EEN SCHRIJVER IN DE FAMILIE

Nestbevuilers

De dichter Czeslaw Milosz zei: ‘Als in een gezin een schrijver wordt geboren, dan is ’t gedaan met dat gezin.’ Is de rol van schrijver echt zo moeilijk te onderscheiden van die van zoon, broer, echtgenoot et cetera?

TOEN IK EEN PAAR JAAR geleden de Engelse, in Italië woonachtige schrijver Tim Parks kon interviewen, wilde ik maar één ding van hem weten. Ik vond het alleen zo’n genante vraag dat ik besloot een interviewserie te starten waarin ik kunstenaars uit diverse disciplines zou spreken onder de noemer ‘schaamte’, en dat ik met Parks zou beginnen. Wat ik van hem wilde weten, zou ik dan ongemerkt aan hem kunnen ontfutselen.
‘O wow’, zei hij aan het begin van het interview. ‘Ik zit in een serie.’
Des te pregnanter drong het thema van het gesprek zich op, maar van de hamvraag stellen kwam het maar niet. Parks bleek een meester in omtrekkende bewegingen, alsof hij wel wist waar ik op uit was en hij me een uurtje wilde zien werken.
Als ik nu, bijna acht jaar na dato, het keurig uitgewerkte interview lees, zie ik onmiddellijk weer de ruimte tussen de werkelijke, ongeschreven en de geschreven versie van mijn artikel – precies het onderwerp waarover ik hem wat wilde vragen. Hij oreerde over de rol van de schrijver in de westerse samenleving, terwijl ik dacht: hoe krijg ik hem ooit aan het praten over zijn romans waarin hij zijn personages ten onder laat gaan aan de romantische illusie, aan het leiden van een dubbelleven, aan verraad, bedrog, seksuele obsessie. Aan de discrepantie tussen wie ze zijn en wat ze doen. En hoe verhoudt dat inktzwarte werk zich tot het luchtiger proza dat hij schreef over zijn wederwaardigheden als Engelsman wonend in Italië, met zijn (Italiaanse) vrouw en hun drie kinderen. Boeken waarin opeens de liefhebbende huisvader aan het woord is.
Op zijn website had de schrijver huiselijke kiekjes staan van een gelukkig gezinsleven, met van die luchtige bijschriften, dat zijn vrouw hem zou vermoorden als ze zou zien welke foto’s van haar hij op z’n site toonde. Maar wil je vrouw je sowieso niet vermoorden als ze Europa (1997) leest, of Destiny (1999)? Hoe durf je dat allemaal op te schrijven, in de wetenschap dat zij het ook zal lezen en er het hare van zal denken? Eigenlijk wilde ik alleen maar dat vragen.
In het eerste deel van zijn Zuckerman-trilogie, The Ghost Writer (1979), wordt het alter ego van Philip Roth, Nathan Zuckerman, gekweld door het conflict tussen de loyaliteit jegens familie en geliefden en de eisen die het onafhankelijk schrijverschap stelt. Zuckerman, nog helemaal aan het begin van zijn loopbaan, wordt door zijn vader uitgemaakt voor nestbevuiler en verrader als hij het manuscript van zijn eerste lange verhaal aan hem heeft opgestuurd. In plaats van bewondering en lof oogst hij verontwaardiging.
‘Nou, je hebt ook helemaal niets weggelaten hè?’
