Essay: Internetverslaving en -obsessie

Netgek!

De zuigkracht van de elektronische snelweg wordt steeds groter. En de eerste internetverslaafden zijn inmiddels onderwerp van wetenschappelijk onderzoek.

«Als ik langer dan een uurtje op internet zit, wordt mijn vader kwaad», meldt een zeventienjarige scholiere in een nieuwsgroep. Zij is niet de enige die haar surfgedrag binnenshuis moet rechtvaardigen. Wanneer je je aandacht richt op het computerscherm sluit je je bewust af van je directe omgeving. Als je ook nog het net op gaat, geef je kennelijk de voorkeur aan een virtuele omgeving boven fysiek gezelschap. En dan is surfen nog de mildste vorm van «verraad».

Als internetgebruik een vereiste is voor je werk of je opleiding zal je omgeving het gemakkelijker accepteren dan wanneer je het doet om persoonlijke redenen. Het laatste kan op onbegrip stuiten, zowel bij niet-ingewijden als bij mensen die vertrouwd zijn met internet. De eersten hebben niet zelden een mythische voorstelling van computers en hun mogelijkheden. De laatsten weten uit ervaring hoe intensief het virtuele contact kan zijn. Eigenlijk hebben beide groepen gelijk, want in cyber space geldt de Thomas-regel uit de sociologie: als mensen verwachten dat iets gebeurt, dan heeft dat gevolgen voor wat er gebeurt. En die verwachtingen kunnen mythische vormen aannemen, afhankelijk van het belang en de werkelijkheidsgraad die mensen aan elektronische informatie of aan hun virtuele contacten willen toekennen.

Internetgebruik oogt en voelt dus niet alleen onder bepaalde omstandigheden subversief, het is subversief omdat het de verbeelding aanspreekt. Regeringen over de hele wereld hebben dat ingezien en — al naar gelang hun democratische gehalte — passende maatregelen genomen om hun burgers binnen de virtuele perken te houden. Therapeuten, ouders van whizzkids en docenten aan opleidingen met computerondersteund onderwijs beginnen het nu ook te beseffen. Internet ontsluit tegelijk informatie, menselijke contacten en — voor wie er gevoelig voor is — een nieuwe verbeeldingswereld en zelfs een extensie van de persoonlijkheid waarbij de gebruiker zijn virtuele gedrag als een wezenlijke aanvulling op zijn fysieke gedrag beschouwt. Volgens internet goeroe Sherry Turkle biedt het de mogelijkheid onszelf radicaal te ver menigvuldigen, ons «ik» te fragmenteren: «In de dage lijkse praktijk van veel computergebruikers zijn windows een metafoor voor de interpretatie van het ‘ik’ als een meervoudig verdeeld systeem.»

Turkle’s omschrijving van het gefragmenteerde «ik» valt vrijwel samen met de diagnose van een hedendaagse vorm van schizofrenie, het Meervoudig Persoonlijk heids syndroom (MPS). Hoe groter de zuigkracht van de elektronische snelweg, des te groter wordt de kans op ontsporingen van neurotische en psychotische aard. Onder wetenschappers is de netgekte nog vrijwel onontgonnen gebied. De laatste editie van het internationale handboek Diagnostic and Statistical Manual of Mental Disorders bevat geen enkele internetverwijzing, maar dat zal niet lang zo blijven. Internet nodigt uit tot exploratie van riskante gedachten en gevoelens en onbekende of onderdrukte kanten van je persoonlijkheid. De anonimiteit is, indien gewenst, veel groter dan in het dagelijks leven, hetgeen de mogelijkheden nog versterkt. Het is een ideale infrastructuur voor zowel goede als slechte trips.

