De weerbarstige vrijheid van meningsuiting

Net als Pim deed

Politici mogen in verkiezingstijd meer zeggen dan gewone burgers. Pim Fortuyn vergelijken met Hitler en Himmler is voor hen onder die omstandigheden niet strafbaar. Dat zeggen juristen naar aanleiding van de aangifte door de advocaten Spong en Hammerstein, wegens aanzetten tot haat jegens Pim Fortuyn. Ze vinden dat de advocaten met hun aanklacht politiek bedrijven.

‘Je moet zulke uitspraken in hun context zien’, legt de Amsterdamse strafpleiter Lian Mannheims uit. ‘Als een gewone burger in de tram iets dergelijks zegt tegen zijn buurman, en die man of vrouw stapt naar de rechter, dan maakt hij of zij misschien een kans. Maar in verkiezings tijd worden over en weer pittige uitspraken gedaan. Ik vind het onjuist als er een klimaat ontstaat waarin mensen dan maar allerlei klachten gaan indienen. Dan misbruik je het strafrecht. Zaken als deze horen niet in de rechtszaal thuis, maar in de politieke arena.’

Ook Bas de Wilde, docent strafrecht aan de Vrije Universiteit, vindt dat politici tegen een stootje moeten kunnen. Hij denkt overigens niet dat de kwestie voor de rechter zal komen. ‘Volgens mij is daar geen grond voor.’ De Wilde denkt dat de advocaten handelen uit sympathie voor Fortuyn. ‘Ze proberen het gewoon. Misschien willen ze jurisprudentie uitlokken.’

Spong en Hammerstein klaagden onder anderen Thom de Graaf (D66), Bas Eenhoorn (VVD) en Rob Oudkerk (PvdA) aan. De aangifte betreft behalve de politici ook de redactie van NRC Handelsblad en de makers van enkele websites. ‘Fortuyn’, zo schrijven de advocaten, ‘heeft ons uitdrukkelijk verzocht dat wij, in geval hij vermoord zou worden, rechtsmaatregelen zouden moeten treffen tegen degenen die bijgedragen hebben aan het ontstaan van een vijandige sfeer jegens hem.’ Behalve over de vergelijking met Hitler en Himmler, afkomstig van Matty Verkamman van Trouw, maken Spong en Hammerstein zich onder meer kwaad over uitspraken dat Fortuyn een ‘buitengewoon minderwaardig mens’ zou zijn, een ‘Untermensch’, en over een vergelijking met Mussert.

Na de moord op Fortuyn is de discussie over de vrijheid van meningsuiting in alle hevigheid opgelaaid. ‘Wie heeft Pim Fortuyn godverdomme vermoord? Toch niet zo’n stink turk?’ schreef iemand in een condoleance register op internet. Na de moord vinden veel mensen dat ze, ‘net als Pim deed’, weer moeten kunnen zeggen wat ze werkelijk vinden. Heeft artikel 1 van de Grondwet, dat discriminatie verbiedt, de vrijheid van meningsuiting te veel ingeperkt? Aernout Nieuwenhuis, docent staats- en bestuursrecht aan de Universiteit van Amsterdam en gespecialiseerd in de vrijheid van menings uiting, sluit het niet uit.

Aernout Nieuwenhuis: ‘In Nederland is het de bedoeling duidelijk racistische standpunten buiten de discussie te houden omdat ze gevaarlijk en kwetsend zijn en aanzetten tot discriminatie. Die begrenzing kan echter tot gevolg hebben dat mensen bang zijn om hun onvrede te uiten over het feit dat de sfeer in hun buurt verandert. Zo kunnen ook meningen die tegen de grens van de vrijheid van meningsuiting aanzitten feitelijk niet worden geuit.’

Beperkingen van de vrijheid van menings uiting leiden volgens Nieuwenhuis altijd tot onvrede. ‘Mensen hebben namelijk de natuurlijke drang om zich te uiten als ze ontevreden zijn. Als ze bang zijn om bepaalde dingen te zeggen omdat ze dan in aan ra king komen met de strafrechter, woekert die ontevredenheid door en leidt tot ran cune.’

Pim Fortuyn pleitte voor een systeem van meningsuiting zoals in de Verenigde Staten, waar je vrijwel alles mag zeggen. Daar is de vrijheid om te kunnen zeggen wat je vindt een van de belangrijkste fundamenten waarop de maatschappij is gebouwd. Ook racistische uitlatingen vallen onder die vrijheid.

