Filmlezen: The Exorcist

Net als vroeger

Ik heb ‹The Exorcist› vroeger al gezien, maar omdat deze dagen toch al over vroeger gaan, is een reprise geen stijlbreuk. De jezuïet Karras — die Max von Sydow helpt bij de uitdrijving — verwaarloost zijn oude moeder. Ik kan nauwelijks kijken.

Eeuwenoude vloerplanken kraken boven mijn hoofd. Stofgruis dwarrelt door de kieren. Het is weer zo ver. Zij stommelt weer. Het plafond komt met de dag lager. Als ik hier nog langer blijf zal zij al het leven uit me persen.

Zij roept gedempt vanuit haar slaapkamer. Of ik even boven wil komen.

– En neem de telefoon mee!

Zij moet veel praten. Dat gaat beter met de telefoon dan met mij. Gewoonlijk spreken wij ook per telefoon. Dat gaat al jaren goed, dat wil zeggen, beter dan in het echt.

Boven schuift ze juist weer in bed met een grimas van pijn.

– Waarom blijf je niet in bed? De arts heeft gezegd…

– De arts heeft geen eigen bedrijf.

– Twee weken plat is iets anders dan na drie dagen weer op.

– Jezus kon het ook.

Ik geef haar de telefoon. Ze vraagt of ik haar agenda van beneden wil halen. Ze roept me na:

– En mijn bril!

Ze toetst een nummer en krijgt na lange tijd iemand in Bombay aan de lijn. Er is een probleem. Een schip met een partij Indiase sieraden aan boord ligt vast in het Suez kanaal. Ze vraagt de Indiase connectie wat er is misgegaan en geeft orders in gebroken Engels.

– I need my goods next week, Mookerjee. You understand me?!

Zoals ze daar rechtop zit tegen gele kussens, gewond en ingepakt in verband, doet ze denken aan een capo die zijn malafide handel gewoon voortzet vanachter tralies. Later die middag komt de pedicure. Vroeg in de avond haar privé-lerares Engels.

Haar kracht is ongebroken en dwingt bewondering af, maar maakt ook dat zij geen medelijden opwekt. Sterke persoonlijkheden die plotseling in behoeftige omstandigheden raken, kunnen maar op weinig medelijden rekenen. Zelf vinden ze dat ze er evenveel recht op hebben als ieder ander. Wanneer het uitblijft, vervult dat ze met het lelijkste zelfmedelijden dat er bestaat.

Nu zij tot gedeeltelijke immobiliteit gedwongen is, ben ik in huis om klein huishoudelijk werk te doen en voor haar te koken. Vanavond kabeljauwfilet en aardappelpuree van een recept uit de krant, met bouillon, geslagen eiwit, warme melk en crème fraîche erin.

De zon veegt over de keukentafel en een transparante blauwe Boeddha in het raam werpt prismaatjes op de muren. Tussen de bloemen op de binnenplaats van dit zeventiende-eeuwse pakhuis schommelt een donzige hommel.

Het huis staat aan de markt. ’s Nachts word ik uit mijn slaap gehouden door maanzieke dronkaards, ’s morgens ontijdig gewekt door marktlui.

Het begon met een bericht op het antwoord apparaat, een onheilstijding van haar huisvriend. Hij zei met Noord- Hollandse tongval:

– Mammá is heden op maandagavond opgenomen in het ziekenhuis in verband met een ongeluk. Ik was gebeld en nu ben ik te alhier en nu was ze al niet thuis meer. Of ze vanavond nog geopereerd wordt weet ik niet.

In heldere staat van bevriezing sprak ik daarop een afdelingshoofd («mevrouw is nog wat verdoofd»), de huisvriend die kort verslag deed van wat er gebeurde en drie zussen over de verdeling van de taken wanneer zij eenmaal weer thuis zal zijn.

Ik heb de eerste wacht. Onderweg denk ik dat het misschien prettig zal zijn om haar eens zo te zien; misschien is haar gelijkhebberige, onstuimige natuur voor even getemperd door het bloedverlies. Misschien vindt ze het lekker wat ik kook en zal ze het plezierig vinden dat ik er ben.

Dit is de derde dag van mijn dienst. De zwaartekracht neemt toe. Het plafond is alweer lager gekomen. Autonome, dwangneurotische geesten zijn de ondankbaarste ter wereld. Alles wat je voor ze doet hadden ze liever zelf gedaan. Beter bovendien. Geen eer aan te behalen.

En alles is weer net als vroeger.

Ik heb gebreken, zegt ze. Ze heeft gelijk. Ik moet milder zijn. Ik moet nog veel leren. Ik lijk op mijn vader. Ik moet niet zo oordelen. Ik moet niet denken dat ik meer ben dan een ander. Zal ik een kussen op haar gezicht drukken.

Ze is pronkzuchtig met haar gelijk. De waarheden glimmen als goud in haar mond.

Ik neem een paar uur vrij van haar.

In de hoerenbuurt wordt een man met een prei in zijn tas aangereden door hufters in een BMW. Oost-Europese meisjes lonken. Dat doen ze goed maar niet goed genoeg. Studentes wandelen in superieure uniformiteit voor mij uit naar de bioscoop.

Er is een film met mummies en een met pistolen. En The Exorcist, the director’s cut, aangekondigd als reli-thriller. De studentes gaan naar de mummies. Ik heb The Exorcist vroeger al eens gezien, maar omdat deze dagen toch al over vroeger gaan, is een reprise geen stijlbreuk.

Er is een meisje dat in tongen spreekt en gal spuugt. De oude abuna Max von Sydow als exorcist. En de jezuïet Karras — die hem helpt bij de uitdrijving — die zijn oude moeder verwaarloost. (Wanneer hij zijn moeder bezoekt, verschoont hij het verband om een niet nader toegelichte beenwond. Hij vraagt of het niet te strak zit. Hij waarschuwt dat ze niet al die trappen op en af moet met zo'n wond.)

Hij zegt tegen een andere jezuïet:

– Het gaat om mijn moeder, Tom, ze is alleen, ik had haar nooit alleen moeten laten.

Ze sterft in eenzaamheid.

Het bezeten meisje kwelt de jezuïet met zijn schuldgevoel. Ze spreekt met de stem van zijn moeder en roept klaaglijk vanaf de overkant van de doodsrivier: «Why are you doing this to me, Damy?»

Ik kan nauwelijks kijken.

Buiten, onder de volle maan, besef ik dat ik naar de matinee had moeten gaan. Dan kom je met daglicht weer buiten en niet ’s avonds en alleen. Ik ben ongeschikt voor zulke films. Toen ik in 1980 Jaws zag in de bioscoop, durfde ik dagen niet in bad.

Het huis aan de markt is donker.

Dit is geen geruststellend huis. Er zijn veel schaduwen. En het kraakt weer boven mijn hoofd.

Even later schuifelt zij de trap af in een hemelsblauw nachtgewaad. Ik vraag:

– Slaap je nog niet?

– Ik slaap al jaren heel slecht.

– Traplopen is niet goed voor je, in deze conditie.

– Ik doe het voorzichtig.

Ik maak thee voor ons. Ze zit vreemd rechtop in een zachte stoel. Ik verdraag haar beter zonder daglicht, in de late avond en juist als de schaduwen er zijn. Ze is zo kalm nu. Misschien de medicijnen. De ramen staan open, lenteadem waait de keuken binnen. Onze stemmen zijn zacht. Een kerkklok slaat één uur. Ik schenk thee.

– Suiker?

– Suiker is slecht voor je.