De Europese transferunie

Nettobetalers, netto-ontvangers

Al decennialang denken we dat Italië en Spanje op de Nederlandse pof leven. Maar achteraf bezien heeft de euro voor Nederland ontzettend goed uitgepakt – en een stuk minder goed voor zuidelijke landen. ‘Dit kan leiden tot de val van de muntunie.’

Van Rome via Lissabon naar Madrid en door naar Athene, in al deze hoofdsteden staat de naam Hoekstra sinds enkele weken gelijk aan een scheldwoord. De Nederlandse minister van Financiën wordt de ergste zaken naar het hoofd geslingerd en zelfs trouwe bondgenoot Duitsland uitte ongenoegen over de Nederlandse opstelling. Daarmee treedt Hoekstra in een Hollandse traditie: sinds minister Gerrit Zalm en de invoering van de euro kwamen onze ministers van Financiën telkens in conflict met hun collega’s in het zuiden, of ze nou van de pvda, het cda of de vvd waren. Jeroen Dijsselbloem werd gekielhaald om zijn Schnaps und Frauen-uitspraak, Jan Kees de Jager maakte naam als de botte hork uit Holland en Zalm werd om zijn strenge begrotingsbeleid staatsvijand nummer één in Italië.

‘Is Wopke Hoekstra een lul?’ Presentator Arjen Lubach vraagt zich in zijn tv-programma Zondag met Lubach af of het terecht is dat Zuid-Europa tijdens de coronacrisis massaal over de Nederlandse minister heen valt. ‘Wij in Nederland hebben onze financiën redelijk goed op orde. We hebben flink bezuinigd op dure dingen: zorg, onderwijs, VPRO Boeken. Best wel pittige maatregelen. Italië heeft dat anders gedaan, die kiezen al decennialang voor politici die beloven niet te bezuinigen.’ En dus is de conclusie van de presentator: ‘Sorry dat Wopke Hoekstra een beetje een lul is, maar hij is wel een lul met een punt.’ Want: ‘Ik wil je huis wel blussen, maar ik wil niet je hypotheek overnemen!’

Wees op je hoede wanneer de financiën van een land worden vergeleken met het huishoudboekje of de hypotheek van een normale sterveling, dan volgt een simplificatie die de waarheid geweld aandoet. Het verhaal van Europa is nu eenmaal complexer en genuanceerder dan je in een item van tien minuten kunt overbrengen. Ook Nederlandse politici lopen hier keer op keer tegenaan, vooral de minister van Financiën.

De waarheid is soms pijnlijk, maar iemand moet toch durven zeggen waar het op staat? En als de rest de kop in het zand steekt, dan zijn de Nederlanders de beroerdste niet om wéér de kastanjes uit het vuur te halen. Dat klinkt nobel, maar klopt die boodschap wel? Een tien A4’tjes lange lijst van economen gelooft in elk geval van niet, zo schrijven ze in een open brief in de Financial Times. Enrico Perotti, hoogleraar financiële economie aan de Universiteit van Amsterdam sinds 1994, deelt die mening: ‘De euro is een complexe economische constructie die vaak verkeerd begrepen wordt. Nederland heeft veel om trots op te zijn, maar het feit dat je wel vaart bij de euro, betekent niet dat dit alleen aan jezelf te danken is.’ Slecht begrip van de euro leidt tot een onterechte Nederlands moral superiority, vindt de econoom.

Op de cover van ElsevierWeekblad stond afgelopen maand een cartoon van een hardwerkende Nederlander en een luierende Italiaan of Spanjaard – inclusief snor. De tekst: ‘Geen stuiver extra naar Zuid-Europa’. De provocatie bereikte al snel de desbetreffende landen, wat resulteerde in gevatte parodieën: zonverbrande, corpulente Hollanders aan Spaanse stranden en hardwerkende zuiderlingen die druk bezig waren hen in de watten te leggen. In Zuid-Europa mag de Elsevier-cover dan worden opgevat als een grove belediging, de boodschap staat wel degelijk voor een emotie die in Nederland leeft. Want terwijl Europa over Hoekstra heen viel, ontving de minister daverende steun in het eigen parlement. Het nam met ruime meerderheid een motie aan die schuldendeling in alle toonaarden verbood. I&O Research becijferde dat 61 procent van de Nederlanders tegen het herstelfonds is dat nu op tafel ligt.