Bovendien doet de wet van de grote getallen zich sinds een jaar of vijf gelden: de groei van het aantal aansluitingen en webpagina’s is exponentieel. Communiceren via internet is geen novum meer, het is een revolutie in de menselijke betrekkingen, een creatieve destructie waarin menigeen — gebruiker of niet — tegen wil en dank wordt meegesleept. De groeiende technische mogelijkheden en het groeiende gebruikersaantal jagen elkaar aan. Door de groei van het aantal gebruikers wordt de ontwikkeling van nieuwe technieken winstgevend, en door de toepassing daarvan worden weer meer mensen aangelokt of gedwongen tot internetgebruik voor hun werk of voor persoonlijke doeleinden. De verbeeldingsruimte van de intensieve gebruiker dijt zodoende even snel uit als ons natuurkundig heelal, aldus de publiciste Margaret Wertheim.

De gebruikers vormen nieuwe netwerken en nemen afstand van traditionele netwerken en vangnetten, inclusief de familie. Internet is nu al een serieuze factor in de persoonlijkheidsontwikkeling van jonge mensen, net als de televisie in de jaren zestig. Na de pil en de televisie zal de computer zelfs een nieuwe middelpuntvliedende kracht in het gezinsleven worden, voorspelt de bedrijfskundige William Knoke. De omgang met bloedverwanten wordt een keuze binnen een heel scala van relatievormen: kamer- en huisgenoten, homohuwelijken, stieffamilies, sleutelkinderen en éénpersoonshuishoudens (Bold New World, 1996). Binnen die relaties worden de traditionele omgangsvormen aangevuld of vervangen door e-mail, nieuwsgroepen, chatrooms, multimediaonderwijs en virtuele omgevingen zoals Multi-User Domains. Kinderen zullen opgroeien in «plaatsloze gezinnen». Ze ontmoeten hun ouders niet meer bij de spreekwoordelijke ijskast, maar op de brug van hun ruimteschip in TrekMUSE, de virtuele variant van Star Trek.

De pathologie van het virtuele bestaan schuilt in die verbeeldingsruimte, die zoals tal van andere symbolische gebieden (literatuur, film) betekenis geeft aan ons reële leven. In kringen van internauten noemt men elektronische netwerken ook wel virtuele «gemeenschappen» in navolging van het begrip «community» uit de Amerikaanse sociologie. Van daaruit is het nog maar een kleine stap naar de «imagined community» van Benedict Anderson, de «verbeelde gemeenschap» die de plaats inneemt van de intieme, overzichtelijke leefgemeenschappen van vroeger eeuwen. De Amsterdamse onderzoeker Alfred Benschop ziet internet zelfs als een nieuw middenveld dat sociale banden herstelt die elders verloren gaan: «Mijn stelling is dat virtuele gemeenschappen in veel opzichten de functies overnemen van de door verzakelijking en urbanisatie in verval geraakte traditionele gemeenschappen. De ontwikkeling van virtuele gemeenschappen kan voor een deel verklaard worden als reactie op de desintegratie van lokale gemeenschappen in vrij of goedkoop toegankelijke 'third places’ zoals kroegen en kerken, parken en pleinen, straathoeken en markten.»

Het onderzoek naar psychische ontsporingen op internet is vooralsnog beperkt tot de meest alledaagse vorm die ogenschijnlijk het makkelijkst is te meten: verslaving. Er zijn verscheidene Angelsaksische termen voor dwangmatig internetgebruik zoals Pathological Computer Use (PCU) en «webaholism», maar de meest gebruikte is Internet Addiction Disorder (IAD). De IAD Support Group van de Amerikaanse arts Ivan Goldberg noemt de volgende symptomen: steeds meer tijd op internet moeten doorbrengen om bevrediging te bereiken, ontwenningsverschijnselen, dromen en fantaseren over wat er in cyberspace gebeurt, en ontwrichting van het sociale leven buiten internet. Ze lijken verdacht veel op de symptomen van verslaving aan drugs, gokken of seks. Volgens IAD-onderzoeker Kimberly Young is het aantal internetverslaafden zelfs ongeveer even hoog als het aantal pathologische gokkers, namelijk een tot vijf procent van de gebruikers.