Zuckerman verdedigt zich, hij heeft juist héél véél weggelaten. De vader geeft vervolgens een klein college over hoe zogenaamde verhalen worden gelezen door gewone mensen: ‘Mensen lezen geen kunst – ze lezen over mensen. En hoe denk je dat ze de mensen in jouw verhaal zullen beoordelen, welke conclusies denk je dat ze zullen trekken? Heb je daar wel over nagedacht?’
‘Jawel’, antwoordt Zuckerman.
Ook Zuckermans geestelijk vader heeft daar goed over nagedacht. Sterker nog: hij heeft er zijn literaire programma op gebaseerd. Toen na een voorleessessie ergens in den lande een dame in het publiek aan Roth vroeg of zijn familieleden zich niet door hem in hun hemd gezet voelden, citeerde hij in antwoord daarop een uitspraak van de dichter Czeslaw Milosz: ‘Als in een gezin een schrijver wordt geboren, dan is ’t gedaan met dat gezin.’
En zoals hij zijn broer Sandy droogjes adviseerde: ‘Je moet het niet aan mij vertellen als je het niet in een van mijn boeken wilt teruglezen.’
Roth heeft zich geharnast in een compromisloos schrijversbestaan, om niet te zeggen een kluizenaarschap. De rol van echtgenoot is niet te combineren met die van schrijver, zo vertelde hij in een televisie-interview: ‘Als schrijver ben ik iemand anders. Ik ben dan niet belast door trouw en loyaliteit, decorum en discretie. Ik ben vrij om een dieper en duisterder perspectief te kiezen dan dat van een zoon, echtgenoot of broer. Een schrijver is dat allemaal niet, een schrijver is een schrijver.’
In plaats van over de verhouding tussen de verbeelding en de werkelijkheid of tussen de kunst en het leven, spreekt Roth liever over de verhouding tussen de geschreven en de ongeschreven wereld. Van jongs af aan heeft hij het gevoel tussen die twee werelden te fladderen als een postduif, met informatie, instructies, verdraaide berichten.
Woody Allen maakte een van zijn geestigste films, Deconstructing Harry (1997), over hetzelfde fenomeen: een beroemd schrijver, Harry Block, krijgt moeilijkheden met zijn geliefden en familie als die zich denken te herkennen in zijn romans. Zoveel moeilijkheden dat hij een gigantisch writer’s block krijgt. Het dubbelzinnige van de film is dat je vooral een inkijkje krijgt in de klunzige verhullingstechnieken van Harry. Want ja, iedere scène die hij in zijn romans beschrijft, blijkt toch wel heel direct geworteld in de werkelijkheid.
‘Ik weet hoe je over me denkt!’ schreeuwt een van zijn vrouwen niet voor niets tegen hem. ‘Het staat in je boek.’
Allen raakt de kern van de kwestie. De connectie tussen verbeelding en werkelijkheid is zo makkelijk te leggen, maar er is altijd een vertekening, simpelweg vanwege het feit dat iets wordt vastgelegd, geïsoleerd, eruit gepikt, stilgezet. Harry is de zwarte magiër, die leed omtovert tot goud. In de ironische slotscène, nadat de schrijver zich heeft laten huldigen door zijn verzamelde romanpersonages, neemt hij des te geïnspireerder plaats achter de typemachine. Eens te meer is hij ervan overtuigd: alle mensen kennen dezelfde waarheid, ons leven is hoe we die verdraaien.

