Film

Netwerken op het Neude

Film: Theo van Gogh op het Nederlands Film Festival

Het Filmfestival in Utrecht is voor film- en televisiemakers een netwerk in optima forma, Nederlandse grandeur in een partytent op het Neude. Iedereen is er – schrijvers, regisseurs, documentaire makers, omroepbonzen, distributeurs, programmeurs, fans, horzels, windbuilen, klaplopers, iedereen. Iedereen is aardig voor elkaar. Iedereen liegt lief dat-ie de film van de ander net gezien heeft. Iedereen zegt dat-ie heel druk is met het volgende project, «alleen de financiering is nog een beetje een struikelblok…» Iedereen prijst om het hardst Eddy Terstalls Simon, iedereen roemt hoofdrolspeler Cees Geel en iedereen heeft eendrachtig de schurft aan Theo van Gogh. Zelfs de meest milde producent en de meest bereisde journalist schudt bij het horen van zijn naam het hoofd en zegt: «Die heeft hier afgedaan…» Iedereen is gekwetst, gepikeerd, teleurgesteld, of alledrie. Van Gogh maakt het er zelfs naar, zegt men: die dappere koksmaats van de vaderlandse filmwereld houden hun soep met kunst en vliegwerk aan de kook, men sleept zelfs op het nippertje twintig miljoen steun in de wacht, en daar komt die Wassenaarse chloorwolk langs en fluimt in de terrine. Zijn het soms de genen van zijn over-oudoom?

Het Festival vertoont onder tussen wel werk van Van Gogh, want, paria of niet, zijn productie is aanzienlijk. In première gingen twee delen van de zesdelige Avro-serie Medea; ook werd de film Cool vertoond, en dat was interessant, want daar is iets mee. De pro grammeurs van de zalen van Pathé (marktaandeel ongeveer 25 procent) hebben de film geweigerd op grond van «gebrek aan com mer cieel perspectief». Dat is curieus, omdat de film hetzelfde publiek wil aanspreken dat eerder in groten getale naar Shouf Shouf Habibi kwam. Bij een vertoning in Utrecht voor een zaal vol leden van de doelgroep leek de film bij hen in elk geval allerlei gevoelige snaren te raken. De weigering van Pathé lijkt niet zozeer ingegeven door koudwatervrees – al die Marokkaantjes in de zaal kunnen ze wel aan – als wel door kinnesinne en gekwetste trots. En dat is zorgelijk.

Toegegeven, technisch is Cool een echte lowbudgetfilm, met matig geluid, bleke artdirection, en een cast van amateurs die niet allemaal even sterk uit de verf komen. Het is een kleinschalig gangsterdrama, naar een scenario van Theodor Holman en Gijs van de Westelaken, over een groepje criminele jongens die zich door de wiseguy «Prof» (Johnny de Mol) laten strikken voor een serieuze bankoverval. Ze worden verraden; «Prof» schakelt zo en passant een rivaal in de liefde voor gangstermeisje Mabel (Katja Schuurman) uit. De jongens belanden en bloc in het heropvoedingsgesticht Glen Mills.

Dat instituut betaalde mee, en dus wordt het regime door Van Gogh gepresenteerd als een ultimum remedium, confronterend, bars en hard, maar fair en resultaatgericht. De jongens hebben er wat aan. Ze uiten hun gevoelens, in halfwat rap, maar toch. Er gloort iets. Eenmaal buiten blijkt de boze wereld echter gewoon door te draaien, criminaliteit ligt op de loer, hartstocht borrelt, een drama blijft niet uit.

Cool afdoen als een bedrijfsfilm van gebrekkige kwaliteit en weinig commerciële vooruitzichten doet de film ernstig te kort. Van Gogh is geen Ken Loach en Cool is geen Mean Streets, maar wel een relevant en direct portret van een deel van Nederland dat zelden te zien is buiten de misdaadsectie van het Journaal en De Telegraaf. Hier wordt een vorm van realisme aangereikt waar de doelgroep wel eens iets aan zou kunnen hebben. Alleen al om die reden zou Pathé haar trots moeten slikken, en haar burgerplicht moeten doen.

Medea is bij de Avro te zien vanaf 7 januari. Van Goghs film over Pim Fortuyn, 06/05, gaat op 15 december in première op internet