In veel onderzoeken naar internetverslaving wordt de analogie met drugs, gokken en roken tot in het belachelijke doorgetrokken. Een Nederlandse onderzoeker beweerde nog niet zo lang geleden dat een dagelijks verblijf van enkele uren achter de computer al wees op verslaving. Maar hele volksstammen moeten tegenwoordig acht uur of langer online zijn voor hun werk. En is een verslaving per se ongezond of onproductief? Beroepsschakers zijn vele uren per dag bezig met analyseren: ze eten tijdens het schaken, ze schaken tijdens het praten, ze denken schaak, dromen schaak, ademen schaak; ze zijn hopeloos verslaafd. Niettemin worden ze sinds anderhalve eeuw tot de intellectuele voortrekkers van de mensheid gerekend. De parodieën op de verslavingstests hebben niet lang op zich laten wachten. Een willekeurige greep van het Web: je bent een webaholic wanneer je je kinderen Mozilla, Eudora en Java noemt, paaseieren zoekt met een zoekmachine en elke zin afsluit met de woorden «punt com».

De Groningse onderzoekers Lex Dierssen, Adriaan van Doorn en Han Wassenaar hebben een serieuzere benadering, in de vorm van een neurologische theorie over de interactie tussen mens en computer. Deze «neuro-inter face-theorie» is door Wassenaar ontwikkeld en wordt toegepast in bedrijven, gezinstherapie en internetverslavingstherapie. De theorie bouwt voort op het werk van Paul Watzlawick, Al Pesso en andere Amerikaanse communicatiewetenschappers. Wassenaar gaat uit van twee soorten informatieroutes die mensen gebruiken om hun zelfbeeld bij te stellen. De «korte route» is zintuiglijk en onmiddellijk, zonder tussenkomst van anderen. Hij helpt ons te bepalen wat we zeggen, waar we ons bevinden, enzovoort; dankzij die korte route vormen we een zelfbeeld. De «lange route» verloopt via andere mensen; hij bestaat uit selectieve informatie van anderen die aangeeft welk beeld die anderen van ons hebben. Daaraan kunnen we ons zelfbeeld toetsen.

Het verraderlijke van de computer is dat de gebruiker de korte, zelfbevestigende route voor de lange kan gaan aanzien en zelfs de lange route geheel door de korte kan vervangen. Zo ontstaat een cirkel van zelfbevestiging waarin geen toetsing door anderen meer plaatsvindt. Wassenaar: «Een computer is een belofte die luidt: als je met mij in zee gaat, gebeurt er wat met je. Maar omdat je op de computer de toetsing door anderen kunt omzeilen, gebeurt niet zelden datgene wat je zelf oproept, vaker dan in het echte leven. We hebben hier een cliënt gehad wiens hele bestaan was opgebouwd rond internet. Hij had een eigen computertaal ontwikkeld, hij achtte zich het middelpunt van allerlei belangrijke ontwikkelingen op internet; hij vond zichzelf een genie, de navel van de virtuele wereld, en hij zag zijn gelijk in al zijn internetcontacten bevestigd. Hij heeft zijn therapie afgebroken omdat hij te veel te doen had op internet.»

In aanleg verschilt de waan van deze man waarschijnlijk niet van andere vormen van paranoia in de «echte» wereld. Toch hebben de Groningers een punt, want aan zelfbevestiging heeft iedereen behoefte. Daar ligt ongetwijfeld het aangrijpingspunt van de meest gangbare vorm van internetverslaving. In een recent artikel stelt het drietal dat «computer- en internetverslaving wel eens volksziekte nummer één zou kunnen worden». Die uitspraak vinden ze achteraf te ver gaan, maar Dierssen, die zich toelegt op multimediaal onderwijs, voorziet toch toenemende problemen: «Er is al bijna geen verschil meer tussen internetverslaving en het gebruik van de computer voor het werk. In het kader van opleidingen wordt ook steeds meer software gebruikt en die educatieve programma’s zijn zo zelfbevestigend als de pest. Mijn eigen dochter van dertien die toch echt opgroeit als een buitenkind, is al twee dagen niet weg te slaan van de computer omdat ik haar een educatief spelprogramma heb gegeven.»

