Nestgeur

Aik Meeuse, Jeanne Kers e.a., Thuis: De mensen bij wie ik hoor. Uitg. Leopold, f24,90
‘Thuis is voor mij dat je eigenlijk bijna nergens rekening mee hoeft te houden; dat je er kunt slapen en doen wat je wilt; dat je hier je eigen luchtje hebt.’ De uitspraak is van een Surinaams meisje. Haar echte vader ziet ze nooit. In Suriname woonde ze voornamelijk bij haar grootouders. Sinds 1990 leeft ze in Nederland, samen met haar moeder, haar stiefvader, een halfzusje en een halfbroertje. De kinderen hebben alledrie een andere vader. Jennifer wil later kapster worden en trouwen. Maar ze wil geen kinderen: ‘Misschien ooit eentje… maar nooit meer.’

Dit levensverhaal in vogelvlucht is opgenomen in de bundel Thuis: De mensen bij wie ik hoor. Met Jennifer komen nog negentien kinderen aan het woord over de plek waar ze thuishoren. Het zijn twaalf meisjes en acht jongens. De jongste is zeven en de oudste veertien en hun levensomstandigheden zijn zeer uiteenlopend. Mohammmed is een Somalische vluchteling, Thomas heeft twee moeders, Arjan woont in een pleeggezin en Guido in een tehuis voor blinden en slechtzienden. Heidi’s huis is een woonwagen, Naomi komt uit een ‘gewoon’ gezin met twee kinderen en Lennard woont alleen met 'de liefste moeder van de wereld’.
De uitgave is tot stand gekomen naar Amerikaans voorbeeld en bestaat uit twee bladzijden tekst en twee foto’s per kind. Chris van Houts maakte onopgesmukte, communicatieve prenten, waarin de tekstpagina’s als het ware zijn ingepakt. Aan het begin staat een portret, aan het eind een gezinsfoto. Daarop is het vaak een gezellige boel en wordt het gevoel van bij elkaar horen zichtbaar. Dat geldt in het bijzonder voor de omslagfoto, waar vader, moeder, broer en zus met z'n vieren de uit Korea afkomstige Joo Hee in een maffe pose 'op handen dragen’.
In de interviews is gevraagd naar de dagelijkse gang van zaken en de onderlinge verhoudingen in een gezin, naar regels en vrijheid, naar hobby’s, de rol van vrienden en huisdieren en naar toekomstverwachtingen. Ondanks de beknoptheid ontstaat er een redelijk beeld van elke individuele situatie. Heel duidelijk wordt vooral op hoeveel manieren mensen met elkaar kunnen samenleven. De in- en uitleidende hoofdstukken, waarin de samenstellers nog eens met nadruk en veel uitroeptekens uitleggen hoe gewoon zelfs de ongewoonste gezinnen zijn, hadden voor mij dan ook achterwege mogen blijven.
De overheersende indruk die het boekje achterlaat is er een van blijmoedige acceptatie van de status quo: 'Dat ik niet weet wie mijn donor is, vind ik niet erg.’ Ondanks de zakelijke, nuchtere weergave van de gesprekken is er vermoedelijk ook sprake van conservatisme uit lijfsbehoud. De verhoudingen zijn soms zo gecompliceerd dat de verschillende soorten vaders en moeders en de daarmee samenhangende regelingen en afspraken je voor de ogen draaien, maar toch zegt het betreffende kind nadrukkelijk met niemand te willen ruilen. Thuis is immers de plek waar je alle geluiden kent en waar de mensen om je geven. Thuis is de plek waar je gewend bent.
'Familie en gelukkig zijn vind ik het belangrijkste in het leven’, meent Sander (14 jaar). Zevenjarige Arjan is iets praktischer ingesteld: 'Het allerbelangrijkste vind ik eten.’