Nepofobie

In zijn Kleine encyclopedie schetst Herman Vuijsje nieuwe inzichten over Nederland aan de hand van neologismen. Deze week het eerste lemma: nepofobie. We laten onze familie domweg in de kou staan.In zijn Kleine Encyclopedie schetst Herman Vuijsje nieuwe inzichten over Nederland aan de hand van neologismen. Deze week het eerste lemma: Nepofobie. We laten onze familie domweg in de kou staan.

Corruptie en nepotisme? Dat is iets voor landen waar altijd de zon schijnt, maar voor sommigen meer dan voor anderen. In ons goed georganiseerde landje vind je dat soort dingen niet. Bij ons zijn ambtenaren en bestuurders in één prachtwoord ‘onkreukbaar’.

Dachten we. Maar nu even niet. Vanuit Venlo en Roermond verbreidt zich een olievlek van vriendjespolitiek over het land. De afgelopen week bleek die al te zijn gevorderd tot Arnhem, waar pvv-Statenlid Marjolein Faber met overheidsgeld het bedrijf van haar zoon inhuurde voor fractiewerkzaamheden.

Toen publieke dienstverlening nog in hoog aanzien stond, had je ‘standsorganisaties’ die op de bres stonden voor de integriteit van hun leden. Nu ook deze ambten zijn aangevreten door economische afwegingen, heb je daarvoor een ‘integriteitscommissie’ nodig. En die heeft de pvv niet.

Bij internationale vergelijking brengt Nederland het er nog steeds goed van af. Transparency International, dat bijhoudt in hoeverre men in een land corruptie ervaart bij publieke organisaties, plaatste ons in 2014 als achtste op de lijst van minst corrupte landen. Wel werden daar een paar waarschuwingen aan toegevoegd. Het poldermodel maakt Nederland kwetsbaar voor belangenverstrengeling. Nederlanders spreken elkaar niet gauw aan op niet-integer gedrag. Klopt: dat moet die commissie doen!

Eigenlijk wisten we het allang. Sinds de grote economiseringsoperaties van eind vorige eeuw heeft die onkreukbaarheid van ons een flinke knauw gekregen. In het old boys network van het hogere bedrijfsleven en in de schimmige achterkamers van semi-geprivatiseerde overheidsinstellingen spelen ceo’s, bestuurders en adviseurs elkaar graag een balletje toe. En worden bonnetjes creatief ten laste gebracht van de openbare kas.

Maar op de gewone werkvloer, waar mensen zoals u en ik hun brood verdienen, is van zo’n cultuuromslag nog niet veel te merken. Nepotisme betekent letterlijk: het bevoordelen van familieleden. Maar heel wat Nederlandse chefs zijn zo bang om zelfs maar die ‘schijn te wekken’ dat ze van de weeromstuit hun broertje of dochter, hoe goed die ook gekwalificeerd is, in de kou laten staan.

Nepofobie, zo zouden we die angst om te worden beticht van het voortrekken van familie kunnen aanduiden. Sommigen geven het eerlijk toe, zoals Cor van Stam, die in 1973 benoemd werd tot burgemeester van Haarlemmermeer: ‘Mijn vrienden en familieleden werden het slachtoffer van mijn benoeming. Als er een huis toegewezen moest worden, en een van de gegadigden was familie, dan koos je de ander.’

Ook Volkskrant-columniste Sylvia Witteman krijgt te maken met nepofobie. Ze is getrouwd met de hoofdredacteur en klaagt: ‘Opslag kan ik wel vergeten. Dat zou toch een beetje verdacht lijken. Philippe zegt: “Ze zien me aankomen bij de krant.” Hij neemt me ook nooit mee uit eten op kosten van de krant, en andere columnisten wel.’

Systematisch onderzoek naar het voorkomen van nepofobie is bij mijn weten niet gedaan en zou om evidente redenen ook moeilijk zijn. Maar uit mijn eigen omgeving ken ik verschillende gevallen. Op school zat ik in de klas bij Nico, die een paar vijfjes op zijn eindrapport had. Moest hij blijven zitten? Nico’s vader was conrector op hetzelfde lyceum. Hij was het die in de lerarenvergadering de doorslag gaf en zijn onkreukbaarheid bewees door zijn zoon te offeren: ja, hij moest maar een jaartje overdoen. Later werd Nico een internationaal geroemd hoogleraar.

De moeder van een andere medeleerling gaf natuurkunde en had haar zoon in de klas. ‘Ik kan het niet maken om je een 8 te geven’, vertelde ze hem onomwonden. En onlangs hoorde ik van de werkloze buurman van een goede vriendin: ‘Mijn hele netwerk is nutteloos om me op weg te helpen naar een baan. Ze zijn allemaal als de dood om een kennis aan te bevelen.’

We kunnen het erover eens zijn wat nepofobie is: een misselijk makende vorm van fatsoensrakkerij. Minder duidelijk is waar in ieder specifiek geval de grens ligt tussen nepofobie en een gezonde afkeer van vriendjespolitiek. Een belangrijk verschil zit ’m in de vraag in hoeverre het betrokken vriendje of familielid gekwalificeerd is voor de baan, de opslag of de promotie.

Stel, je vader is koekenbakker en doordat je je hele jeugd in de deegknederij en achter de oven hebt doorgebracht, ben je zelf ook een begenadigd koekenbakker geworden. Niemand zal het raar vinden als je vader je dan in dienst neemt of bij zijn relaties aanbeveelt. Maar nu is je vader chef financiële zaken bij de gemeente, ben jij daardoor ook een financieel genie geworden en kom je bij de gemeente solliciteren. Wat dan?

Het is hoog tijd voor de emancipatie van een van de laatste achtergestelde groepen in Nederland. Getalenteerde kinderen en familieleden van machtige mensen, verenigt u! Laat je niet langer discrimineren doordat je toevallig de verkeerde achternaam hebt. Huur een bus met z’n allen en ga eens kijken hoe ze dit soort dingen aanpakken in Venlo en Roermond. In Limburg begint de victorie.


Beeld: L'encyclopedie de Diderot et d'Alembert.