…neurien…

Er is nauwelijks een plat land met mooier dakjes dan het Japanse platteland. Enkele en dubbele, bazig overhangend of bedeesd het gezelschap zoekend van tot wolkjes geknipte cipressen en grijsgroene ceders. Dakjesland, Japan is het land van afdakjes en opdakjes.

Bruine dakpannen en grijze, maar ook blauwe, glanzend geglazuurd. Nergens een dak te weinig maar hier en daar wel een extra dakje dat is voorgedrongen en zich niet op zijn kop laat zitten. En als een pad op de rug van een ander dakje is gaan zitten. Dan weer bamboe, hoog oprijzend en beleefd groetend in het voorbijgaan. Soms een goed op slot zittend bos, een dicht begroeide geheime heuvel.
En onder de dakjes zitten de Japanse boeren en eten hun boerenbroccoli. Ze doen eerst een kopje van zonnebloem- of maisolie in de pan en daarin gaan zeven ongeschilde tenen knoflook (boeren schillen niet) en een grof gesneden en geschild (soms schillen ze weer wel) stuk gemberwortel. Een Japans boerenliedje over de lentedans van de kraanvogel neurien en al roerend met de houten lepel laten smelten. Struik gesneden broccoli erbij en na tien minuten tweehonderd gram van de beste boers gemarineerde kip erbij.
Voor die marinade zult u de deur uit moeten, hij bestaat grof gezegd uit sake, Japanse soja en Japanse sesamolie (goma abura) en een paar druppels tabasco. Geen zout, die taak wordt door de soja waargenomen. Een scharrelfilet van tweehonderd gram klein snijden, in kom doen en sake erbij tot de kip net verdronken is, omroeren en drie eetlepels soja erdoor roeren. Daarna veel sesamolie en minder tabasco. Op z'n minst een uur laten staan, waaruit volgt dat langer ook niet slecht is. Witte Chinese mie koken (kort!) en erdoor mengen. Op het allerlaatste moment vijfentwintig gram uigroen erover strooien. Aan de hand van boerenstokjes opeten.