In Europa ligt dat anders. Nieuwenhuis: ‘Politieke uitlatingen mogen hier niet een grens overschrijden waardoor het rustig en geordend samenleven in gevaar komt. Als je het daarmee oneens bent, is het eindpunt van je redenering dat de vrijheid van meningsuiting belangrijker is dan het feit dat een bepaalde groep in onze samenleving zich bedreigd voelt. Dat is nu eenmaal de vrijheid van politieke discussie, luidt dan de conclusie. Die redenering gaat mij een stap te ver. De grens waar kritiek overgaat in bedreiging is moeilijk te trekken, maar er is wel degelijk ergens een grens. Het is de overheid die als taak heeft om minderheden tegen die bedreiging te beschermen.’

Toch lijkt het er nu op dat Fortuyns opvatting van vrijheid van meningsuiting ook in Nederland breed aanhang vindt. Nieuwenhuis: ‘Hij lijkt de afgelopen maanden in ieder geval voor wat meer ruimte voor uit latingen over buitenlanders te hebben gezorgd, maar het is de vraag of dat blijvend is. Feit is wel dat de gevestigde politieke partijen nu lijken te erkennen dat er bij veel mensen een enorme onvrede heerst. Volgens mij erkennen ze daarmee – meer dan in het verleden – dat dergelijke onvrede ook geuit moet kunnen worden. Dat kun je toch wel zien als een gevolg van de opkomst van Pim Fortuyn.’

De klacht van aanhangers van Fortuyn dat hij mede door de demonisering door de gevestigde partijen is vermoord, vindt Nieuwenhuis misplaatst. ‘Je kunt niet the best of both worlds hebben. Als je pleit voor ruime discussiemogelijkheden – waarvan Fortuyn zelf ook graag gebruik maakte – kun je vervolgens niet zeggen dat bij de uitlatingen van de tegenstanders sprake is van demonisering.’

Dick Houtzager van het – door Fortuyn verafschuwde – Landelijk Bureau ter Bestrijding van Rassendiscriminatie (LBR) merkte de afgelopen maanden bij het geven van voorlichting – onder meer in achterstandswijken – op dat de sfeer waarin mensen over buitenlanders spreken harder is geworden. ‘Het deksel is van de pan. Vroeger hadden wij als LBR altijd de publieke opinie mee. Men vond dat we goed werk deden. Die publieke opinie is omgeslagen. Men is minder vatbaar voor onze boodschap dan twee jaar geleden. Je merkt gewoon dat mensen méér zeggen. Dat vind ik soms wel eng.’

Houtzager is een fervent tegenstander van de door Fortuyn bepleite Amerikaanse benadering van de vrijheid van meningsuiting. ‘Je moet paal en perk kunnen stellen aan wat mensen kunnen zeggen. Die Ame rikaanse toestanden moeten we hier niet hebben.’

Nieuwenhuis denkt dat de verschuiving die Fortuyn teweegbracht uiteindelijk niet moet worden overdreven. ‘De verschuiving die er is, hangt denk ik ook samen met het feit dat de rechter in het verleden strafbepalingen iets te makkelijk toepaste. Zo werd Janmaat veroordeeld voor het binnen een bepaalde context doen van de uitlatingen: “Nederland is vol” en: “Wij schaffen de multiculturele samenleving af”. Bij die veroordelingen zet ik een vraagteken. De rechter is in het verleden iets te ver doorgeschoten bij het veroordelen van uitlatingen als deze.’

Ook de uitlating van Fortuyn dat de islam een achterlijke godsdienst is, valt naar de inschatting van Nieuwenhuis binnen de bescherming van de vrijheid van menings uiting. ‘Anders is het bij de eventueel daarop volgende uitspraak: “Alle islamieten zijn achterlijk” of: “De islamieten in mijn wijk zijn achterlijk”. Dan kom je in de buurt van een strafbare belediging. In Nederland geldt dan niet meer het argument dat het goed is om alle opinies in een discussie open en bloot neer te leggen en ze vervolgens tegen elkaar af te wegen. In de Verenigde Staten is dat wél het geval. Daar gelooft men dat wanneer alle meningen aan de oppervlakte komen tegenspraak wordt uitgelokt, waarna uiteindelijk alles vanzelf in orde komt. Dat optimisme bestaat in Europa veel minder.’