Dierssen maakt ook een belangrijk onderscheid tussen informatieverslaafden en contactverslaafden. Cijfers over hun verdeling zijn er niet, maar anekdotische gegevens wijzen in de richting van een overwicht aan contactverslaafden. De psychologe Nancy Wesson heeft vastgesteld dat mensen met verlegenheidsproblemen vaak obsessieve online-relaties ontwikkelen. Ze mijden intiem contact of voeren maskerades op om het te suggereren. Ze bouwen virtuele persoonlijkheden op waarmee ze de hoogste status of de centrale positie binnen een netwerk willen bereiken. Sommigen, de zogenoemde «nerts», verschijnen anoniem op websites om andere mensen lastig te vallen. Tegelijk genieten ze voyeuristisch van de openhartigheid van die anderen aangezien het internetverkeer op de meeste mensen ontremmend werkt. Wie wel eens rondhangt in een chatroom weet dat die ontremming kan ontaarden in een totaal decorumverlies dat in het echte leven alleen op psychiatrische afdelingen en voetbaltribunes wordt waargenomen.

De netsociologe Nancy Reid ontdekte dat alle computergemedieerde systemen dit effect hebben: ze maken dat mensen zich minder geremd voelen omdat hun uitingen geen directe weerslag hebben op hun eigen leven en hun sociale omgeving. Volgens Benschop is dit een «nieuw en slecht begrepen psychologisch fenomeen». Tegelijk constateert hij dat openhartigheid in virtuele netwerken wordt beloond en bevestigd, ondanks het schijnbare gebrek aan wederzijdse verplichtingen: «In de loop van de tijd vormen zich op deze manier toch duurzame relaties. Net als in andere sociale situaties gaat het bij virtuele relaties maar om één ding: menselijke aandacht.» Door het gebrek aan zintuiglijke terugkoppeling, in combinatie met ontremming, ontstaan op internet meer kalverliefdes en virtuele gevechten (zogenoemde «flames») dan in het gewone sociale leven.

In extreme gevallen treedt inderdaad de fragmentatie van de persoonlijkheid op waarover Turkle zo onnozel schrijft als was het een vorm van fröhliche Wissenschaft. Een manisch-depressieve Duitse patiënte vertelt op haar website hoe zij in cyberspace een soort tegenhanger vond voor haar wanen en depressies: «Terwijl in mijn 'echte leven’ alles in elkaar stortte (concentratieproblemen op het werk, elke ochtend mineurstemming, sociaal isolement, gewichtsverlies) bloeide mijn virtuele leven helemaal op.» Een halfjaar, twee zelfmoordpogingen en een opname later besefte ze hoezeer ze haar persoonlijke tekortkomingen had geprojecteerd op haar website en virtuele contacten. Maar zij wijst ook op de positieve keerzijde daarvan, namelijk dat het net haar in staat stelde tot een visualisering van onbewuste beelden en conflicten die anders verdrongen waren gebleven.

Haar inzicht in de therapeutische mogelijkheden van internet loopt ver vooruit op de internettherapieën die tegenwoordig worden aangeboden. Cyberpsychologen hanteren elektronische versies van de aloude correspondentietherapie die mogelijk verlichting bieden bij een beperkt scala van onlustgevoelens, lichte neurosen en goed identificeerbare fobieën. Ze beoordelen de binnenkomende mails van de cliënt met behulp van speciale software die de tekst onder meer scant op het voorkomen van sleutelwoorden en woordcombinaties die een probleemgebied aanduiden. Vervolgens sturen ze een voorgeprogrammeerd antwoord, eventueel voorzien van eigen aanvullingen of correcties, naar de cliënt terug. «Hard» onderzoek naar de resultaten is niet bekend. Hoe dan ook, deze therapieën maken geen gebruik van de affectieve diepgang die in virtuele contacten mogelijk is.