In dit Europese debat was Gerrit Zalm jarenlang een vormende stem. Hij is met twaalf jaar Nederlands langst zittende minister van Financiën. Hij trad aan in 1994 en zwaaide pas af in 2007. In deze periode drukte hij zijn stempel op het Nederlandse begrotingsbeleid met de Zalmnorm – de ontkoppeling van overheidsuitgaven van overheidsinkomsten –, maar minder bekend is dat hij ook het Nederlandse debat over de Europese Unie enorm heeft beïnvloed.

‘De erfenis van Zalm verziekt de Europese politiek in Nederland’, zegt Mathieu Segers, hoogleraar eigentijdse Europese geschiedenis aan de universiteit van Maastricht, in de podcast Betrouwbare bronnen. In een telefoongesprek legt hij dit verder uit: ‘Zalm heeft de discussie over de EU gemarginaliseerd tot een begrotingskwestie: een strijd tussen nettobetalers en netto-ontvangers. Er is geen land in Europa waar men politiek zo graag versmald ziet tot bedrijfseconomie als Nederland. Dit beeld werkt al jaren door, zonder noemenswaardig tegengeluid. De hele Europese integratie samengevat als een kasboek.’

Zalm plantte zo het zaadje voor hernieuwde scepsis over de EU. Hernieuwd, want dit sentiment heerste in Nederland niet voor het eerst. ‘Vanaf het prille begin was Nederland sceptisch over Europese samenwerking’, vertelt Segers. Nederland voelde zich niet thuis bij de founding members van de Unie en voelde vanwege het vrijemarktdenken en de verzorgingsstaat meer verwantschap met het Verenigd Koninkrijk en de Scandinavische landen. Premier Willem Drees en minister van Financiën Piet Lieftinck waren lange tijd zelfs voornemens de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal af te wijzen. Uiteindelijk ging Nederland overstag, maar het bleef tot ver in jaren zestig stoorzender in de Unie, tot de Britten en de Denen in 1973 toetraden. Vervolgens sloeg de Hollandse scepsis om in een juichstemming. Deze polonaise vond haar hoogtepunt tijdens de geboorte van de euro bij het Verdrag van Maastricht in 1991, toen Nederland zelfs tevergeefs pleitte voor een Europese federatie, naast de gedeelde munt. ‘De EU is Nederland in het groot’, aldus premier Ruud Lubbers destijds.

‘Gerrit Zalm heeft de discussie over de EU gemarginaliseerd tot een begrotingskwestie’

Deze Europees gezinde wind draaide andermaal in de jaren negentig. De Britten, Zweden en Denen keerden zich op een cruciaal punt af van verdere integratie, met de afwijzing van de euro. Tegelijkertijd luidde vvd-leider Frits Bolkestein de noodklok over de Nederlandse pensioenen; de overgang naar de euro zou leiden tot een verwatering van de Nederlandse pensioenpot. Onder de vleugels van Bolkestein vereenvoudigde vvd’er Zalm het verhaal van de complexe (post-Koude Oorlog-)EU in wording tot een zero-sum game: nettobetalers en -ontvangers.

Een van Zalms eerste correspondenties met de Tweede Kamer als minister was een lijst met de precieze afdrachten van Nederland aan de EU in vergelijking met andere landen, vergezeld van een strategie hoe dit terug te draaien. En zo geschiedde: in zijn biografie De romantische boekhouder beschrijft Zalm met trots de felle onderhandelingen tijdens de EU-top in 1999 en de presentatie van het uiteindelijke resultaat: ‘Ik vraag Kok of ik het bedrag mag onthullen dat we hebben verdiend. Dat gunt hij mij. Ik leg uit dat een besparing van 1,3 miljard gulden de inzet van de Nederlandse regering was en dat iedereen begrijpt dat je daar niet precies op uitkomt: we zijn hoger uitgekomen, 1,35 miljard gulden (…). Ondanks een nacht zonder slaap is de stemming in het regeringsvliegtuig opperbest. Er is nog een fles roze champagne, die we ’s ochtends soldaat maken.’

