Israël en de angst voor de Iraanse bom

Netanyahu’s wapengekletter

Benjamin Netanyahu ziet maar één oplossing voor het iraanse kernvraagstuk: bombarderen. Zijn plannen leiden tot verdeeldheid in israël en de rest van de wereld, omdat de gevolgen rampzalig kunnen zijn. Maar de premier vindt vrede een zwaktebod.

Of Iran bezig is een atoombom te maken weten we niet. Of het van plan is zo’n bom op Israël te laten vallen, weten we nog minder, al is het buitengewoon onwaarschijnlijk. Wat we wel weten, is dat Israël overtuigd is van Irans boosaardige bedoelingen en dat het zelf het enige land in het Midden-Oosten is dat wél kernbommen heeft, overigens zonder dat ooit te hebben toegegeven. De Israëlische premier Netanyahu en zijn minister van Defensie Barak verkondigen dat de nucleaire faciliteiten van Iran snel moeten worden weggebombardeerd voordat een Iraanse kernbom een tweede holocaust kan aanrichten. Met zo’n preventieve actie, zeggen ze, zou Israël niet alleen zichzelf maar ook de hele wereld een dienst bewijzen. Over de vraag of zo’n actie wijs of wenselijk is, wordt in Israël oorverdovend gedebatteerd. In dat debat spelen de gevolgen van een Israëlisch bombardement voor de rest van de wereld vaak slechts een secundaire rol.

Het laatste waar de wereld behoefte aan heeft, daarover zal ieder fatsoenlijk en verstandig mens het eens zijn, is een nieuwe oorlog in het Midden-Oosten. Niettemin menen nogal wat westerlingen dat Iran een atoombom wil maken om hem te laten vallen op Israël. Ze hechten geen geloof aan de fatwa die Irans hoogste leider, ayatollah Ali Khamenei, heeft uitgesproken tegen het vervaardigen, bezitten of gebruiken van kernwapens of het dreigen daarmee, en evenmin aan de herhaalde Iraanse verzekeringen dat de kernenergie uitsluitend zal dienen om elektriciteit op te wekken en zieken te genezen. Het Westen hoopt met harde sancties Irans economische en financiële systeem te verlammen en de Islamitische Republiek daardoor te dwingen geen atoombommen te ontwikkelen. Dat is zeker geen bij voorbaat verloren strategie, mits men het Iraanse regime een compromisoplossing weet aan te bieden met een stevige veiligheidsgarantie, waardoor het tegenover zijn eigen achterban geen gezichtsverlies lijdt.

Obama voelt heel weinig voor een nieuw militair avontuur in het Midden-Oosten, met de bloedige afgang in Irak nog vers in het geheugen en de desastreuze mislukking in Afghanistan nog volop in gang. Bovendien moet het Pentagon fors bezuinigen. Het wil zich voortaan concentreren op de Pacific, om de snel groeiende invloed van China in dat gebied in te dammen. Toch verzekert Obama dat hij het gebruik van geweld tegen Iran niet bij voorbaat wil uitsluiten. Meent hij dat? Of beweert hij dat om in onderhandelingen met Iran sterker te staan, en tegelijk de haviken in eigen land niet nog meer tegen zich in het harnas te jagen en de relaties met Israël niet nog stroever te maken?

Netanyahu gelooft niet in sancties. Eerder deze maand zei hij dat ze geen enkel resultaat hebben opgeleverd, hoewel even tevoren zijn eigen ambassadeur bij de VN het tegenovergestelde verzekerde. Voor Netanyahu is er maar één doeltreffende sanctie: bombarderen. De gevolgen van zo’n bombardement kunnen rampzalig zijn, niet alleen voor Israël maar voor het hele Midden-Oosten, terwijl de rest van de wereld zal worden geconfronteerd met raketsgewijs stijgende olieprijzen. Toch zijn al die rampen voor Netanyahu en de zijnen een geringer kwaad in vergelijking met de, al dan niet vermeende, nucleaire dreiging vanuit Iran. Het is niet de eerste keer dat de Israëlische premier een gebrek aan langetermijnvisie aan de dag legt.

