Nette leugens

‘Duitsland. Zeg eens iets over Duitsland’, eiste een journalist van een paar schrijvers op het boekenbal. Een fantasieloos verzoek, waar hij natuurlijk futloze antwoorden op kon verwachten.

Iemand stamelde iets over het naziverleden van haar grootouders,een ander zei iets over worsten, een derde schrijver riep van de weeromstuit dat we de Duitse literatuur moesten vieren.

Het is dus Boekenweek, het thema is Duitsland, de schrijver van het boekenweekgeschenk is voor het eerst in veertien jaar een vrouw. Ze was de rode loper over gegaan, had plaatsgenomen op een erestoel in de schouwburg en stond bij aanvang van het programma op om haar applaus in ontvangst te nemen. Het was een heel goed applaus, lang en hard en begeleid door woehoe’s. Ik keek naar haar stralende verschijning en wat ik voelde kan ik niet anders omschrijven dan: trots. Het is een gek fenomeen, trots zijn op iemand met wie je welbeschouwd niets te maken hebt, op wier prestaties je in elk geval geen enkele invloed hebt uitgeoefend, maar ik was het toch, en volledig. Zoals ‘onze’ jongens en meisjes een bepaald Nederlanderschap uitdragen op WK’s en Olympische Spelen, zo droeg Esther Gerritsen voor mij een bepaald schrijverschap uit waar ik hoop uit putte. Ja, zo’n boekenbal heeft natuurlijk niks met literatuur te maken verder, en de propaganda van het boek ook niet zo erg veel met het boek, maar voor het eerst stond daar iemand door wie ik me vertegenwoordigd voelde.

Ik probeer het echt, gender zo min mogelijk belangrijk vinden, of in elk geval niet wezenlijker dan al die andere categorieën die ons lezer- of schrijverschap beïnvloeden (ik heb trouwens ook het, wellicht naïeve, idee dat dit iets bijdraagt aan de feministische zaak), maar soms moeten beestjes gewoon bij hun naam worden genoemd. Het is schandelijk dat veertien jaar lang geen enkele vrouw goed genoeg werd geacht voor het boekenweekgeschenk, zodat het beeld van De Schrijver (schuif in gedachten de portretten van Dimitri Verhulst, Tommy Wieringa, Tom Lanoye, Joost Zwagerman, Arthur Japin en Jan Wolkers in transparante lagen over elkaar heen) ongehinderd kon worden bestendigd. Ja, de een wat flamboyanter dan de ander, de een meer macho dan de ander, een Vlaamse tongval hier en daar, maar dat zijn hoogstens accentverschuivingen.

De lezers van Nederland, dat weet iedere schrijver die haar of zijn huur betaalt met optredens door het land, zijn bijna allemaal lezeressen. En die lezeressen zouden het nog bijna gaan geloven ook: dat het beeld van de boekenweekschrijver universaliteit uitstraalt; dat je een (witte) man moet zijn om in aanmerking te komen voor de heilige graal van de CPNB.

Op het boekenbal liet de Lezeres des Vaderlands een spoor van gouden leesbrillen achter

Bijna, maar gelukkig niet helemaal. Sinds enige tijd heeft zich een ware Lezeres des Vaderlands opgeworpen, die op haar blog even genadeloos als humorvol de blinde vlekken van de literaire wereld in kaart brengt. Ze verkoopt haar feminisme niet met haar tieten, kut of polyamorie, maar gewoon, met een goed geslepen leesbril, die ‘past op een breed geschakeerd palet aan neuzen’. Want met de variëteit van schrijvers wordt die van lezers minstens evenzeer en even structureel onderschat.

Iedere week reikt de Lezeres haar ‘Loden Leesbril’ uit aan de boekenbijlage met de minste aandacht voor diversiteit. En op het boekenbal liet ze een spoor van gouden leesbrillen achter, voorzien van kaartjes met wetenswaardigheden. Zoals het feit dat debuterende mannelijke schrijvers nooit worden vergeleken met grote vrouwelijke, maar debuterende vrouwelijke schrijvers voortdurend met grote mannelijke. Of het feit dat in de boekenbijlagen nog altijd, iedere week opnieuw, wordt verwezen naar minstens één van de Grote Drie. Of de, in Nederland, zware ondervertegenwoordiging van niet-witte schrijvers.

Voor een gezond kritisch klimaat is verscheidenheid nodig, of het nu gaat om de vertegenwoordiging van genoeg vrouwen of genoeg niet-witte stemmen. Dat de aanwezigheid van een Lezeres die ons regelmatig aanspreekt op onze vooroordelen geen overbodige luxe is, wordt mij met de dag duidelijker. Zo postte Abdelkader Benali recentelijk op Facebook dat zijn aanstaande boek, Brief aan mijn dochter, dat deels verhaalt over racisme en discriminatie in de Nederlandse samenleving, door een aantal ‘zeer belangrijke mediakanalen’ niet zal worden besproken, omdat het niet aan hun publiek zou zijn besteed – zij willen hun lezers niet opzadelen met een ongemakkelijk gevoel. Zoals de Iraakse schrijver Rodaan Al Galidi bij Hier is… Van Dis! al fijntjes opmerkte over de Nederlandse moraal: ‘De nette leugen werkt heel goed.’

Zo’n nette leugen werd – wellicht onbedoeld, zo gaat dat soms met nette leugens – afgelopen weekend ook verkondigd door boekhandelaar Gerda Aukes, die werd geciteerd in een _Volkskrant-_artikel over het succes van het _DWDD-_boekenpanel. Ze zei alleen heil te zien in enthousiasmerende boekentips en niet in (negatieve) recensies. Het was, volgens haar, een ‘misverstand dat mensen op de mening van de criticus zitten te wachten’. Ze vergat alleen dat mensen meestal helemaal niet weten waarop ze zitten te wachten, en dat dit iets goeds is.