Nederland had volgens Zalm gewonnen. Dit sentiment is vandaag nog in overvloed aanwezig: de Europese Centrale Bank wordt in Den Haag wekelijks slecht beleid verweten ten koste van Nederlandse pensioenen en de Brexit heeft Nederland teruggeworpen tot grote spelbreker in de Europese integratie; zo blijkt meer dan ooit tijdens de huidige coronacrisis.

‘Ik zou het waarderen als je opschrijft dat ik al 25 jaar belasting betaal in Nederland en in het proces zit om Nederlander te worden’, zegt Enrico Perotti aan het einde van het gesprek op een bankje in het Vondelpark. Een tijdje terug gaf hij een interview aan Het Financieele Dagblad over de weeffouten in de euro, en na afloop ontving hij veel nare reacties over zijn geboorteland. Perotti is een geboren Italiaan, maar werkt en woont alweer 25 jaar in Nederland en deed daarvoor jaren onderzoek aan de Universiteit van Cambridge in Engeland en mit in de Verenigde Staten. ‘Als ik iets ben, dan is het Europeaan’, vertelt hij, ‘maar de wens om definitief Nederlander te worden komt voort uit de noodzaak om niet Italiaans te worden genoemd.’ Zijn twee kinderen zijn al Nederlander. ‘Als ik me uitlaat over de structurele problemen in de eurozone wijst men naar mij en zegt: “Natuurlijk vind jij dit, jij bent Italiaan.” Maar ik bedrijf geen politiek, ik ben academicus en daar wil ik ook op beoordeeld worden.’

In het FD pleitte Perotti voor meer bescheidenheid en zelfreflectie van de noordelijke eurolanden. ‘Het debat in Nederland wordt gevoerd op basis van de fantasie dat als we niets doen voor de zuidelijke landen in zwaar weer, alles in Nederland doorgaat zoals normaal. Maar dat is niet zo’, benadrukt hij met klem. ‘Het eigenbelang is enorm.’

Zalms zwart-witte kijk op de Unie is nog sterk verankerd in het Nederlandse debat en dat resulteert in een incompleet beeld van de Europese samenwerking, vindt hoogleraar Mathieu Segers. ‘Nederland heeft bovenmatig profijt van de interne markt. Het is niet alleen prima aan de kiezers uit te leggen dat die interne markt niet gratis is’, vindt Segers, ‘het is een politieke verantwoordelijkheid in Nederlands belang.’

Op zoek naar verklaringen voor de economische verschillen tussen Noord- en Zuid-Europa valt vaak het woord ‘cultuur’. Op zijn best volgen dan redeneringen à la Max Weber, dat de Hollanders zuinige kapitalisten zijn geworden door hun calvinistische inborst, en op zijn slechtst worden Spanjaarden en Italianen weggezet als een lui volkje. ‘Cultuur betekent niets en alles tegelijkertijd’, vindt Perotti, die veel onderzoek deed naar structurele transities in landen. ‘Culturen veranderen continu en de wereld is te complex om te vatten onder de vergaarbak van cultuur. Zo haal je oorzaak en gevolg door elkaar, terwijl cultuur eerder een uitkomst is van onderliggende structuren.’

De euro heeft ontzettend goed uitgepakt voor de noordelijke landen

Oud-eurogroep-voorzitter Jeroen Dijsselbloem is het daarmee eens, bleek recentelijk bij Buitenhof. ‘Ik heb in het verleden ook wel eens onhandige uitspraken gedaan’, gaf hij toe, ‘maar er zijn legitieme belangentegenstellingen en dat wordt te vaak op cultuur gegooid: wij zijn calvinistisch en zij zijn katholiek, maar er zitten echt grote structuurverschillen tussen die economieën en die zijn veel bepalender.’ Economische structuurverschillen dus, die allemaal in één systeem werden gedrukt toen de euro het licht zag.

