Ernst Timmer, Zwarte ogen

Net echt

Ernst Timmer

Zwarte ogen

Uitg. Bert Bakker, 375 blz., € 18,95

Moeten romans geloofwaardig zijn? Veel klassieke romans zijn dat niet, Márquez vertelt in Honderd jaar eenzaamheid een verregaand onwaarschijnlijk verhaal, Don Quichot is niet geschreven om een geloofwaardig beeld te schetsen van de verarmde Spaanse adel in de zestiende eeuw, om maar te zwijgen van de geschiedenis van de jacht op een witte walvis in Moby-Dick of van het arme zwerversjongetje in The Adventures of Huckleberry Finn. Je rekent deze boeken niet af op de geloofwaardigheid van de gebeurtenissen, al is hun populariteit toch beslist ook voor een belangrijk deel te verklaren uit de realistische toonzetting ervan.

Ernst Timmer koos in de roman Zwarte ogen eveneens niet voor geloofwaardigheid, al speelt het boek zich vrijwel geheel af in een bestaande streek in Nederland: het bollengebied ten noorden van Haarlem. Hier groeit bij de familie Warmerdam, bollentelers, Maya Undina Herrera op. Zij is geboren in Colombia en werd door de familie in de jaren tachtig geadopteerd. Zij haalt het in haar hoofd haar leven als redder in te richten, werkt eerst bij een reddingmaatschappij voor zeelieden in nood, later als verpleegster onder meer bij verzetsstrijders in Colombia. We volgen niet alleen haar leven, maar ook dat van de zeven jaar jongere, zwakbegaafde en autistische Louis Ducrot, wiens bestaan af en toe dat van haar kruist. Maya voelt al op vijftienjarige leeftijd een verwilderde hartstocht voor dit kwetsbare jongetje, een hartstocht die haar hele leven in stand blijft.

Timmer houdt er in dit boek van allerlei sterk contrasterende milieus bij elkaar te brengen. Louis bijvoorbeeld is zoon van een hoogleraar moderne letterkunde die een groot kenner is van het oeuvre van Louis Paul Boon, zijn leven en werk daaraan heeft opgeofferd en daar langzamerhand aan ten onder gaat. Timmer maakt van de gelegenheid gebruik om in het hoofdstuk «Een grafkist, geen suikerspin» zijn eigen bewondering voor Boon mooi te laten uitkomen. Hij schetst in booniaanse taal en kleur, maar zonder het weerbarstige venijn van Boon, een gezelschap zwervers, armoedzaaiers en verschoppelingen dat probeert een grafkist op de kop te tikken voor een van hun gestorvenen. En hiermee is dan een ander milieu geïntroduceerd: dat van doodgravers. We maken kennis met de grafkistenmaker Jacob Duivenvoorde, overbuurman van de kleine Louis. Wanneer diens vader overlijdt en tezamen met zijn Boon-boeken begraven wenst te worden, zet Duivenvoorde een geschikte kistconstructie in elkaar.

Aan adoptie, redding, dood en leven dus geen gebrek in deze roman. Andere boeken zouden onder het gewicht van dit soort zware thema’s gemakkelijk kunnen bezwijken, maar Ernst Timmer slaagt er meestal in een lichte toon vast te houden die al te symbolische uitleggingen van de deur houdt. Hij is erop uit contrasten met elkaar te verbinden, waarbij hij niet werkt met een alwetende verteller die ons bij de les moet houden, maar per hoofdstuk in zijn personages kruipt. Wel wordt hij zwaarder op de hand wanneer pedofilie aan de orde komt. Timmers schrijfwijze hierover krijgt naar het einde van het boek toe iets verbetens, het is duidelijk dat hij allerlei (voor)oordelen wil bespreken, maar de ernst waarmee dat gebeurt, spoort niet helemaal met de rest van het boek. Hij maakt hulpverleners en toezichthouders in dit verband met volle kracht belachelijk en beschuldigt hen in het hoofdstuk «Prins Pedo» van verregaande kilheid en harteloosheid. Misschien heeft hij gelijk, maar zijn beeld van hulpverlening sluit erg gemakkelijk aan bij alom figurerende opvattingen hierover.

Ook minder overtuigend vind ik de figuur Maya. Timmer maakt van haar een vrouw die voortgedreven wordt door haar «indiaanse temperament». Hij geeft nogal wat beschrijvingen die dit blijkbaar bij de geboorte meegegeven temperament moeten benadrukken. Ze is «anders» dan wij, veel «hartstochtelijker», daar kunnen wij koele Nederlanders niet tegenop. De jongens in de dorpen van de omgeving, boerenpummels tot en met, krijgen geen vat op haar. «Dat zij door haar afkomst en indiaanse uiterlijk een bijzondere lotsbestemming moest hebben, wist ze al vanaf het moment dat haar moeder had verteld dat ze een adoptiekind was.»

Ik betwijfel of Timmer deze ingrediënten uit de wereld van de damesroman nodig heeft om zijn boek overtuigend te maken. Ik heb er moeite mee in dit type uitspraak te geloven, maar sluit natuurlijk niet helemaal uit dat ook ik al bij mijn geboorte door mijn uitgemergelde, weinig dansante en zwaar Nederlandse uiterlijk een speciaal lot tegemoet zou gaan, namelijk dat van boekbespreker in dit weekblad. Gelukkig mag ik dit soort generaliserende typeringen en uitspraken met een forse korrel zout nemen, de schrijver meent ze vast en zeker niet echt, ze bederven zijn roman niet, en ze gelden alleen gedurende de tijd dat ik het boek lees, dus dat valt mee. En om geloofwaardigheid hoeft het in literatuur niet te gaan.