De Biënnale van Venetië

Nergens geworteld

De kunstwereld presenteert zich op de Biënnale als een toonbeeld van zichzelf overstijgende nationaliteiten. Ook het Nederlandse paviljoen probeert een voorzet te doen tot een nieuwe betekenis van kunst.

‘SLA HET Nederlandse paviljoen maar over’, kopte de Volkskrant kort geleden boven een woedende ingezonden brief. Volgens de afzender, oud-Stedelijk Museum-directeur Gijs van Tuyl, had de curator die verantwoordelijk is voor de Nederlandse inzending voor de Biënnale van Venetië, Guus Beumer, de kans gemist 'de discussie over het bestaansrecht van kunst en haar recht op overheidssteun te versterken met een sterke internationale presentatie’ en 'de kunst gedegradeerd tot onbetekenende rekwisieten’. Van Tuyl raadt de kunstliefhebber zelfs aan maar snel door te lopen naar de 'kritische paviljoens van Duitsland, Polen, Zwitserland en de Verenigde Staten’.
Van Tuyls boosheid is niet verwonderlijk. Het Nederlandse paviljoen is deze keer behoorlijk hermetisch. Dat ligt niet aan de architecturale ingrepen, want die hebben juist aan het door Rietveld ontworpen gebouw een nieuwe modernistische allure gegeven. De entree is nu ruim en licht en biedt zicht op een theatrale setting. Die bestaat grofweg uit een spiegelplateau waarnaast stellagetrappen langs een fake boekenkast en onbeweeglijke schuifpanelen omhoog naar een loopbrug leiden. Van hieruit hebben we overzicht, maar beginnen ook de vraagtekens. Wat staat er op de grote, diagonaal boven ons hoofd hangende tekstborden? De spiegelvloer beneden vangt er flarden tekst van op, maar kaatst niets samenhangends terug. De vloer spiegelt ook de onregelmatige witte plek op de groengeverfde achterwand. Ik weet dat hiermee wordt verwezen naar de ongeverfde muur achter de Nachtwacht in het Rijksmuseum, want ik was erbij toen een aantal vrouwen uit de kunstsector in kleren van Alexander van Slobbe als een eigentijdse Nachtwacht voor die witte plek poseerde. Maar weinig kans dat de bezoeker van dat alles kennis heeft. En dat fotopaneel met donkerrode vlekken, zelfs een Nederlander zal moeite hebben daarin Rudi van de Wints schildering voor de Tweede Kamer te herkennen. De schuifpanelen refereren aan een aan flarden gesneden en vervolgens kapot gerestaureerd schilderij van Barnett Newman, een klein soort beeldenstorm die de grote beeldenstorm die nu in Nederland plaatsvindt zou kunnen symboliseren. Maar wat weet het internationale publiek daarvan? En wil het dat wel weten?
Om precies te begrijpen wat de ideeën zijn achter Opera Operta/Loose Work zoals de titel van de presentatie luidt, moet er veel ingevoeld, gelezen en per koptelefoon beluisterd worden, en Van Tuyl zal niet de enige zijn die daar in deze context geen zin in heeft. En toch, laten we voordat we de vaderlandse inzending definitief de rug toekeren eerst eens kijken wat die context eigenlijk behelst. Misschien krijgen we dan wat meer zicht op wat niet alleen de curator maar ook de kunstenaars, architecten, vormgever, componist en schrijver met wie hij intensief heeft samengewerkt, hebben beoogd.

