Net zo incompleet als de rest

Claire Messud
De kinderen van de keizer
Vertaald door Iris den Hollander en Martine Jellema
Anthos, 441 blz, € 19,95

Amerikaanse literatuurcritici kwamen superlatieven te kort in hun besprekingen van Claire Messuds The Emperor’s Children. Ineens was daar een roman van een weinig bekende schrijfster die een haarscherpe schets van New York in 2001 neerzette en daarin een stuk succesvoller was dan haar vele malen bekendere collega’s. Terwijl het boek naar de bestsellerlijstjes klom, werd het nog voordat het in de Britse winkels lag genomineerd voor de long list van de Booker Prize. Dat zijn grote schoenen om te vullen.

De kinderen van de keizer is Messuds (1966) vierde boek. Het is een ensembleroman. Het verhaal draait rond een drietal studievrienden die inmiddels de dertig hebben bereikt en zich nu afvragen hoe het in hemelsnaam verder moet. Er is Daniëlle Minkoff, een documentairemaakster, te onzeker om succesvol te zijn in haar werk – of in de liefde. Er is de beeldschone Marina Thwaite, die na een mislukte relatie tijdelijk weer bij haar ouders woont om een beginnetje te maken aan haar boek over kinderkleding. En dan is er ook nog Julius Clarke, een homoseksuele literatuurcriticus die snakt naar meer glamour in zijn lven.

De plot wordt voor het grootste gedeelte gedragen door Marina’s vader Murray en zijn neefje Bootie. Op het oog is Murray de keizer uit de titel. Hij is een gevestigde naam, in de jaren zestig en zeventig liep hij als journalist voorop in de demonstraties tegen de Vietnamoorlog en voor burgerrechten. Nu is hij een intellectueel die in tv-programma’s komt opdraven om zijn mening over allerhande onderwerpen te geven. Hij is een icoon terwijl de anderen maar wat aanmodderen. Het zijn kleine, incomplete mensen met grote plannen, maar zonder enig idee hoe deze aan te pakken. Dan weer zijn ze ambitieus en egocentrisch, dan weer zijn het verliefde bakvissen die als een stelletje pubermeisjes gezamenlijk op het bed van Daniëlle over mannen kletsen.

De titel van de roman is een verwijzing naar het sprookje De kleren van de keizer. Dat betekent dat er behalve een keizer ook een kind moet zijn dat zijn zondeval realiseert. Het kind is Bootie. Bootie is dik, heeft een bril, leest te veel boeken en komt uit een gehucht. In plaats van naar de universiteit te gaan besluit hij zijn oom en tante te bezoeken, om het ‘echte leven’ te ontdekken in de Grote Stad, waar zijn oom hem een baantje als amanuensis geeft.

In die functie ontdekt Bootie dat Murray helemaal geen held is. Hij is net zo incompleet als de rest. Als meningenfabriek plagieert hij al jaren zichzelf; hij houdt er in het geheim een relatie op na met zijn dochters beste vriendin en bovendien blijkt het verstopte manuscript van Murrays nog te publiceren filosofische magnum opus een draak te zijn. Als Bootie het kind uit het sprookje is, dan is hij het meest volwassen in de realiteit: hij is de enige die weet wat hij wil en de durf heeft dat na te streven. En zo stevent de roman af op een Griekse vadermoord, wanneer Bootie besluit een onthullend exposé te schrijven over Murray.

Gedoceerd, misschien ietwat traag, ontvouwt Messud een plot waarbij voor alle karakters iets groots op het spel staat. Maar van begin tot eind weet de lezer dat het zwaard van Damocles daar bungelt, de aanslagen van 11 september die als een clusterbom ontploffen en de hechte vriendengroep uiteen doet spatten, iedereen een andere kant op om dekking te zoeken.

Messuds talent houdt de roman gemakkelijk staande. Alle personages in de plot draaien als fijne radertjes in een horloge en de interactie die dat oplevert maakt de roman levendig. Daarnaast heeft ze met Begeisterung een aantal karakters op papier gezet die allemaal een eigen stem hebben, karakters van vlees en bloed met eigen dwangneuroses en ambities.

Maar toch is er met het boek iets vreemds aan de hand. Messud schaart zich duidelijk in het rijtje auteurs die ‘New York in 2001’ als voornaamste thematiek gebruiken. Opmerkelijk is dan ook de manier waarop Messud met die twee gegevens, New York en 2001, omgaat.

Allereerst New York. In Amerikaanse literatuur is de stad een karakter op zich, een onzichtbare hand die personages tegen wil en dank onverwachte kanten op stuurt. Messud heeft zelf nooit in New York gewoond en het lijkt er dan ook op alsof ze nooit de stier bij de horens wil nemen. Haar schets van de metropool blijft op de vlakte, nooit laat ze zich verlokken tot illustraties van sociale mores of statussymbolen. Daardoor mist het boek het cynische of sardonische dat New Yorkers als Tom Wolfe of Jay McInerney wél hebben.

Hetzelfde geldt voor de tijdgeest. Messud waagt zich er amper aan; her en der wordt eens de verschijning van een boek of een film genoemd en een aantal personages is druk met de gouden bergen die de nieuwe media beloven, maar that’s it. Dit wekt het idee dat de roman zich net zo goed in Baltimore, 1998, zou kunnen afspelen. Hoe knap Messud ook een zedenschets van een groepje bevoorrechte New Yorkers heeft neergezet, als lezer kom je toch bedrogen uit. Het is niet het grote 9/11-boek zoals het gepresenteerd is.

JOOST DE VRIES