Net-doen-alsof-mijn-neus-bloedt-engagement

Wie wel eens in Davos heeft geskied, zoals ik, herinnert zich de pistes op de Jakobshorn, de Schwartzalp, de Parsenn. En de trein er naartoe, langs ravijnen, bossen en piepkleine dorpjes. Emily Kocken beschrijft die treinreis, net zoals Thomas Mann dat deed in zijn raadselachtige roman over tuberculosepatiënten in Davos. Der Zauberberg (1924). Mijlpaal in de westerse literatuur. Het sanatorium als metafoor van de wereld. Iedereen had het er destijds over en je struikelt nog steeds over duizelingwekkende interpretaties ervan.

De roman zou gaan over ‘de ondergang van Europa’, ‘de situatie van de mens’, ‘de teloorgang van het humanisme’ en wat niet al. Mann beschrijft de tocht per trein zo: ‘Weidse vergezichten op de fantasmagorisch torenende spitsen, toppen en kammen van het heilig hooggebergte, dat steeds dichterbij kwam, waar men steeds verder in doordrong, werden geopend om bij een bocht weer uit het eerbiedige oog verloren te worden’ (vertaling van Pé Hawinkels). Emily Kocken waagt zich terecht niet aan de brisante beschrijvingskunst van Mann. Bij haar staat het zo: ‘Versmalling van het spoor voerde de trein nauwer aan de bergwand en dicht langs de ravijnen. Dan doemde er weer een karakteristieke alp op, kenmerkend voor het aanzien van een nieuwe (hoge) alp.’ Bij haar zijn het heilige en het eerbiedige verdwenen, maar haar verbazende bewondering voor Manns roman galmt door haar hele boek.

Ze maakte van haar roman De kuur iets geestigs en ontroerends, en toch ook iets ondoorgrondelijks. Op de achtergrond verwerkte ze opmerkingen over de stand van zaken van het kapitalisme en de wereld. Net als Mann dat deed in De toverberg. Davos is bij Kocken metafoor van maatschappelijke verwarring en teloorgang, met de chique hotels, de belachelijk dure juwelierszaken, de congresgebouwen en de vergaderzalen waar de ‘rijken en machtigen der aarde’ af en toe bijeenkomen. Overal in Kockens roman zit Mann op z’n toverberg, ze gebruikt hem, blaast hem leven in en gaat er met hem vandoor.

Overal in Kockens roman zit Thomas Mann op z’n toverberg. Ze blaast hem leven in

Yves Altman, zestig jaar, organiseert ter gelegenheid van zijn verjaardag voor zijn zes kinderen, plus zijn nieuwe geliefde, een drie weken durend verblijf in een schitterend hotel in Davos. Geld speelt geen rol. Hij is directeur van de Rai in Amsterdam en vanaf zijn jeugd is hij totaal in de ban van Manns roman. Hij citeert er aan de lopende band uit, ook zijn kinderen kunnen er wat van, al hebben die er langzamerhand wel genoeg van. Moet dat nou! Ook in Davos weet men er wel raad mee, iedereen blijkt de roman te kennen (of doet alsof), er treden figuren op die sterk aan Manns figuren doen denken. Soms kreeg ik het gevoel dat Kockens roman een reünie in scène zet van De toverberg en z’n personages. We maken familiediners mee, Thomas Mann-tochtjes, wandelingen, vrijpartijen, bezichtigingen van congresgebouwen. We beleven de achtergronden van de personages, volgen ze, leven mee, proberen ze te behoeden. Wat een fijne figuren schetst ze! De jonge vrouw Billy, haar vaak ruziënde broers, de nieuwe vriendin van Yves. Kocken brengt ze in sprankelend proza tot leven. Ze haalde me een wereld binnen die ik nog niet kende. De wereld van de rijken.

Medium emily kocken foto wilma rekkers
Emily Kocken – Geestig, ontroerend, ondoorgrondelijk © Wilma Rekkers

Godzijdank, dacht ik af en toe, eindelijk geen arme sloebers die zich verwaarloosd voelen, niet opgemerkt, gemaltraiteerd, die allemaal ergens, of overal, tegen zijn en rancuneus over hun bestaan lopen te klagen. Dat weten we nu wel. Nee, dit is de wereld van het grote geld, headhunters, de consulenten, de zakendeals, de geldmagnaten. Allemaal aardige mensen, ook dat nog, geen schurk te bekennen in deze roman. Geen ziektes, geen doodsangsten (oké, een beetje), geen wanhoop om niks (ook een beetje). Ze weten allemaal hoe de vork in de steel zit, ze houden elkaar bij de pik vast, zonder dat Kocken dat met zoveel woorden laat merken, zoals het hoort, en tegelijkertijd weten haar personages heel goed dat het zó allemaal niet erg lang meer gaat duren. Kocken laat het ons meevoelen met haar doortrapt vrolijke stijl, haar net-doen-alsof-mijn-neus-bloedt-engagement. Ook Piketty komt voorbij, zomaar, tussen neus en lippen door.

Kocken zoekt in haar scènes en zinnen naar de bijzonderheid, het onverwachte dat zich altijd in het gewone bevindt. Net nog even een detail erbij, of een associatie, ze laat haar personages er vrolijk op los praten, peinzen en zichzelf voor de gek houden. Zelfs in haar bedscènes blinkt ze uit in onverwacht fraaie en vrolijke beelden, die tegelijkertijd doortrokken zijn van een vlaag van melancholie. ‘In bed vonden ze elkaar weer. Haar perfecte billen in zijn handen. De beweeglijkheid van hun lichamen, zelden voelde hij zich van haar vervreemd wanneer ze vrijden. Ach, Vera. De wanhopige blik wanneer ze klaarkwam.’ Misschien is dit inderdaad het geheim van haar bijzondere stijl. Het gewone voorzien van net even een andere blik, van gedurfde associatieve sprongen en detailleringen. ‘Geil, lachte Billy, dat ze het over alles konden hebben. Haar vader hield van De toverberg-passages die de “wankelmoedigheid van de seizoenen” bezongen. Dat ging ze niet zeggen, hoor. Natuurlijk niet! Stomme praatjes, ouderwetse citaten. Ze rilde weer en hoestte.’ Op een of andere manier is Kocken bezig literatuur op eigen houtje opnieuw uit te vinden.