DE BIËNNALE van Venetië is de meest prestigieuze van de naar schatting 140 kunstbiënnales die de planeet telt. Tienduizenden mensen trekken erheen om in het sterrenspoor van de rich and famous zicht te krijgen op wat de kunst, en daarmee ook een beetje de mensheid zelf, beweegt. Die verwachting wordt gevoed door de bijzondere opzet van de in 1895 opgerichte biënnale. 28 vooral westerse landen hebben op het tentoonstellingsterrein, het park de Giardini, een eigen paviljoen waarin ze werk tonen van een of meer kunstenaars die ze representatief achten voor hun land. Wat verderop in de voormalige havenloodsen van de Arsenale en verspreid in de stad toont een snel toenemend aantal andere landen op hun beurt hun fine fleur. Het geheel wordt min of meer bij elkaar gehouden door een grofmazig net dat losjes wordt vastgehouden door de hoofdcurator, die in het hoofdgebouw in de Giardini en in de Arsenale een kunstvariatie op de wereldtentoonstelling mag organiseren. Dat net heet Thema.
Meestal is dat thema even ruim als vaag, Dreams and Conflicts, Making Worlds, dat soort dingen, maar het belang ervan moet niet worden onderschat. Het verleent aan de verscheidenheid van exposities een zekere positieve gerichtheid en dat maakt dat de biënnale zich nog steeds kan handhaven tegenover de massieve concurrentie van een megakunstbeurs als Art Basel.
Dit jaar roept de Zwitserse curator Bice Curiger onder de titel ILLUMInations de deelnemende naties op tot Verlichting. Geen overbodig appèl, al zal niemand er veel illusies aan verbinden. Wel is het heel informatief en soms ook komisch om te zien hoe sommige landen zich in een krakende spagaat forceren om hun verlichte denken tegelijk te onderstrepen en ter discussie te stellen.
Zo lezen we dat de curator van het Amerikaanse paviljoen de centrale principes van de Amerikaanse democratie in gedachten had, te weten 'vrijheid van meningsuiting en het belang van intelligente dialoog en discussie bij de ontwikkeling van een vrije en rechtvaardige samenleving’. Dat die principes door de superpower voortdurend met voeten worden getreden, wordt door de kunstenaars Jennifer Allora en Guillermo Calzadilla van een opzienbarend commentaar voorzien. Voor het paviljoen ligt nu een echte legertank op z'n rug, met daar bovenop, begeleid door de oorverdovend ratelende rupsbanden, een op een loopband dravende atleet. Tijdens de persdagen werd 'de rechtvaardige samenleving’ ook nog gymnastisch op de hak genomen met halsbrekende turnoefeningen van Amerikaanse topsporters op in hout uitgevoerde first class vliegtuigstoelen. Goed allemaal voor cartooneske plaatjes op de voorpagina’s, maar veel om het lijf heeft het niet.
Hoe gevaarlijk echte cartoons kunnen zijn weten ze in Denemarken. Zes jaar na de publicatie van de Mohammed-cartoons blijkt het land nog altijd getraumatiseerd te zijn door agressieve reacties vanuit de islamitische wereld én van de eigen populistische politici. De Deense Art Council wilde daar iets tegenover stellen en nodigde een Griekse curator uit om het Deense paviljoen in te richten. Het thema werd 'het recht op vrijheid van meningsuiting’. Achttien internationale kunstenaars, onder wie twee Nederlanders, werden uitgenodigd de complexiteit en grenzen van die vrijheid ter discussie te stellen. Voor de meesten blijkt dat te hoog gegrepen. Foto’s van een genetisch gemanipuleerde tijger en een Playboy in braille, een sprekershoek, een reusachtige muurschildering met Mao en veel Arabieren weerspiegelen vooral politiek correct gedachtegoed. Zoals zo vaak brengen humor en ironie weer redding. De weergaloos sarcastische prenten van de Amerikaan Robert Crumb en de getekende animatiefilm waarmee de Nederlander Han Hoogerbrugge de vele gezichten en tongen van vrije-meningsdictator Geert Wilders in beeld brengt, zijn ronduit hilarisch. Hoe effectief dat is, blijkt uit de reactie van enkele Deense politici. Zij klagen over verspilling van belastinggeld met als argument dat maar twee van de achttien kunstenaars de Deense nationaliteit hebben.
Het voorval staat in sterk contrast tot het begrip 'internationale identiteit’ dat in de kunstwereld opgeld doet. De urgentie is duidelijk. Overal rukt het nationalisme weer op en begrippen die ooit een idealistisch tegenwicht vormden, universalisme, kosmopolitisme en globalisme, zijn overleefd of besmet geraakt. Het betrekkelijk nieuwe begrip lijkt bovendien aan te sluiten bij de grenzeloze gemeenschappen van Facebook, chatbox en Twitter, al zou ik niemand aanraden om er een identiteit aan te ontlenen. Dat laatste gebeurt wel op grote schaal bij een internationale gemeenschap die nergens echt geworteld is en toch een gezamenlijke band veronderstelt: de kunstwereld.