Israël heeft het al lang voorzien op het Iraanse nucleaire programma, dat de afgelopen jaren getroffen is door geheimzinnige explosies, aanvallen op computers van het Iraanse atoombureau die eenvijfde van de nucleaire centrifuges buiten bedrijf stelden en de liquidatie sinds 2010 van tot nu toe vier Iraanse atoom­geleerden. De daders zouden leden van de Iraanse oppositie zijn geweest en zijn benaderd door mensen van de Israëlische geheime dienst Mossad die zich voordeden als cia-agenten.

In november vorig jaar begonnen Netanyahu en Barak binnenskamers een campagne om de sleutelfiguren van het Israëlische politieke en militaire establishment achter hun plannen te krijgen voor een bombardement op een Iraanse uraniumverrijkingsinstallatie dicht bij de heilige stad Qom. Een geslaagde testvlucht van een raket (die met een kernkop naar Iran kan vliegen) en luchtmachtoefeningen in Sardinië, compleet met bijtanken in de lucht, moesten die campagne ondersteunen. De discussie had geheim moeten blijven, maar er was een lek. Daardoor verhuisde het debat tot woede van de regering van de binnenkamertjes naar de media en de straat. Plotseling wist iedereen dat de leiders van het land diep verdeeld zijn over de plannen van Netanyahu en Barak. De critici vinden vooral dat een aanval onaanvaardbaar grote risico’s met zich meebrengt. In tegenstelling tot de door Israël eerder gebombardeerde atoominstallaties in Irak (1981) en Syrië (2007) ligt Irans nucleaire bunker diep en bomveilig onder de grond. Zelfs een geslaagde actie zou volgens experts de vervaardiging van een atoomwapen hooguit vertragen en het conflict slechts verscherpen. Is dat het risico van een nieuwe oorlog in het Midden-Oosten waard?

De felste tegenstanders bleken uitgerekend (oud-)chefs van de veiligheidsdiensten en het leger te zijn. In de pers brak tumult uit, terwijl er een nieuw debat begon over de vraag of een publieke discussie over zo’n gevoelige kwestie, waarin immers de nationale veiligheid op het spel staat, eigenlijk wel kon. ‘De Iraniërs zullen wel denken hoe stupide die lui zijn’, zei de Israëlische oud-diplomaat Alan Baker over degenen die de Iran-discussie naar buiten hadden gebracht. ‘Het was zinloos, onnodig en schadelijk. Het was een boodschap voor de Iraniërs dat er in Israël een enorm debat gaande is.’ Verantwoordelijk voor het lek was waarschijnlijk een doorgewinterde veiligheidsspecialist, de voormalige Mossad-chef Meir Dagan. Deze had eerder dit jaar na een hoog opgelopen conflict met Netanyahu de Mossad verlaten. Ook diverse andere hoge inlichtingen- en defensiefiguren zijn uit protest tegen de officiële lijn opgestapt.

De verdeeldheid aan de top gaat gepaard met verdeeldheid aan de basis. De Israëlische oppositie, of wat ervan over is, staat allesbehalve te juichen. De nieuwe leider van de Arbeiderspartij, de vroegere journaliste Sheli Yehimovitch, waarschuwde Netanyahu en Barak voor ‘megalomaniakale avonturen’. Een andere oude bekende, Shaul Mofaz, sinds kort leider van de door Ariel Sharon gestichte centrumpartij Kadima, vindt dat een aanval op Iran pas als allerlaatste middel moet worden ingezet. Deze ex-legerleider en oud-minister van Defensie heeft een reputatie te verliezen als hardliner. Sinds hij, in navolging van menige andere Israëlische generaal, de politiek is ingegaan, doet hij zijn best afstand te nemen van zijn houwdegenverleden.

In de Iraanse nucleaire kwestie neemt Mofaz een speciale plaats in: hij is van afkomst Iraniër, net als een kwart miljoen andere Israëliërs. De meesten van hen, of hun ouders, hebben Iran verlaten na de verjaging van de sjah in 1979, maar ondanks de ayatollahs zijn ze veel van hun oude vaderland blijven houden. In een conflict tussen Israël en Iran zouden ze in een onmogelijke loyaliteitscrisis komen. De zoon van de sjah, Reza Pahlavi, heeft op de Israëlische televisie gevraagd zijn vaderland niet te bombarderen. Dat zou volgens hem slechts het regime in de kaart spelen. In plaats daarvan zou Israël de Iraanse oppositie moeten helpen.

