Negen jaar geleden, op 26 november 2014, werd Nederlandse televisiegeschiedenis geschreven. 1,2 miljoen kijkers waren getuige van de operatie van de toen 66-jarige Peter Bastemeijer. De man leed aan de ziekte van Parkinson. Wat begon met een trillende linkerwijsvinger zou zonder behandeling uitmonden in een steeds stijver, trager en afhankelijker bestaan. Maar een oplossing bleek voor handen in de vorm van een diepe hersenstimulatie-operatie. Het leverde bloedstollende televisie op.

Terwijl de neurochirurg twee gaten in de voorkant in zijn schedel boorde en daar doorheen twee elektroden tien centimeter diep zijn natte, kronkelige hersenstructuur in liet zakken, keek Bastemeijer rustig om zich heen. Hij was verdoofd maar wel wakker. Er werd tegen hem gepraat. Of hij zijn vuist kon ballen, met zijn ogen kon knipperen. Check. Check. En toen, zodra de neurostimulators hun eerste impulsen afgaven, dat magische moment, als een schakelaar die omklapt. Geen getril meer. Absolute rust.

Wat zou het zeggen over degene die ooit het krankzinnige idee had: mensen opereren in hun hersenen terwijl ze bij hun volle verstand zijn? Vergt het stalen zenuwen, of neigt het naar thrill seeking? Is het beroepsgedeformeerde afstandelijkheid, het lichaam op de operatietafel loskoppelen van de persoon, of juist de grootst mogelijke vorm van devotie aan de patiënt? Van dat alles een beetje, zegt de derde Wintergast van dit seizoen, de wereldberoemde Britse neurochirurg Henry Marsh, die de methode zo’n dertig jaar geleden verzon. Femke van der Laan sprak de 73-jarige arts in zijn woning in Wimbledon. Marsh schreef meerdere boeken over zijn werk en was vanaf 1992 betrokken bij het verbeteren van de gezondheidszorg in post-sovjet Oekraïne. Meerdere keren per jaar vloog hij met een tas vol oud operatiemateriaal naar Oost-Europa om daar samen met zijn Oekraïense collega patiënten te helpen. De laatste keer was in oktober van afgelopen jaar.

De beste samenvatting van de aflevering ontstaat wanneer je het eerste en laatste fragment dat Marsh meebracht naast elkaar legt. De avond begon met ‘gereedschapsporno’, Marsh’ haast obsessieve liefde voor het werken met en kijken naar gereedschap in het algemeen en Japanse messen in het bijzonder. Van kleins af aan zat het klussen hem in de vingers en sinds hij zo’n zeven jaar geleden met pensioen ging, doet hij niet anders. Al jaren werkt hij aan een poppenhuis voor zijn kleindochter. Zijn praktische, resultaatgerichte inborst maken hem een chirurg uit de schoolboeken.

© VPRO

De avond eindigt met een uitvoering van Bachs Erbarme dich uit de Matthäus Passion. Marsh, grootgebracht door twee katholieke ouders, is zelf niet religieus. Het is lastig om als neurochirurg te geloven, zegt hij, als je zoveel mensen, vooral kinderen, ziet lijden. ‘Hoe kan een liefdevolle god dat laten gebeuren?’ Marsh ontwikkelde gedurende al die decennia een ander geloof, dat van ‘wij zijn ons brein’ en vrije wil als een illusie. Vanuit zijn positivistische overtuigingen kan een hiernamaals niet bestaan. Nee, het is de boodschap van vergiffenis in Erbarme dich die hem ontroert. Of hij makkelijk vergeeft, vraagt Van der Laan. O ja, hij koestert weinig wrok. Maar het omgekeerde, sorry zeggen tegen patiënten, is ‘incredibly difficult.’

'Nu ik geen mensen meer opereer voel ik me een completer persoon'

De kijker leerde in anderhalf uur wat zich daartussen heeft afgespeeld; hoe de jonge, praktische Marsh, op zoek naar opwinding en aanzien, veranderde in de gepensioneerde neurochirurg die opluchting voelt nu hij nooit meer hoeft te opereren. Femke van der Laan schitterde in haar bescheiden maar allesbepalende bijrol, haar vragen kort maar scherp. Hoe makkelijk – of verleidelijk – was het geweest om anderhalf uur te vullen met anekdotes over spectaculaire operaties en onvoorstelbaar patiëntenleed. Marsh’ boeken staan er bol van. Maar Van der Laan koos voor de elegante weg: een kijkje in het hoofd van iemand die beslist over leven en dood en dagelijks moet leven met de consequenties van zijn medische afwegingen. De patiënten bij wie het misging, vertelt Marsh, zoeken hem nog iedere dag op in zijn gedachten. Hij draagt een begraafplaats mee in zijn hoofd. Hoeveel beter hij door de jaren ook werd in zijn werk, die begraafplaats bleef altijd groeien. Van alles wat hij meemaakte, blijven de fouten hem het meest bij. ‘Daarom voel ik opluchting nu dat het niet meer hoeft.’