Een indicatie van die diepgang is het verschijnsel van virtuele verliefdheid of «teleliefde», een intieme relatie die in cyberspace ontstaat. Zulke vriendschappen en liefdes zijn nog vaak onderwerp van spot en onbegrip. «Mijn virtuele vriendschappen worden door mijn omgeving niet serieus genomen. Mensen noemen me 'zielig’. Ze vergelijken het met het plaatsen van een contactadvertentie», schrijven gasten in het interactieve deel van de Groene-website, de zogeheten Groene Kantine. Voor Benschop is dit wantrouwen een gepasseerd station: «Mensen investeren veel energie in virtuele relaties en doen hierin typisch menselijke ervaringen op. Zij voelen echte pijn wanneer zij door hun virtuele partners worden verlaten, zij worden wanhopig wanneer zij door hun virtuele partner worden verwaarloosd en zij kunnen met volle teugen genieten van het rollenspel dat in een virtuele wereld mogelijk is. Die symbolische interacties zijn niet minder werkelijk dan die in de 'werkelijke’ wereld. Door omgang met symbolische objecten (vooral tekst) ervaren wij zelfs fysiologische reacties: seksuele opwinding, koud zweet van angst, misselijkmakende walging, rillingen van ontroering, et cetera. Maar bij een echte romance op het net zal het stel elkaar uiteindelijk in levenden lijve willen ontmoeten. Zij moeten elkaar wel ontmoeten, wil hun relatie zich verder ontwikkelen en volledig bevredigend zijn.»

Is internet dus gewoon een «andere manier om elkaar te ontmoeten»? Die voorstelling is ongetwijfeld geruststellend voor de virtuele goegemeente, maar wel erg pro zaïsch. Het virtuele aspect verandert de betekenis van begrippen als vriendschap en liefde. De volgorde van kennismaking wordt omgekeerd. Eerst vindt men elkaar in een gezamenlijke verbeeldingswereld, daarna volgen de geur, de aanblik, de aanraking. En waarom zouden die twee aspecten elkaar in de toekomst niet blijvend kunnen aanvullen? Virtuele openhartigheid en rollenspel kunnen in combinatie met de lichamelijkheid van de ander een krachtig elixer zijn, krachtiger dan de wildste combinatie van drank, technodreun en XTC. Mensen delen al zoveel dromen en imaginaire universa met elkaar, zoveel gevoelstoestanden die evolutionair voorafgaan aan het rationele denken. Internet kan die visualiseren, aan het licht brengen. Het stimuleert, om met internetauteur John Suler te spreken, «een primordiale, magische manier van denken die doorgaans onbewust blijft, maar die als hij eenmaal aan de oppervlakte komt creativiteit, mystiek en psychose kan aanwakkeren». Internet biedt volgens hem de kans om «kwesties van identiteit uit te werken en innerlijke werelden, attitudes en onontgonnen aspecten van onze persoonlijkheid te realiseren.»

Die intellectuele en emotionele dimensie heeft internet gemeen met de wereld van beeldende kunst, muziek en poëzie. Geen wonder dat creatieve geesten zowel als arme sloebers zich er mateloos toe voelen aangetrokken; ze reiken boven zichzelf uit zoals ze altijd hebben gedaan, maar nu ook in cyberspace. Volgens de grondlegger van de humanistische psychologie, Abraham Maslow, is het eigen aan de mens dat hij streeft naar zelfverwerkelijking, naar het aftasten van zijn grenzen en het onder ogen zien van zijn sterfelijkheid. «Het is moeilijk voor te stellen hoe het bereiken van zo'n doel kan bijdragen aan een pathologie», schrijft Benschop.

Naarmate de virtuele wereld expandeert en tegelijk dieper in het dagelijks leven binnendringt, zullen ziektebeelden opdoemen waarbij vergeleken hedendaagse verschijnselen als drugsverslaving, anorexia en burn-out zullen verbleken als foto’s in een vergeten album. Maar ook het weigeren van virtuele ontplooiing zal worden gezien als een serieuze ontwikkelingsstoornis. Want degenen die de verlokkingen van cyberspace niet kennen, niet begrijpen of uit angst en puritanisme afwijzen, die hebben ook een probleem.