‘Nederlandse politici waarschuwen voor een “transferunie” van noord naar zuid, maar negeren dat deze al sinds de invoering van de euro bestaat’, vertelt Perotti. ‘Maar dan van zuid naar noord.’ Het lastige is dat deze transfers veel minder goed zichtbaar zijn; je moet namelijk een vergelijking maken met het hypothetische scenario dat de gulden er nog wél was – probeer daar maar eens een cijfer op te plakken. Toch doet Perotti een poging: hij is bezig een ingewikkeld model in elkaar te zetten dat inzicht moet geven in wat het Nederland zou kosten om uit de euro te stappen. Zijn eerste inschatting is niet mals: ‘De gulden zal aanzienlijk in waarde stijgen ten opzichte van de euro en Nederland komt dan in nog zwaarder weer dan tijdens de Dutch Disease in de jaren zeventig.’ Toen steeg de waarde van de gulden ook significant door de grote vraag naar Nederlands gas, met een aanzienlijk verslechterde concurrentiepositie, ineenstorting van de huizenmarkt en groeiende werkloosheid – van één naar tien procent – tot gevolg.

Het is belangrijk te beseffen dat de EU – voordat de euro één monetaire unie stichtte – bestond uit landen met ieder hun eigen ‘geldsysteem’: de gulden, Deutschmark, lira, enzovoort. Bij de invoering van de euro werden deze systemen op één hoop gegooid voor het eurosysteem. Essentieel hierbij was dat dit nieuwe systeem werd gemodelleerd naar het Duitse evenbeeld – streven naar lage inflatie en staatsschulden – én dat wanneer je sámen deel uitmaakt van één systeem er interacties ontstaan die voorheen niet bestonden. En deze interacties zijn bij aanvang van de muntunie onderschat.

‘Het is alsof je probeert te zwemmen met een blok cement op je rug. Het is misschien net mogelijk om boven water te blijven, maar snel zwemmen, ho maar’, zo beschrijft Alexandre Afonso, universitair docent politieke economie aan de Universiteit Leiden, de situatie van de zuidelijke eurolanden in gesprek met De Correspondent. Zuidelijke landen begonnen al op achterstand toen de euro werd ingevoerd omdat ze minder competitief waren, maar die zwaktes werden extra blootgelegd toen ze ook nog de monetaire knoppen om aan te draaien verloren. Een land als Spanje kon de peseta devalueren om de concurrentiepositie een steun in de rug te geven, en de hogere staatsschuld van Italië was makkelijker te dragen door een wat hogere inflatie.

De euro werd destijds als een groot Duits offer gezien, het afscheid van de sterke Deutschmark. Het was de prijs die betaald moest worden om de Duitse hereniging mogelijk te maken en de ‘mindere economische goden’ te convergeren naar Duits niveau. Maar achteraf bezien heeft de euro ontzettend goed uitgepakt voor de noordelijke landen en een stuk minder voor het zuiden. Wanneer je als land dankzij je sterke concurrentiepositie veel exporteert – lees: Duitsland en Nederland – leidt dit onoverkomelijk tot een waardestijging van je munt; men heeft immers guldens nodig om in Nederland producten te kopen. Landen die minder exporteerden – zuidelijke landen – hadden een goedkopere munt omdat de vraag hiernaar simpelweg lager was. Maar toen de euro bij aanvang de gemiddelde waarde kreeg van al deze munten samen had Nederland ineens een relatief goedkope munt – wat de sterke concurrentiepositie nog een steun in de rug gaf – en kreeg Italië een relatief dure munt, wat het concurrentievermogen van Italiaanse ondernemers verder ondergroef; een essentiële verklaring voor het gegeven dat de Italiaanse economie al jaren amper groeit. (Sinds de start van de euro groeide het verschil in binnenlands product per persoon in Italië en Duitsland van twintig naar veertig procent.)

Aan de vooravond van de euro was Gerrit Zalm een van de weinige politici die zich openlijk zorgen maakte over deze melting pot van verschillende economieën: hij vond dat Italië nog niet klaar was voor de euro – een hele trits aan hervormingen was eerst nog nodig. Grove begrotingstekorten in Spanje en Italië zouden leiden tot hoge inflatie en rente, en daarom tot een verslechterende concurrentiepositie voor Nederland. Maar in de praktijk gebeurde het tegenovergestelde: de competitiviteit van Nederland en Duitsland kregen dankzij een goedkope euro juist een duw in de rug.

