Netwerktijger eerste klas

Wat moeten we nog met de negentiende-eeuwse openbare figuur Jacob van Lennep? Op z’n minst verbazen we ons over zijn enorme hoeveelheid schrijfwerk.

Small rp f 00 684
Jacob van Lennep, gefotografeerd door Maurits Verveer tussen 1857-1868 © Collectie Rijksmuseum

Freud was uiterst kritisch over biografieën, hij beschouwde ze als het slechtste soort fictie dat je je maar kunt indenken. Al die (on)belangwekkende verhalen die onze ware verlangens proberen te verhullen. We lijden al genoeg aan onze ‘echte’ biografie. Ook al omdat we onze eigen verhalen erover zijn gaan geloven en er niet over peinzen ze in te ruilen voor wat we jaren geleden, en dat ging niet zonder slag of stoot, wisten te sublimeren of te verdoezelen. Stefan Zweig, die er al heel wat biografieën op had zitten, schreef Freud in 1936 een verzoek of hij diens biografie mocht schrijven. Hij kreeg een pissig briefje terug over de verschrikkingen ervan: ‘Biografische waarheid is er niet en als ze er was, was ze niet bruikbaar, de mensheid verdient ze niet.’

Leuk is natuurlijk dat Freud zich zelf af en toe bezighield met het leven van beroemdheden. Hij schreef uitvoerig over een jeugdherinnering van Goethe. Op een dag gooide de vierjarige Goethe al het glaswerk en servies op straat kapot. Waarom? Goethe zelf wist het niet, maar Freud bracht het in verband met de geboorte van een broertje, jaloersheid speelde op. Misschien was dat zelfs de drijfveer van het hele Goethe-oeuvre. Ja, wie weet.

Hij erkende de ‘letterdieverij’. Als het maar mooi was en spannend, wat maakte het dan uit of het ‘origineel’ was?

Zo’n mooie herinnering uit de jeugd van Jacob van Lennep (1802-1868) brengt Marita Mathijsen in haar overtuigende en vermakelijke biografie over deze veelschrijver jammer genoeg niet te berde. Waarom ging die merkwaardige Jacob van Lennep, Ko voor zijn ouders en vrienden, later zo reusachtig veel gedichten, romans, historische werken schrijven? Je kunt die veelheid ervan toch niet anders zien dan als een vreemde ziekte die zich vanaf zijn vroegste jeugd van hem meester maakte. Wat gebeurde er ooit? Welke vernedering onderging hij? Welk trauma? Er moet toch iets geweest zijn dat verklaart waarom hij zo krankzinnig véél ging schrijven? Al op zijn vijfde jaar, vertelt Mathijsen, schreef hij een verjaardagsgedichtje voor een tante, ongetwijfeld met enige hulp van zijn ouders. Ligt hier het begin? Was het een mooie tante, waar hij regelmatig bij op schoot zat en al vertwijfelde erotische gevoelens voor ontwikkelde? Ik zeg maar even wat, zulke dingen bedenk ik dus. Dat gedichtje ging zo: ‘Lieve Tante Ik hoop dat gij/ vergenoegd, gezond en blij/ u verjaardag nu zult vieren/ en u hoed met bloemen cieren/ ik ben uwen neef en vrind/ die u hartelijk bemind.’ Het moet ’m in die versierde hoed zitten. Hij sublimeerde zijn erotische gevoelens in die hoed en misschien kreeg de jonge Jacob zoveel complimenten over dit versje dat hij later het schrijven van gedichten altijd onbewust in verband bracht met zijn erotische gevoelens voor de hoed van zijn tante. En dus enorm veel gedichten ging schrijven, om complimenten over zijn erotische gevoelens te krijgen. Klinkt goed, al zeg ik het zelf.