Je hoeft geen Tim Parks of Philip Roth te zijn, en ook geen Harry Block, om iets te weten van de impact die een product van de verbeelding heeft op de omgeving. Je kunt ook Jan Siebelink heten en je aan de voet van de Kilimanjaro bevinden tegenover een hijgerige interviewer die op z’n meest invoelend opmerkt dat in je laatste roman een personage voorkomt dat de gewoonte heeft zich geregeld te hullen in de jurken van zijn moeder. En of de schrijver zich daar zelf ook wel ’s aan heeft bezondigd.
Je moet misschien wel Tim Parks of Philip Roth zijn om adequaat antwoord te kunnen geven op zo’n vraag, bijvoorbeeld door te beginnen te oreren over de rol van de schrijver in de westerse samenleving. En níet te zeggen, nooit te zeggen, dat je dat inderdaad zelf ook wel eens hebt gedaan.

Zoals Zuckermans vader zegt: mensen lezen geen kunst, ze lezen over mensen, ze lezen over jou. Een verschijnsel waarop je je niet kunt voorbereiden. Of wel? Bij Zuckerman komt de klap zo hard aan omdat het zijn eerste lange verhaal is; zo blijft de eerste roman de coming-out van de schrijver. Opeens is de zoon/zus/man/moeder/dochter niet langer meer dat, maar een literair doorgeefluik naar de buitenwereld. Een verklikker. Iemand die het leven van anderen op straat gooit. Niet zo’n aardig meisje, maar een heks met laserogen.
Iris Koppe (23), studente politicologie en onderwijsassistent aan de Universiteit van Amsterdam, debuteerde vorig jaar met Rosiri (De Bezige Bij, 2007). Oorspronkelijk verscheen haar roman het jaar daarvoor in feuilletonafleveringen in NRC Handelsblad. De geschreven werkelijkheid ligt dus al een behoorlijke tijd achter haar. Maar toch kan Koppe er nog steeds een beetje van zuchten.
‘Ik had er niet bij nagedacht dat een boek zo’n effect kon hebben’, zegt ze. ‘In feuilletonvorm was mijn verhaal nog enigszins veilig; het zat verscholen tussen alle andere krantenberichten, en als mijn moeder wel eens te laat was om de krant nog te kunnen kopen, kon ik zeggen: “Ach, je hoeft het niet te lezen hoor.’’ Eenmaal in boekvorm gegoten was er geen ontkomen meer aan.
Rosiri is het verhaal van een kind van gescheiden ouders dat zich verantwoordelijk voelt voor het geluk van haar vader en moeder. De achttienjarige Rosiri beschouwt met een mengeling van medelijden en afschuw de puinhoop die volwassenen van hun leven maken. Met ironische, stekelige zinnetjes zet de schrijfster de wanhopige veertigers uit de Amsterdamse grachtengordel te kijk, inclusief de hitsige vader van Rosiri’s oppaskinderen.
Iris Koppe: ‘Al heb ik naar mijn gevoel de boel nog zo overdreven neergezet, buitenstaanders denken mij nu te kunnen plaatsen. Ze doen dat automatisch. Mijn vader werd aangesproken: hé, ik wist niet dat je met een Surinaamse was getrouwd. Tegen mijn moeder werd gezegd: o ik herkende je zó. Terwijl ik een houellebecqiaans personage in het leven dacht te hebben geroepen die in een vete was verwikkeld met haar moeder. Als iemand dan zegt: “O ik herkende je moeder er helemaal in”, dan is dat nogal pijnlijk. Je bent een kunstenaar die iets maakt, dacht ik, maar zo werkt het niet.’
In het begin verdedigde ze zich door in interviews te benadrukken dat zijzelf níet Rosiri was, en dat ze een portret van haar generatie had geschreven. Toen ze begon aan het feuilleton was ze net twintig en durfde ze veel meer. Al was ze toen ook beducht voor bepaalde zaken: ‘Seks of zo, dat wilde ik eigenlijk niet. Ik dacht: hoe kan ik het zo verpakken dat mijn ouders het kunnen lezen, mijn vrienden, mijn docent… Ik wil toch ook nog betrouwbaar en serieus overkomen.’
Koppe kwam erachter dat ze er niet tegen kan dat haar vader, moeder en zusje worden aangesproken op wat zij schrijft. Terwijl dit wel de mensen bleken die in staat waren haar boek te zien als een autonoom werk: ‘Zowel mijn vader als mijn moeder vond het een heel grappig boek. Wij delen een soort humor. Mijn ouders snappen dat je een kunstproduct kunt neerzetten en dat niet alles bij jezelf vandaan komt.’
Voor een eventueel volgend boek is ze zich nog meer bewust van reacties van derden. Zozeer dat ze zich afvraagt of ze dat er wel voor over heeft: ‘Ik ben er nog niet uit. Ik wil mijn familie en vrienden niet kwellen met te veel herkenbaarheid. Gewoon rustig naast mijn vriendje in bed kunnen liggen zonder dat hij zich van alles gaat afvragen. Het is heel dubbel: aan de ene kant doe ik niets liever dan schrijven, verhalen bedenken, aandikken. Het is onvermijdelijk dat je daarvoor uit je eigen omgeving put, want die wereld ken je goed. Maar op het moment dat ik merk dat de buitenwacht mij niet meer los ziet van mijn boek, begin ik daar last van te krijgen. Telkens hoop ik dat ze mijn boek niet hebben gelezen. Mijn debuut heeft me doen beseffen dat je hetgeen je schrijft in je gezicht terug gekatapulteerd krijgt.’