Het woord ‘solidariteit’ vindt Perotti daarom ook niet op zijn plek. Als er een continue stroom ‘onzichtbare transfers’ de ene kant op gaat, is het legitiem dat andersom wat terugstroomt. Dat is geen liefdadigheid, maar wederkerigheid. Als Zalm en de zijnen het hebben over nettobetalers en netto-ontvangers doemt er een beeld op van landen die hun hand ophouden én landen die altijd maar weer de portemonnee moeten trekken. Maar dan vergeet je te melden dat de interne markt de Nederlander gemiddeld 4891 euro per jaar oplevert en een Spanjaard en Italiaan respectievelijk slechts 1382 en 1350 euro, zoals de Volkskrant optekende uit de mond van Gert-Jan Koopman, directeur-generaal voor de EU-begroting van de Europese Commissie. Nederland, een exporterend land met een kleine eigen markt, is simpelweg een van de grootste profiteurs van de ondergewaardeerde euro én de interne markt.

Natuurlijk heeft Hoekstra gelijk als hij zegt dat instituties – rechtssysteem en belastingdienst, maar ook vakbonden, pensioenleeftijd en corruptie – in een aantal zuidelijke landen aangepakt moeten worden, zo onderschrijft ook Perotti volmondig. En daarom is het begrijpelijk dat Nederland hervormingen wil in ruil voor steun. Maar je moet niet verbaasd opkijken als landen er, na lastige hervormingen die decennialang niet gelukt zijn – zo probeert Duitsland ook al jaren hervormingen door te voeren in het oosten van het land, met twijfelachtig succes –, ook niet in slagen hervormingen door te voeren in een eurosysteem dat je concurrentiepositie nog verder ondergraaft en dat dwingt tot strenge bezuinigingen en extra leningen. Zo concludeerde ook een onafhankelijke commissie die in opdracht van de EU het Griekse ‘hulpprogramma’ onder de loep had genomen afgelopen maand. Het programma was te veel gericht op bezuinigingen op de korte termijn, met ernstige sociale gevolgen. Een zin in het rapport vat het probleem pijnlijk samen: ‘Er was onvoldoende aandacht voor de sociale behoeften van het Griekse volk.’

Het is 9 mei, de dag van Europa, precies zeventig jaar na de rede van de Franse minister van Buitenlandse Zaken Robert Schuman, waarin hij pleitte voor een Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal. In een zeldzaam eensgezind en tevens ongemakkelijk filmpje richtten de 27 staatshoofden zich een voor een tot ons met hun boodschap wat Europa voor hen betekent. Zo ook premier Mark Rutte. Zonder das staat hij voor een groot schilderij met dikke gouden lijst dat half in beeld past, de benen van – waarschijnlijk – Willem van Oranje zijn nog nét zichtbaar. De premier vat zijn visie op Europa samen in twee woorden, ‘banen en veiligheid’, en voegt er nog wel aan toe dat voor de basis van die samenwerking ‘sterke lidstaten nodig zijn’.

Voor deze sterke Unie met sterke lidstaten is het belangrijk de boekhoudersbril af te zetten en lessen te trekken uit de Griekse crisis. Maar Perotti ziet Nederland nu weer dezelfde fout maken en is bezorgd over het politieke kapitaal dat de afgelopen weken is verwoest. ‘Men is getraumatiseerd’, zegt hij, ‘ze zijn echt fucking scared… Italiaanse vrienden – allen hoofdzakelijk hoogopgeleid en in een relatief goede situatie – zijn woedend op Nederland. Rusland en China vlogen vliegtuigen in met dokters en als eerste reactie sloten EU-lidstaten de grens voor de export van medische apparatuur. Dit is het moment waarop je ziet wie er aan je kant staat en wie niet. Als we de tekortkomingen van de euro niet onder ogen zien, kan dit leiden tot de val van de muntunie; dat is desastreus voor de Nederlandse economie.’