluizenaarschap. De vanzelfsprekende, authentieke manier waarop hij over uitzonderlijkheid versus banaliteit schreef, over 'wij’ en 'zij’, deelde de lezers onmiddellijk in twee kampen: gelovers en haters. Iets ertussenin was eigenlijk niet mogelijk. Misschien nog steeds wel niet. Op grootsheid valt nu eenmaal niet zo goed te reageren. En juist voor bewonderaars blijken schrijvers te moeten uitkijken, want zij transformeren als je even niet oplet zomaar in afgewezen minnaars. In het geval van Salinger hebben heel wat aanvankelijke liefhebbers zich later tegen hem gekeerd, omdat ze hem alsnog zouden hebben ontmaskerd als een phoney. In de praktijk meestal een geval van teleurstelling, wrok of jaloezie, zoals de hele biografie van Ian Hamilton, Op zoek naar J.D. Salinger (1988), zich laat lezen als het werk van een gefrustreerde.

Nu de goede man dood is, hoeft hijzelf als onaardig genie de bewondering voor zijn werk as such in ieder geval niet meer in de weg te staan. Werk dat in het licht van navolgers, zoals de reeds genoemde, zelfverklaarde bewonderaar Haruki Murakami - overigens ook een schrijver die nogal eens wordt verweten 'nep’ te zijn - alleen nog maar aan betekenis blijkt te kunnen winnen. Of we echter reikhalzend moeten uitkijken naar de eventuele schatten die mogelijk opgeslagen liggen in de kluis achter zijn werkruimte? Bij herlezing van Salingers werk, dat zo compact is dat herlezen binnen een afzienbare periode überhaupt tot de mogelijkheden behoort, valt eens en te meer op hoe compleet en afgerond het is. Wat zou je er nog meer bij willen lezen, op het gevaar af dat het meer van hetzelfde is of - stel je voor - minder goed?


Het werk van J.D. Salinger verscheen in de Nederlandse vertaling van Johan Hos twee jaar geleden opnieuw in mooie, gebonden uitgaven bij uitgeverij De Bezige Bij. Zie ook het dossier over Salinger, met bijdragen van Jan Willem Anker, Graa Boomsma, Arie Storm, Joost de Vries en Marja Pruis

J.D. Salinger, The Cather in the Rye. € 11,05
J.D. Salinger, De vanger in het koren. € 18,90
J.D. Salinger, Nine Stories. € 7,50
J.D. Salinger, Negen verhalen. € 18,90
J.D. Salinger, Franny and Zooey. € 7,50
J.D. Salinger, Franny en Zooey. € 18,90
J.D. Salinger, Raise High the Room Beam, Carpenters. € 10,99
J.D. Salinger, Heft hoog de nokbalk. € 18,90