In opiniepeilingen in Israël in november vorig jaar hield het aantal voor- en tegenstanders van een Israëlische aanval op Iran elkaar in evenwicht, terwijl 59 procent meende dat zo’n aanval zou leiden tot een regionale oorlog en liefst tachtig procent tot een oorlog met Hezbollah en Hamas. Ongeveer de helft van de ondervraagden had geen vertrouwen in de manier waarop Netanyahu en Barak de zaak aanpakten. In een nieuwe peiling eind maart was bombarderen populairder geworden: zestig procent van de Israëliërs zag een militaire aanpak als enig middel om de aan Iran toegeschreven nucleaire droom te verstoren. Tweederde van de ondervraagden vond dat de dreiging van een Iraanse atoombom voor Israël gevaarlijker was dan de prijs die het zou moeten betalen als het zelf een bom gooide op de atoominstallaties van Iran.

Even leek het alsof een Israëlische aanval op Iran nog vóór de winter een feit zou zijn. Daarna begon zich een nieuwe deadline af te tekenen: de Amerikaanse presidentsverkiezingen in november, want vóór dat moment zou Obama gedwongen zijn Israël te hulp te schieten om door de Republikeinen niet te worden uitgemaakt voor een verrader van de Israëlische zaak. De Republikeinse presidentskandidaten willen immers de joodse en zionistisch-evangelische kiezers doen geloven dat Amerika nog nooit een president heeft gehad die Israël zo haatte als de verkapte moslim Barack Hoessein Obama.

Dat is onzin: net als al zijn voorgangers ziet Obama het garanderen van het voortbestaan van de staat Israël als zijn heilige plicht. Als deze westerse voorpost in het Midden-Oosten een Amerikaanse satelliet is, dan slaat Israël voor een satelliet een opvallend hoge toon tegen het dominerende land aan. Denk bijvoorbeeld aan de manier waarop Obama vorig jaar in zijn eigen Witte Huis door Netanyahu voor schut werd gezet. Obama pleitte toen voor een terugkeer naar Israëls grenzen van voor de Zesdaagse Oorlog van 1967. Niets nieuws, maar voor de Israëlische premier is het geen optie meer. Kort daarop beleefde Netanyahu zijn apotheose in een toespraak voor de beide Kamers van het Amerikaanse Congres. Onder donderend, voor Obama vernederend applaus zei hij dat Israël niet zal terugkeren naar de ‘onverdedigbare grenzen’ van 1967. Hij kreeg 25 staande ovaties voor een toespraak die door een Palestijnse leider werd samengevat als een ‘oorlogsverklaring aan de Palestijnen’.

In maart ging Netanyahu opnieuw langs in het Witte Huis. Over de Palestijnse kwestie werd niet meer gesproken. Obama verzekerde dat de Verenigde Staten in geen geval zullen dulden dat Iran in het bezit komt van kernwapens. Eén Noord-Korea is Washington meer dan genoeg. Alleen wanneer economische sancties en diplomatiek overleg tot niets leiden, komt voor Obama de laatste optie in zicht: wapengeweld.

Netanyahu zou veel liever een Republikeinse president willen, want Republikeinen zien de woorden van de premier van Israël, wie het ook mag zijn en wat hij ook roept, ongeveer als een goddelijke openbaring. Steun voor Israël is volgens hen altijd in het Amerikaanse belang. Netanyahu is al sinds 1976 bevriend met Mitt Romney. ‘Obama gooit Israël onder de bus’, heeft Romney beweerd. Hijzelf zal Israël in een gouden koets zetten: als president zal hij, hij heeft het zelf gezegd, geen beslissingen over Israël of het Midden-Oosten nemen zonder zijn oude vriend Netanyahu te raadplegen. Overigens was deze ook zeer gecharmeerd van Newt Gingrich. Diens financier was dezelfde casinomagnaat Sheldon Adelson die de grootste krant van Israël betaalt, Netanyahu’s spreekbuis Israel Hayom (Israël Vandaag).