Ook Robert Vuijsje (38), die dit jaar debuteerde met Alleen maar nette mensen (Nijgh & Van Ditmar), had niet kunnen bevroeden dat lezers zozeer een één-op-één-relatie veronderstellen tussen de romanwerkelijkheid en de autobiografie van de schrijver. Maar hij is er behoorlijk nuchter onder: ‘Je ziet pas wat het is als je zoiets doet. Zoals met alle dingen in het leven.’
Smakelijk lachend vertelt hij dat hij een voorgesprek had voor een optreden in het televisieprogramma Goedemorgen Nederland: ‘Mensen gaan denken dat jij de hoofdpersoon in je boek bent. Ze willen alleen maar weten: dat en dat op pagina 163, is dat echt gebeurd? Voor dat programma moest ik een lijstje afvinken. Als er genoeg dingen waar gebeurd waren, mocht ik gast zijn. Dan maar niet.’
Alleen maar nette mensen is net als Rosiri een zedenschets, een portret van een milieu dat alleen geschreven kan zijn door een insider. En net als Koppe benadrukt Vuijsje dat hij iets heeft geschreven wat boven zijn eigen particuliere sores uitstijgt: ‘Het is een boek over Nederland, niet over mij. Wel is het een verhaal waarin ik goed thuis ben, daarom heb ik dit verhaal ook gekozen.’
De 21-jarige David Samuels kan sinds hij van het Amsterdamse Barlaeus-gymnasium af is gekomen zijn draai niet vinden. Opgegroeid in het verstikkend succesvolle Amsterdam-Zuid verveelt hij zich gek met zijn brave Naomi en verlangt hij steeds obsessiever naar zwarte vrouwen met dikke billen, die zich ophouden in een ander deel van Amsterdam. David is joods, maar door zijn donkere uiterlijk ziet hij eruit als een Marokkaan, en wordt ook als zodanig bejegend. Om uit zijn identiteitscrisis te komen, gaat David op zoek naar iets wat misschien wel niet bestaat: een intellectuele negerin.
Robert Vuijsje: ‘De wereld die ik laat zien, kennen de meeste mensen niet. De Nederlandse samenleving ziet er anders uit dan het journaal ons wil doen geloven. Het ene deel van de bevolking van Amsterdam heeft geen weet van het andere deel dat tien kilometer verderop woont.’
In zijn boek wordt niemand gespaard. Het is een rauwe satire op de klassenmaatschappij, en lijkt een afrekening met een zelfgenoegzame elite. Ook hij heeft naar eigen zeggen de boel uitvergroot en aangedikt: ‘Er zit een kern van waarheid in. Er zijn herkenbare figuren. Mijn hoofdpersoon heeft een vader en een moeder. Ik heb ook een vader en een moeder. In mijn ogen verschillen die zo veel van de vader- en moederfiguur die ik heb gecreëerd dat zij ook wel moeten weten dat zij dat niet zijn.’
Dat dat in de praktijk anders uitpakte, soit. Zijn vader reageerde tamelijk lankmoedig. Toen ze een tijdje geleden een familieavondje hadden, vroeg hij: ‘Zo, heb je weer genoeg materiaal voor je volgende boek?’ Dat zijn debuut goed ontvangen is, maakt volgens Vuijsje alles beter verteerbaar: ‘Als je je belachelijk gemaakt voelt door iets wat ook nog ’s met de grond gelijk gemaakt wordt, is er weinig vrolijks meer aan.’
En zijn moeder? ‘Die voelt zich niet aangesproken. Mijn ouders zijn al dertig jaar gescheiden.’
Het milieu dat hij beschrijft is meer het milieu van zijn vader met zijn huidige echtgenote. En die laatste was er niet echt blij mee. Het zij zo: ‘Sommige mensen kunnen er niet doorheen kijken. Mijn broer zei: waarom heeft-ie geen broer? Ik dacht dat ik een liefdesverklaring aan de zwarte vrouw had geschreven, maar sommige zwarte vrouwen voelen zich beledigd door mijn boek. Mensen herkennen zich in het verhaal, of ze vinden zichzelf niet terug. In beide gevallen zijn ze verontwaardigd. Óf je hebt ze voor gek gezet, óf je vond ze kennelijk niet interessant genoeg.’
Ook Vuijsje’s vrouw herkende zich in een van de relaties die hij beschreef in Alleen maar nette mensen, en vond dat niet leuk. ‘Ik had het nodig om het verhaal zo te vertellen. Later snapte ik wel dat je het ook op de manier kon lezen zoals zij dat had gedaan.’
Het maakt hem niet beduchter voor een volgend boek: ‘Ik heb geen last van zelfcensuur. Dit is iets wat ik al heel lang wilde. Ik heb het prettige gevoel dat nu te hebben bereikt.’ Al begint hij wat ongemakkelijk te lachen als hij vertelt dat zijn nieuwe roman opnieuw een persoonlijke situatie als vertrekpunt zal hebben: ‘Het wordt een komedie over scheiden.’

Of ik in dat interview met Tim Parks het gesprek nog op zijn vrouw heb weten te krijgen? Na een vol uur slalommen langs het al dan niet rationeel handelen van zijn personages, en na lang praten over de inspiratiebron voor Europa (‘Als je schrijft over dingen die je na aan het hart liggen, dan schrijf je al snel om een kern van werkelijke gebeurtenissen heen’), komen we via reacties uit zijn omgeving op volkomen natuurlijke wijze bij haar uit. Als geen ander heeft ze hem altijd gesteund, zo verzekert Parks. Zeker toen hij nog met zijn manuscripten langs allerlei uitgeverijen moest leuren, bleef zij hem ervan doordringen dat zijn boeken goed waren. En eh… wordt zij niet ongerust als ze zijn romans leest? ‘Well…’ De schrijver wrijft over zijn gezicht, trekt een grimas. ‘Ze heeft een tijdje geleden besloten mijn boeken gewoon maar niet meer te lezen.’