Opheffer 

Nepgoud

Hij ging voor goud – en het werd goud, zei-die.

Goud?

Balkenende komt thuis en bekijkt zijn gouden medaille. Hij legt hem eens op zijn hand. ‘Het valt mij zwaar, maar dat ding is te licht’, woordspeelt hij. Hij kan er niet om lachen, mevrouw Balkenende ook niet. Amelie is al naar bed. ‘Is hij echt van goud?’ vraagt Bianca.

‘Voel jij eens’, zegt Jan Peter. Ze neemt de gouden plak van hem over en weegt hem op haar hand.

‘Tja…’ humt zij veelzeggend.

‘Het is in ieder geval goud’, zegt Jan Peter.

‘Ja… zo te zien wel.’

‘Hoe bedoel je, zo te zien?’

‘Hij weegt niks…’

‘Hoezo, hij weegt niks?’

Bianca zwijgt. Ze kent haar plaats. Ze geeft het goud weer aan Balkenende.

Jan Peter neemt het ding weer in handen.

‘Ik ben er erg blij mee’, zegt hij alsof hij de zin oefent.

‘Wat zeg je?’ vraagt Bianca.

‘Ik ben er erg blij mee… Eh… heel blij… ja… goud is goud…’

‘Tuurlijk ben je er erg blij mee, schat…’

Jan Peter kijkt naar het ding en lijkt even weg te dromen. De stilte in de kamer wordt bijna dreigend. Dan haalt hij diep adem en zegt: ‘We zijn toch echt eerste geworden…’

‘Zeker, liefje’, zegt Bianca. Jan Peter staat op van zijn stoel en beent door de kamer. Handen in zijn zij. Opeens kijkt hij zijn vrouw aan en zegt: ‘Oké, het zijn er drie minder dan vorige keer, maar we zijn weer de beste… Dat mag ik toch wel zeggen zo… zo van… We zijn weer de beste, we hebben goud…’

‘Tuurlijk mag jij dat zeggen, schat. Niet zo natuurlijk, iets enthousiaster. Maar je mag het zeggen.’

‘Ja… want ik heb gewonnen… Toch?’

‘Je moet niet steeds achter elke zin “Toch?” zeggen, Jan Peter… Maar inderdaad, je hebt gewonnen.’

‘De anderen hebben verloren, toch?’

‘Ja, schat.’

‘Dus ik ben kampioen!’

‘Ja, lieverd.’

‘Maar met wie moet ik dan regeren?’ Jan Peter zijn bril begint licht te beslaan.

‘Maak je niet druk, liefie, je hebt gewonnen.’

‘Maar met wie moet ik dan regeren, hè… Daar zijn toch verkiezingen voor… Hoe moet dat nou verder?’

‘Wind je niet op, schat.’

‘Wind je niet op! Wind je niet op! Ik wind me niet op! Maar met wie moet ik regeren? Bos wil me niet, Marijnissen wel. Ik kan toch godverdomme niet een linkse partij worden, met mijn VOC-mentaliteit? En Bos mag ik al helemaal niet! En dan Rouvoet! Die is altijd tegen me geweest. Altijd.’

‘Stil maar, je maakt Amelie nog wakker…’

‘En dan heb ik goud, maar wat heb ik daar godverdomme aan?!’

‘Rustig nou maar!’

‘Ik heb daar godverdomme geen reet aan! Ik kan geen kant op. Ik zit godverdomme in de tang! En weet je hoe dat komt? Dat komt door die Rutte.’

‘Je hebt goud, daar gaat het toch om, lieve schat.’

‘Het is geen goud!’

‘Hoezo… Jij bent de eerste, dit is goud, hoor.’

‘Dit is geen goud, Bianca! Dit is nepgoud. Dit is goudpoeder op blik. Dit is verguldsel. Hier heb ik helemaal niets aan! Ik kan dit aan niemand laten zien, hier heb ik helemaal niks aan. Zie je dat dan niet!’