Neurotische rituelen

DAT HET IN Roemenië niet leuk is, behoeft geen betoog. Hongaren en Roemenen, Turken en joden, Moldaviërs en zigeuners maken er elkaar al eeuwen het leven zuur. In ongeëvenaarde megalomanie heeft het echtpaar Ceausescu de steden in een troosteloze rimboe van rottend beton veranderd, nergens in Europa zijn zoveel mensen ziek, hongerig en boos.

Als we Ovidius mogen geloven, die er tweeduizend jaar geleden kwam wonen, was het land ook toen al iets verschrikkelijks. Aan lager wal geraakte Grieken werden er voortdurend lastig gevallen door barbaarse horden van Geten en Sarmaten: ‘En onder hen geen mens die niet zijn boog en koker/ Met pijlen, geel van addergif, hanteert./ Stem bars, de tronie stuurs, als ware oorlogsgoden,/ Woest haar, een baard die nooit geschoren wordt,/ De rechterhand paraat om met het mes te stoten/ Dat iedere barbaar heeft aangegord.’ Daar komt bij dat dit tuig niet alleen levensgevaarlijk, maar ook slecht gekleed en langharig was: 'Als je ze al niet vreest, dan walg je van hun lichaam,/ Gehuld in lang haar en een dierenvacht.’ Lekker weer was het er ook niet: 'Klimaat, lucht, water, aarde zijn hier niet te harden.’ Vooral de winters waren hels: 'De open wijn staat stijf en houdt de vorm der kruiken,/ Geen teugen, maar brokstukken drinken zij.’ Maar mogen we Ovidius wel geloven? Het was immers niet uit vrije wil dat hij het comfortabele Rome voor Tomi verruilde. Het fijne weten we er niet van, maar uit wat Ovidius zelf zegt kunnen we opmaken dat zijn frivole Ars Amatoria de grote dictator Augustus in het verkeerde keelgat was geschoten en dat de dichter per ongeluk iets had gezien wat het daglicht niet kon verdragen. Augustus, die een heimelijke hartstocht voor minderjarige maagden combineerde met een bijna Amerikaanse hang naar godsvrucht en fatsoen, verbande de toen ongeveer vijftigjarige Ovidius naar de periferie van het Romeinse Rijk. OVIDIUS is het prototype van de olijke schrijver die in quasi-intellectuele talkshows steeds hetzelfde kunstje vertoont. Afkomstig uit de betere kringen ontdekte hij al vroeg zijn talent om de meest banale gedachten zo virtuoos te formuleren dat het wel poëzie leek. Daarom besloot hij een politieke carrière op te geven ten einde zich aan het schrijven te kunnen wijden. In hoog tempo publiceerde hij de ene lijvige bundel na de andere, allemaal even knap en gelikt, allemaal even hol en ironisch. Ovidius is een clown die de galmende leegte van zijn ziel wanhopig probeert te overstemmen met te vaak herhaalde grappen. Alleen een man zonder karakter komt op het idee een vijftiendelige reeks verhalenbundels te schrijven met als thema dat alles altijd verandert. Louter vorm is Ovidius, loze vorm zonder spoor van een vent. Het feit dat hij, welk genre hij ook aanpakt, iedere vondst net zo lang blijft uitmelken tot zelfs de meest welwillende lezer er onpasselijk van wordt, maakt hem tot de Voskuil van de Latijnse literatuur. Toen Ovidius naar Tomi was vertrokken, bleek al spoedig dat zijn dichterschap alleen had kunnen bloeien binnen de veilige structuur van het Romeinse literaire wereldje. Op zichzelf teruggeworpen verschrompelde hij tot een klagerig mannetje dat het niet beneden zijn waardigheid achtte diep voor zijn vorst in het stof te buigen. Negen bundels gedichten schreef Ovidius in ballingschap, waarin hij al zijn welsprekendheid inzette om de machthebbers stroop om de mond te smeren, maar Augustus en diens opvolger Tiberius gaven geen krimp. Hier laat Ovidius zijn eigen boeken aan het woord: 'Misschien toont Caesar zich voor ons én hem ooit milder/ Als hij zich overreden laat, tot slot./ Goden! - maar nee, ik moet geen pantheon aanbidden:/ Caesar! verhoor mijn wens, o grootste god!’ Bevat de bundel Tristia interessante poëzie? Jazeker, maar dan als pathologisch geval. In deze ballingschapsgedichten vertoont Ovidius de bij psychiatrische patiënten veel voorkomende neiging zich aan neurotische rituelen vast te klampen. Keer op keer draait de dichter zijn repertoire mythische mantra’s af, waarbij hij zichzelf als een gymnasiaal geschoolde Keefman tegenspreekt. Een mooi voorbeeld is Ovidius’ behandeling van de figuur Odysseus. Ligt het al erg voor de hand uithuizigheid met deze homerische held te associëren, Ovidius meent kennelijk dat we aan één hint niet genoeg hebben, want hij blijft er maar over doorzaniken. Daarbij zet hij - je moet maar durven - stelselmatig op een rijtje waarom hijzelf er vele malen erger aan toe is dan Odysseus: de afstanden die Ovidius heeft afgelegd zijn groter, Rome is veel mooier dan Ithaka, Odysseus was sterk, Ovidius niet, en Poseidon is een minder geducht tegenstander dan de oppergod, in wie we wederom de keizer mogen herkennen. En dit is de uitsmijter: 'En dan was zijn gezwoeg nog grotendeels verzonnen,/ Maar mijn verdriet, daar is geen fictie bij.’ De zieke dichter lijkt niet in de gaten te hebben dat hij, door toe te geven dat Odysseus maar een romanpersonage is, het gehele voorafgaande betoog onderuithaalt. In Rome had Ovidius zich decennia lang aangewend onder alle omstandigheden een ironisch glimlachje op zijn gezicht te houden, zodat zijn verkrampte kaken ook in de grootste ellende nog in de grijnsstand bleven staan. De vaak nogal inhoudsloze taalgrapjes uit zijn Romeinse periode zouden we met enige goede wil kunnen interpreteren als decadente maskering van ennui; het feit dat hij ook in Tomi nog de leukste wilde zijn, is echt zielig. Dit soort formuleringen komen we op iedere bladzijde tegen: 'Mijn vrouw lijkt hier te zijn, ik staar naar haar gedaante;/ Zij maakt mijn lijden zwaar, zij maakt het licht:/ Zwaar, want ze is er niet; licht, want ze blijft mij schragen/ En draagt haar last in rustig evenwicht.’ Dat de man niet inzag dat hij door dit soort spitsvondigheden zijn eigen positie ondergroef! Augustus, die persoonlijk bevriend was geweest met de veel belangrijker dichters Horatius en Vergilius, moet gedacht hebben: laat Ovidius eerst maar eens een serieus gedicht schrijven. Toen Ovidius ook als balling op de vertrouwde wijze bleef doorkakelen, moet Augustus het hebben opgegeven. Tegen zoveel slechte smaak kon hij niet op. EEN CLASSICUS heeft het bij de lectuur van deze gedichten gemakkelijker dan wie ze in vertaling moet leren kennen. Zelfs de meest geoefende latinist leest Romeinse poëzie in een aanmerkelijk lager tempo dan wanneer hij Engels, Frans of Nederlands zou lezen, zodat Ovidius’ herhalingen minder opvallen. Ook word je als latinist eerder met de vorm dan met de inhoud geconfronteerd, zodat je je gewilliger laat inpakken. Wie de - overigens uitermate welluidende - vertalingen van Wiebe Hogendoorn achter elkaar doorneemt, moet wel schrikken van de schaamteloze wijze waarop Ovidius iedere keer hetzelfde liedje zingt. De strakke vorm die Hogendoorn zichzelf heeft opgelegd, is een passend voertuig voor Ovidius’ emotioneel bedoelde holle frasen. Afgezien van enkele storende stijlbreuken heeft de vertaler de toon goed getroffen. Maar of veel lezers het boek zullen uitlezen, is zeer de vraag.