Marsh, zoon van een aan Oxford University docerende jurist, kon zijn draai niet vinden tijdens zijn studie philosophy, politics and economics aan dezelfde universiteit. Hij was rusteloos, noemde zichzelf een ‘verlegen, bevoorrechte, poëzie schrijvende boekenwurm’ die te laf was om zijn eigen pad te kiezen. Marsh wilde écht lijden zien, voorbij zijn eigen ‘behaaglijke bourgeois-lijden’. Via een bijbaantje als operatieassistent in het ziekenhuis ontdekte hij de neurochirurgie. Zijn voorliefde voor gereedschap, gecombineerd met de galzwarte ziekenhuishumor die jonge dokters onderling bezigen als beschermlaag voor de ziel, maakten dat hij zijn operaties beschouwde als hoe moeilijker, hoe beter.

Marsh vergelijkt zijn jongere zelf met de Amerikaan Alex Honnold, die ongezekerd de steilste rotswanden ter wereld beklimt en noemt neurochirurgen ‘laffe bergbeklimmers’. Marsh geeft het ruiterlijk toe: wat hem naar de neurochirurgie trok, was de behoefte om zichzelf bang te maken en op te winden, op een gecontroleerde manier. Is het egocentrisme? vraagt Van der Laan. Nee, zegt Marsh, want er is één groot verschil met de bergbeklimmer: ‘Als ik opereer, draait het niet om mij, maar om de patiënten. Als het me niet had uitgemaakt hoe het met hen afliep, was de spanning er ook niet geweest.’

© VPRO

Met de jaren maakte de ijdele, narcistische trots na een geslaagde operatie plaats voor bescheiden opluchting. ‘Want ik dacht aan al die patiënten bij wie het was misgegaan.’ De neurochirurgie bleek niet moeilijker dan andere vakgebieden, ontdekte hij, maar vooral gevaarlijker. Het belangrijkste dat hij in al die jaren leerde, is weten wanneer je níet moet opereren. Marsh raakte ervan overtuigd dat het beter kan zijn een patiënt onbehandeld te laten overlijden dan het risico te lopen iemand voor zijn of haar leven te verminken. ‘Ik ben niet beter geworden in het voorspellen van de toekomst’, zegt hij daarover in zijn eerste boek, Do No Harm: Stories of Life, Death and Brain Surgery, ‘maar ik ben minder bang geworden voor hoe anderen mijn keuze beoordelen.’

Voor iemand die zijn huwelijk na 27 jaar opzij zette voor zijn werk is het een opvallende uitspraak, maar Marsh is al aan het begin van de avond stellig: ‘Nu ik geen mensen meer opereer, voel ik me een completer persoon.’ Die koele afstandelijkheid die je als arts ontwikkelt zodra je patiënt op de snijtafel ligt, die is er niet voor niets, zegt hij. Je moet wel, anders kun je je werk niet doen. Maar die constante cognitieve dissonantie, de kalmte en concentratie in de operatiekamer die gepaard gaan met ziekmakende plankenkoorts vooraf, maakten van hem een ‘gespleten chirurg’.

De laatste Wintergasten-aflevering biedt reflectiemateriaal voor de geneeskundestudent of de jonge arts, voor iedereen die tijdens de medische opleiding wordt bedolven onder lessen over empathie tonen, het voeren van slechtnieuwsgesprekken en het aannemen van een professionele houding naar de patiënt. ‘Voor een bange patiënt is er niets erger dan een bange dokter’, zegt Marsh. ‘Sommigen gaan er zelf in geloven dat ze zo onfeilbaar zijn als de patiënt wil geloven. Maar dat zijn ze niet. Het zijn mensen, en alle mensen maken fouten.’ Het gesprek tussen Marsh en Van der Laan is een wijze les voor de feilbare (toekomstige) arts.