POPMUZIEK

Net (niet) als Dylan

Bright Eyes

Het Bob Dylan-stempel. Als jonge talentvolle liedjesschrijver met gitaar om je nek ontkom je er bijna niet aan. Je hebt The Beatles als meetlat voor de ambachtelijke popmuziek, Robert Johnson voor de blues en Velvet Underground voor rock ‘n roll. Bob Dylan is vaak de standaard als de muziek naar het singer-songwritergenre riekt. Een paar uitzonderingen op de regel: is het gitaarspel uitzonderlijk en de sfeer ingetogen? Dan krijgt een artiest mogelijk de verwijzing naar Nick Drake mee. Neigt de zang naar hypergevoeligheid, dan komt Neil Young al snel om de hoek kijken. Wat dat betreft past de laatste als referentie beter bij Conor Oberst dan Bob Dylan. Het enige vaste bandlid van Bright Eyes vertelt geen verhalen, maar lijkt de tekstinspiratie voornamelijk uit zijn eigen complexe gevoelsleven te putten. Die zingt hij met grillig emotionele stem en een vaak groot gevoel voor tragedie, altijd met echo-effect. Letting Off the Happiness heet het debuut van Bright Eyes uit 1998 en dat lijkt sindsdien vaak de norm. Oberst was toen negentien en werd al snel beschouwd als muzikaal wonderkind. Jeugdig, ambitieus, veelbelovend en met een akoestische folk-inslag. Dan is Dylan al snel de norm en de vergelijking wordt sindsdien ook veel gemaakt.

Oberst zelf houdt zich ondertussen vooral bezig met zijn vele muzikale projecten. Ook komt hij drie jaar na zijn doorbraakalbum Lifted (2002) op de proppen met een rijk gevulde en deels onverwachte dubbelaar. Naast een cd met de 'ouderwetse’ Bright Eyes (I’m Wide Awake, It’s Morning) vind je op Digital Ash in a Digital Urn een plaat vol experimentele en 'elektronische’ folk. Waar Dylan veertig jaar eerder voor zijn vernieuwingsdrang nog voor Judas wordt uitgemaakt, krijgt Oberst juist veel positieve en aanmoedigende reacties. In beide gevallen heeft de artiest zich er weinig van aangetrokken.

Met het onlangs verschenen The People’s Key maakt Oberst een nieuwe draai. Hij kiest deze keer voor een alternatieve rockstijl en voegt daar veel keyboard aan toe. De emoties in de stem zijn wat gedempt en de teksten iets minder persoonlijk. Dat maakt de sfeer wat vlakker, maar ook minder beladen en pathetisch. De goede liedjes drijven ook nu snel naar boven. De galmende midtempo-rocker Haile Selassie nestelt zich snel in je geheugen. 'Here it comes, that heavy love/ Someone gotta share in the load’, zingt Oberst op Shell Games. Toch blijft het voor zijn doen, met de geslaagde combinatie van een metalriff en synthesizermelodie uit de jaren tachtig, opvallend luchtig. Ook heeft de plaat ruimte voor een mooi ingetogen pianoballad: Ladder Song.

The People’s Key is geen meesterwerk, maar klinkt wel verrassend los. Minder gewichtig ook dan voorganger Cassadaga (2008). Geruchten gaan dat het de laatste plaat is van Bright Eyes, maar het klinkt eerlijk gezegd meer als een overgang naar een nieuw begin. Die onwetendheid van de buitenwereld over de volgende stap van de 31-jarige artiest uit Nebraska geeft dan meteen de grootste overeenkomst met Dylan weer. Hij loopt in niemands voetsporen, maar baant zijn eigen pad.


_Bright Eyes, The People’s Key, label: Saddle Creek/Universal. Bright Eyes speelt op 7 juli in Tivoli, Utrecht _