Hoe dan ook, Mathijsen blijft zich haar hele biografie verbazen over de enorme veelheid van Van Lenneps schrijfwerk. Ze maakt ergens de berekening dat hij zeker driehonderdduizend woorden per jaar moet hebben geschreven. Ieder jaar ruim negenhonderd pagina’s. Ieder jaar! Dan krijg je dus 66 keer negenhonderd is bijna 59.400 pagina’s drukwerk. Dat zijn 198 boeken van driehonderd pagina’s. Vooral in zijn latere periode schreef hij reusachtig veel, stelt ze: ‘Vele kilo’s drukwerk verschenen er van zijn hand.’ Alle soorten literatuur, alles wat toen gebruikelijk was: gedichten, historische verzen, geschiedenisboeken, reisboeken, vertalingen, rapporten, documentaties, historische overzichten, rijmelarijen, satires, toneelwerk, brieven, gedenkschriften, biografieën. Over de kwaliteit van dit vele werk is Mathijsen voorzichtig. Ze schrijft met enige schroom en vast en zeker zonder opschepperij, dat ze het allemaal heeft ingezien, het meeste ervan zelfs heeft gelezen (je moet er niet aan denken), maar over de kwaliteit houdt ze zich op de vlakte. Ze brengt Van Lenneps werk overtuigend in verband met de Europese literaire rages. Walter Scott en Lord Byron waren ook voor Van Lennep de grote voorgangers, hij schreef onbekommerd hele stukken uit hun werk over, aangepast aan de Nederlandse situatie. In een voorwoord bij een latere verzameling van dit soort werk erkent hij de ‘letterdieverij’ ruiterlijk. Als het maar mooi was en spannend, wat maakte het dan uit of het ‘origineel’ was? Af en toe had hij destructieve neigingen, wat me sterk voor hem innam. Hij gaf bijvoorbeeld op latere leeftijd een parodie uit op de vaderlandse geschiedenis, wat hem op oeverloze kritiek kwam te staan, men schreeuwde moord en brand. Hoe durfde hij de Prins van Oranje, die grote held, te ridiculiseren?

Soms wordt het Mathijsen wel wat te veel, dan schrijft ze bij de bespreking van een of ander wijdlopig vers enigszins zuchtend: ‘En zo gaat het door zeven coupletten lang.’ Ze laat zien dat ‘de’ Europese romantiek in Van Lenneps literatuur goed zichtbaar was. Ze is het niet eens met andere beschouwers over deze periode dat het hier allemaal weinig voorstelde. Maar echt flitsend werd het hier allemaal niet, voelde ik mezelf stiekem denken. Ook niet toen Van Lennep onder meer onder invloed van Victor Hugo meer realistische schrijfwegen insloeg. Ik heb de afgelopen weken geprobeerd zijn min of meer realistische roman De lotgevallen van Klaasje Zevenster (het verscheen in losse delen tussen 1856-1862) in zijn geheel te lezen, het is te vinden op de onvolprezen Digitale bibliotheek voor Nederlandse letteren (dbnl). Het lukte weer niet, ook vroeger toen ik Nederlands studeerde, lukte het niet. Te langdradig, te oubollig, te veel onwaarschijnlijkheden. Te veel, te weinig, te van alles. Het is nu niet meer goed mogelijk hier schrijfverwantschap mee te voelen. Een scène in een Haags bordeel, ik zocht hem speciaal op, veroorzaakte destijds een grote rel. Hoe durfde hij hierover te schrijven! Er staan mooie gedetailleerde beschrijvingen in van een dergelijk ‘huis’ en een fraaie scène met een kapper die de meisjes azijn verkoopt, dat toen als voorbehoedmiddel werd gebruikt. Van Lennep was blijkbaar goed op de hoogte.

Wat moet je nog met Jacob van Lennep? Mathijsen doet gelukkig geen pogingen hem ‘eigentijds’ te maken. Ze houdt hem op verwonderde afstand, ze laat hem in al zijn eigenaardigheden zien, haar hoofdtoon is daarbij die van de verwondering. Hij speelde een grote rol in het openbare leven, hij was lid van de Tweede Kamer, zat in eindeloos veel commissies en genootschappen. Hij was, zoals al zijn klassegenoten, een netwerktijger eerste klas. Mathijsen kijkt ernaar zonder met de vinger te wijzen: zo deed men dat dus. En nu nog steeds uiteraard. ‘Raar’ vindt ze hem soms wel, of ‘merkwaardig’ of zonder meer ‘bizar’. Haar verbaasde blik doortrekt de hele biografie en maakt deze zeer de moeite waard. De hoed van die tante ben ik verder niet meer tegengekomen.