BIJ DEZE Biënnale presenteert de kunstwereld zich als een toonbeeld van zichzelf overstijgende nationaliteiten. Het Belgische paviljoen bijvoorbeeld, traditioneel een oorlogsterrein van de Vlaams-Waalse cultuurstrijd, is deze keer een plek van verbroedering. De Waalse kunstenaar Angel Vergara koos als curator de Vlaming Luc Tuymans, bij wijze van middelvinger naar de Belgische politiek van nationale verscheurdheid. Vergara protesteert met zijn thema, 'De 7 hoofdzonden’, ook tegen de trivialiteit en normloosheid van de mediacultuur in het algemeen. Op een lange fries van monitoren razen televisiebeelden als willekeurige oneliners naast elkaar voort, terwijl een hand er bedachtzaam kleurige verfvlekjes overheen penseelt. Injecties met het virus van de kunst, zegt de kunstenaar. Maar het blijft moeilijk om er geen onmachtig gebaar in te zien.
Polen daarentegen maakt een krachtig statement met een videotrilogie van een niet-Pool, de Israëlisch-Nederlandse kunstenaar Yael Bartana. De drie films draaien rond een fictieve joodse politieke beweging in Polen die meer dan drie miljoen joden oproept terug te keren naar het land van hun voorvaders. Alle propagandaregisters worden daarbij opengetrokken, met een hallucinerend resultaat: ideeën over nationale, collectieve en persoonlijke identiteit draaien dol en het zionistische visioen van joodse nederzettingen in Polen wordt zowel een aanklacht tegen het Poolse antisemitisme als tegen de Israëlische nederzettingenpolitiek.
Het hele idee van nationaliteit krijgt een extra draai buiten het biënnaleterrein. In een vleugel van een groot Venetiaans huis heeft de Roemeens-Nederlandse directeur van het Utrechtse BAK, Maria Hlavajova, met steun onder meer van de Unesco, de European Cultural Foundation en het Swiss Cultural Program een paviljoen opgericht voor een volk dat nog steeds bloot staat aan discriminatie, etnische registratie en deportatie: de roma. 'Als de hedendaagse kunst het gebied is waar de wereld anders gedacht en opgevoerd kan worden dan we haar kennen’, schrijft Hlavajova in de catalogus, 'dan is het roma-paviljoen een voorstel in die richting.’ Het voorstel is basaal en cruciaal: informatie en materiaal verzamelen die de roma in beeld brengen als mensen met een eigen cultuur. De films, foto’s en kunstwerken die daaruit voortkomen, evenals de lezingen van onder anderen Salman Rushdie en George Soros, krijgen een plek die wordt ingericht naar een idee van Constant Nieuwenhuys.
De wereld anders denken: dat is de verlichte taak die we aan kunst hebben toegedacht. Maar daarvoor is wel een context nodig waarin kunst niet functioneert als een marketingslogan voor een dominant economisch systeem en zijn triomfantelijke bovenklasse. Dat systeem hebben wij in Nederland dankzij een unieke culturele infrastructuur lang buiten het domein van de kunsten kunnen houden. Die tijd is voorbij. De Nederlandse politiek knijpt nu de kunstsector af en stuurt aan op marktconformisme. De grote vraag is hoe we die aanval gaan pareren.
Misschien moeten we daarbij het Nederlandse paviljoen als een voorstel zien. Want kijk, de beeldende kunst is er niet alleen. Er is ook muziek, literatuur, architectuur, vormgeving. Heel bescheiden allemaal, maar wel hecht op elkaar aansluitend tot een soort vertelling. Cryptisch, zoals gezegd, maar de ervaring is er wel. Je zou ook meer verleid willen worden met beelden die je beroeren. Die zijn er niet. Het paviljoen heeft de calvinistische soberheid van het modernisme. Zijn orde staat lijnrecht tegenover de onsamenhangende tentoonstelling in de Arsenale, die daardoor een opmaat wordt voor de grote Art Fair. Die is hier ver weg. Wat je voelt is de potentie van een nieuw soort tentoonstelling die nieuwe betekenissen kan genereren en het publiek een centrale plaats geeft. Misschien kunnen we dan ook de kunst anders gaan denken.