‘net als veel mensen ben ik afgestompt’ interview

MICHELLE CHALFOUN Een gesprek met de auteur van Circusknecht. Uitgeverij Nijgh & Van Ditmar, 220 blz., 336,90
CIRCUSKNECHT, de debuutroman van Michelle Chalfoun, is een keiharde vertelling over het ruwe leven tussen de poor white trash van Amerika. De hoofdpersoon, Matilda (‘Mat’), is een vrouwelijke tentenbouwer die op vijfjarige leeftijd door haar moeder is achtergelaten bij een rondreizend circus en daar opgroeit in een uit freaks, mislukkelingen en geweldenaars bestaande surrogaatfamilie.

Achter de sprookjesachtige wereld van glitter en suikerspinnen die de buitenkant van het circus vormt, blijkt een loodzwaar leven schuil te gaan: verwrongen menselijke relaties, lange gedrogeerde nachtelijke truckritten, emotionele en seksuele mishandeling.
Voor Harper Collins, de Amerikaanse uitgever van Chalfoun, moet vanaf het begin hebben vastgestaan dat het boek een hit zou worden. ‘Zelfkant’ verkoopt, en helemaal als de auteur schrijft uit eigen ervaring. Want inderdaad reisde Chalfoun zelf drie jaar mee met het circus, 'om aan een huwelijk te ontsnappen’, zoals de officiële versie van het verhaal gaat. Ze werd 'ontdekt’ op een schrijversworkshop die ze op aanraden van haar therapeut was gaan volgen (ze was in therapie om van haar alcoholprobleem af te komen). Een publiciteitsbudget van 40.000 dollar deed de rest. Inmiddels is het boek in vijf talen vertaald en nam niemand minder dan Winona Ryder een optie op de filmrechten. De kersverse schrijfster werd in het nieuw gestoken, volgde een cursus 'kort en bondig interviewvragen beantwoorden’ en was klaar voor een literaire promotietour, die haar onder meer langs het Crossing Border Festival in Den Haag leidde.
CHALFOUN: 'Ik kan met geen mogelijkheid uitleggen hoe weird het is om plotseling auteur te zijn. Toen het boek net was uitgekomen, ben ik compleet uitgeflipt bij de gedachte dat mensen me nu serieus gingen nemen en dat ik verantwoordelijkheden zou krijgen en met anderen over mezelf moest gaan praten. Ik was ook doodsbang voor wat m'n ouders en m'n vriend en m'n leraren van de middelbare school van het boek zouden vinden. Dat iedereen nu zou denken dat ik een perverseling was.
Maar m'n leven gaat pas echt compleet veranderen als Winona Ryder die verfilming inderdaad gaat doen - financieel gezien dan. Ik heb mijn vrienden beloofd dat ik dan een boerderij voor ons koop. Een hoop van m'n vrienden zijn van die generatie-X-clichés. Het zijn kunstenaars, of ze werken op boten of in het circus en de meesten hebben geen vaste woning. We fantaseren er altijd over hoe het zou zijn als we met z'n allen in een groot huis zouden wonen en zelf onze onbespoten groente zouden verbouwen. Er hangt zoveel van Winona af, maar dat weet ze niet eens.
Ik heb overigens niet het soort ego dat ik ook gelijk aan het filmscript mee wil werken. Als het hele project doorgaat, zal ik wel gevraagd worden om adviezen te geven over het leven in het circus. Het schijnt erg moeilijk te zijn om mensen uit die wereld te vinden die erover willen praten. Het circus is een van de allerlaatste plekken in de maatschappij waar geen bemoeienis van buitenaf is. Als er een misdaad wordt gepleegd, haalt niemand de politie erbij. De kinderen gaan niet naar school, en als een man zijn vrouw slaat, heeft niemand daar iets mee te maken. Het is een compleet gestoord leven. Aan de ene kant is het vreselijk spannend en gepassioneerd, met gevechten en liefdesdrama’s, en aan de andere kant is het vreselijk deprimerend en saai en vermoeiend. Het lijkt op een soap-opera of op een reizend getto. Iedereen doet het met iedereen en je weet altijd precies wat er met je buren aan de hand is. Je leeft zo dicht op elkaar dat je niets verborgen kunt houden. Dat veroorzaakt een hoop krankzinnigheid. Er heerst ook een heel streng klassensysteem. De artiesten zijn de hoogste klasse. Als zij er niet waren, was er geen show, dus zij hebben de hoogste salarissen en de beste wagens en zij zijn altijd de eersten die aangesloten worden op water en elektriciteit. Meestal zijn het families waarvan alle leden in de act werken, bijvoorbeeld “De Mexicaanse Trapezefamilie” of “De Russische Jongleurs”. Het is onmogelijk om daartussen te komen, of je zou met iemand uit zo'n familie moeten trouwen. Maar dat gebeurt vrijwel nooit. De meeste huwelijken worden gearrangeerd, in de trant van: ik heb een trapeze-act en ik heb een dochter; jij hebt een trapeze-act en je hebt een zoon, als ze nou trouwen kunnen ze samen een trapezenummer beginnen. Want wat moet een jongleur nou met een trapezeartiest? Die hebben geen show samen.’