Netanyahu wil dat de P5+1 (de vijf permanente leden van de VN-Veiligheidsraad en Duitsland) in hun nieuwe onderhandelingen met Iran stopzetting eisen van de verrijking van uranium, overbrenging van al het verrijkte uranium naar een derde land en ontmanteling van de ondergrondse nucleaire bunker. Het overleg van afgelopen zaterdag in Istanbul verliep in een positieve sfeer. Afgesproken werd dat men in mei in Bagdad opnieuw bijeen zal komen. Reactie van Netanyahu: ‘Een weggevertje aan Iran. Dat heeft nu vijf weken de tijd om door te gaan met het verrijken van uranium.’

Het was al bekend dat Netanyahu niets ziet in diplomatiek overleg, dat Iran volgens hem slechts zal gebruiken om tijd te rekken. Hij wil daarom duidelijk gezegd hebben dat de bombardering is uitgesteld, maar niet van de baan is. ‘Het is geen kwestie van weken, maar ook niet van jaren’, zei Barak begin april. Voordat Teheran de ‘immuniteitszone’ betreedt, dat is het moment waarop het maken van kern­wapens niet meer kan worden voorkomen, moet er volgens Barak gebombardeerd worden. De spanning blijft dus, en daar is het de Israëlische leiders precies om te doen. Ze roepen al sinds 1994 dat Iran bezig is een atoombom te maken, maar nog nooit hebben ze zo luid met de sabels gekletterd. Waarom?

Op het eerste gezicht heeft Israël alle reden om verontrust te zijn. De haat die de ayatollahs de ‘zionistische entiteit’ toedragen blijkt bijvoorbeeld uit de financiering en bewapening van Israëls vijand Hezbollah in Libanon en tot vorig jaar zomer ook van Hamas (de Iraanse hulp werd toen teruggeschroefd, misschien zelfs stopgezet, na de weigering van Hamas het regime van de Syrische president Assad nog langer te steunen). Een president die de holocaust ontkent of in ieder geval bagatelliseert, die het ‘criminele en terroristische zionistische regime’ vergelijkt met een kankergezwel dat moet worden uitgesneden, zo’n president jaagt angst aan. Ahmadinejad kan nóg zo ontkennen dat hij ooit heeft gezegd dat Israël van de kaart moet worden geveegd, zijn constant provocerende taal liegt er niet om.

Maar de binnenlandse positie van Ahmadinejad is zwak. En het verzet tegen het theocratische bewind, dat bij de presidentsverkiezingen van 2009 fel oplaaide en alleen met terreurmaatregelen kon worden bedwongen, is niet gedoofd. Wie is beter in staat het volk vereend achter het regime te krijgen dan een buitenlandse vijand die met bombardementen dreigt? Eigenlijk zou Ahmadinejad Netanyahu dankbaar moeten zijn dat hij hem de gelegenheid heeft gegeven om de nationalistische toets te spelen en daardoor het verdeelde volk te verenigen rond de troon.

Van nature is Netanyahu geen gematigde figuur. Consequent heeft hij zich verzet tegen vredesinitiatieven: het vredesverdrag met Egypte, het eerste en tweede Oslo-akkoord, de Israëlische terugtrekking uit Libanon en Gaza, en natuurlijk een vredesakkoord met de Palestijnen, ondanks de gematigde opstelling van de Palestijnse leider Mahmoud Abbas. Netanyahu vindt vrede immers een zwaktebod. Hij is de zelfuitgeroepen kampioen van een trots Israël, een Israël dat na alle verschrikkingen uit het verleden voor niemand meer wil buigen. Vroeger waren de joden altijd voor hun vijanden op de vlucht, tegenwoordig nemen ze tegen hun vijanden het initiatief. In die gedachtegang kon de holocaust plaatsvinden omdat de Europese joden niet sterk genoeg waren om die ramp te voorkomen. De joodse staat moet dus sterker zijn dan al zijn vijanden. Netanyahu heeft niet geaarzeld om, volgens zijn tegenstanders ongepast, het afvuren van een Iraanse kernbom op Israël te vergelijken met de holocaust. Iran vormt een ‘existentiële bedreiging’ die moet worden uitgeschakeld voordat het te laat is.

Bewust of onbewust zullen veel Israëliërs zich herkennen in die assertieve houding. Netanyahu is een meester in het beroeren van de gevoeligste snaren in de collectieve ziel. Hij speelt razend knap in op de millennia oude joodse angst. Angst geeft hem macht. Angst voor de zelfmoordaanslagen van Hamas op Israëlische bussen in 1995 en 1996 plaveide de weg naar zijn eerste premierschap. Angst voor de Palestijnen vertaalt hij in een agressieve kolonisering van de Westelijke Jordaanoever. Angst voor de Arabische lente zet hij om in een versteviging van zijn machtspositie. En angst voor verdelging door Iran dwingt het volk zich te scharen achter zijn leider.

En zo raken de rationele overwegingen die een Iraanse atoomaanval onwaarschijnlijk maken op de achtergrond. Zouden de ayatollahs werkelijk het risico willen nemen van een massale Amerikaanse vergeldingsactie, die hoogstwaarschijnlijk het einde van hun regime zou betekenen? Zouden ze echt bereid zijn tot deze zelfmoord? Zouden zij, als reactie op de Israëlische en Amerikaanse dreigementen, de westerse sancties en de moord op Iraanse kerngeleerden, niet net zo goed met een preemptive strike kunnen dreigen? Zou het niet kunnen dat Iran net zo’n ‘strategische ambiguïteit’ nastreeft als Israël, dat wel (honderd à tweehonderd) kernwapens heeft maar er niet voor wil uitkomen? Is Teherans eventuele kernwapen niet eerder bedoeld als een afschrikkingsmiddel dat een herhaling in Iran van de Amerikaanse aanval op het Irak van Saddam Hoessein moet voorkomen? Het zou dezelfde conclusie zijn die Noord-Korea, dat samen met Irak en Iran de door Bush jr. geconstrueerde ‘as van het kwaad’ vormde, al heeft getrokken uit de Amerikaanse oorlog tegen Saddam.

Netanyahu is ongevoelig voor die argumenten. Hij blaast het Iraanse gevaar tot nog grotere proporties op, terwijl de gevolgen van een Iraanse vergeldingsactie worden gebagatelliseerd. Barak schat het aantal Israëliërs dat daardoor in drie weken tijd gedood zou worden op nog geen vijfhonderd, een waarschijnlijk veel te laag aantal. Veel mensen zijn niet overtuigd. Sommigen wijzen op de zeer gebrekkige maatregelen om de bevolking te beschermen tegen bombardementen en raketbeschietingen. Anderen zijn bang dat een aanval op Iran een kolossale doos van Pandora zal doen openbarsten.

En er zijn ook protesten van gewone pacifisten. ‘Niet bombarderen, maar praten’ en ‘Bibi, bombardeer Iran niet’, riepen demonstranten in Tel Aviv tegen Benjamin (alias Bibi) Netanyahu. Het filmpje Iranians we love u maakt furore op YouTube. Israëliërs zeggen daarin lieve dingen tegen hun Iraanse broeders en zusters. Sommigen houden een bordje in de hand met de tekst ‘Iranians, we will never bomb your country’. Dat laatste is misschien meer dan wensdenken. Want wellicht is het wapengekletter van Netanyahu en Barak bedoeld als een pressiemiddel op de westerse mogendheden om hun sancties tegen Iran nog verder te verscherpen en in onderhandelingen het onderste uit de kan te halen.

In ieder geval dient de crisis rond Iran voor Netanyahu nog een ander doel – die van welkome bliksemafleider van het drama waar het werkelijk om gaat, maar dat in deze dagen nagenoeg vergeten lijkt: de totale, steeds gevaarlijker wordende impasse in wat vrijwel niemand meer het vredesproces tussen Israël en de Palestijnen durft te noemen.