'OP HET Crossing Border Festival heb ik andere Amerikaanse schrijvers ontmoet en onwillekeurig ga je jezelf dan toch vergelijken. Ik realiseerde me dat hoewel ik over het leven in het circus schrijf en zij bijvoorbeeld over het leven in de grote stad, we het toch vaak over dezelfde dingen hebben. We wonen allemaal in New York City, waar we allemaal dezelfde ellende zien, en we schrijven uiteindelijk allemaal over zaken als drugs, wanhoop, seks en mishandeling. Toch vond ik het werk van sommigen mooi en van anderen juist helemaal niet, en ik ben erachter gekomen dat dat met de benadering te maken heeft. Je kunt dat harde materiaal gewoon rechttoe rechtaan presenteren, maar ik heb voor mezelf besloten dat dat niet werkt.
Net als veel mensen ben ik afgestompt. Ik heb zoveel vreselijke dingen gezien. Niets is meer nieuw - een lijk meer of minder doet mij helemaal niks. Die houding schijnt de jeugd over de hele wereld te hebben. Ze hebben al zoveel moorden op televisie gezien dat je als schrijver niets bereikt als je daar ook nog eens mee aankomt. Ik denk dat je je als kunstenaar heel goed moet afvragen wat je wilt vertellen, als je over zulke dingen schrijft.
De schrijvers wier werk ik goed vond, proberen je niet te choqueren maar juist te raken. Je wordt er treurig van, of je voelt medelijden. Dat probeer ik in mijn boek ook te doen. In plaats van de ene gruwelijkheid na andere op te schrijven, wil ik ook de schoonheid laten zien. Er is bijvoorbeeld een scène waarin Mat door een stadje wandelt. De straten flonkeren en alles in de etalages ziet er prachtig uit en dan dagdroomt ze dat ze een afspraakje heeft waar ze een mooie jurk voor gaat kopen. Ondanks haar ellendige bestaan lukt het haar om een stukje in haar hoofd te bewaren dat heel puur en onschuldig blijft. Dat viel me ook op aan de tieners in New York City met wie ik heb gewerkt. Die kinderen hebben een afschuwelijk leven, maar ze blijven in sprookjes geloven. Ze zijn ervan overtuigd dat er op een dag iemand zal komen die ze meeneemt naar een huis in de suburbs.
In de Verenigde Staten heerst het idee dat wanneer je als kind slachtoffer bent geweest, dat voor de rest van je leven een excuus is om van alles en nog wat uit te halen. Daar erger ik me verschrikkelijk aan. Mat is ook misbruikt toen ze jong was. Aan het eind van het boek vertelt iemand haar over de circusolifant die op jonge leeftijd aan de ketting is gelegd en zich later niet realiseert dat hij sterk genoeg is om zich los te trekken. Dat is mijn boodschap over slachtofferschap. Er kunnen vreselijke dingen met je zijn gebeurd, maar er moet een punt komen waarop je zegt: “En nu ben ik groot genoeg om er zelf iets aan te doen.”
Als er al een filosofie in mijn boek zit, is het dat er altijd hoop blijft. Je kunt niet gaan zitten en denken: “Mijn leven was een puinhoop toen ik klein was, dus nu ga ik voortaan iedereen in elkaar timmeren.” De personages in mijn boek zijn gestoord, of ziek, maar ze zijn geen van allen volkomen slecht. Het zijn mensen die zich in zo'n extreme situatie bevinden en voortdurend onder zo'n enorme druk staan dat hun overlevingsinstinct hen een beetje vreemd heeft gemaakt - of erg vreemd, in sommige gevallen. Dat heb ik in het circus gezien en dat gebeurt volgens mij ook in de rest van de wereld. Mensen doen soms vreselijke dingen omdat ze denken dat ze daar op dat moment door kunnen overleven. Niet omdat ze door en door slecht zijn. Dat is mijn levensfilosofie.’