Neusgewicht

Je leest zelden een boek waarin geknutseld wordt. Handigheid verhoudt zich kennelijk niet met literatuur.

Op de lagere school wachtte je als jongen in de jaren zestig huiverend van ongeduld op het moment waarop je je eerste vliegtuig kon bouwen. Talloze oefenjaren waren besteed aan een immer uitdijende verzameling steeds ingewikkelder Airfix-modellen die werden gebruikt in simulaties die onze moeders zonder veel gevoel voor proportie ‘spelen’ noemden. ‘Ga je met Willem spelen?’ ‘Nee, moeder. Wij gaan het Ardennenoffensief analyseren!’

Na de modellen kwam een zweefvliegtuig dat je met twee man vast moest houden. Mijn vader, van huis uit werktuigbouwkundige, hielp bij het in elkaar zetten. Het was een hels moeilijk model van balsahout dat overtrokken werd met vliesdun papier dat met spanlak tot een strakke, harde huid werd gevormd. Na eindeloze en ongeduldige avonden kon de maiden voyage plaatsvinden. Achteraf denk ik wel eens dat mijn levensfilosofie, samengevat in Luceberts ‘Alles van waarde is weerloos’, gestalte kreeg toen mijn vader het vliegtuig, ondanks mijn protesten, met een krachtige zwaai van de galerij van onze flat wierp en wij het, vastberaden en suïcidaal, naar beneden zagen duiken. Toen we ons over de balustrade bogen was er geen vliegtuig te herkennen in de hoop versplinterd balsa en gescheurd papier die daar lag. ‘Te veel neusgewicht’, concludeerde mijn vader op de toon van de ingenieur die tegenslag is gewend. Nooit meer heb ik een vliegtuig gebouwd.

De jongens van twee hoog wel. Die maakten gemotoriseerde modellen die aan twee draden rondvlogen en, toen ze dat eenmaal onder de knie hadden, een serie raketten waarvoor je tegenwoordig alle veiligheidsdiensten achter je aan zou krijgen. Aan de waslijn voor hun flat hingen in chemicaliën gedrenkte kranten te drogen. Die vormden, opgerold en in een kartonnen koker gestoken, de vaste brandstof. De hele buurt vulde de galerijen als ‘de jongens’ hun raketten afschoten. Ze gebruikten daarvoor het speelveld achter de flat en de zandbak was hun bunker. Er kwam een einde aan toen hun laatste raket geen hoogte wilde winnen en driftig vuurspuwend op het dak landde, waar het zomeravondwarme asfalt enthousiast begon te smeulen.

Mijn eigen kinderen zijn niet geïnteresseerd in zelfbouw. Zelfs een poging om het knutselgen door middel van Joe Speedboot tot leven te wekken leverde niets op dan de vraag of Tommy Wieringa nog meer boeken had geschreven.

Tegenwoordig stil ik mijn honger naar handenarbeid met een programma op Discovery waarin twee laconieke Engelsen oude auto’s tot leven wekken voor mensen die dat door tegenslag zelf niet meer kunnen. Het is veel aardiger dan de programma’s waarin overmatig getatoeëerde Amerikanen elkaar uitschelden als ze niet roepen dat zij de beste van de wereld zijn.

Wordt er nog geknutseld? Door gewone jongens en meisjes?

Het Britse Airfix, in 1952 opgericht door de Hongaarse vluchteling Nicholas Kove, bestaat nog steeds, maar iets zegt mij dat het vooral nostalgische mannen van mijn leeftijd zijn die vliegtuigen in elkaar zetten. Misschien overleeft modelbouw de puberteit niet. Ik hield er zelf ook mee op toen ik elpees begon te kopen, poëzie ging lezen en hasj ontdekte. Het hielp ook dat mijn jongste zusje op een dag boven op de b17 ging zitten waaraan ik maanden had gewerkt. Alles van waarde is, inderdaad, weerloos.

Toen mijn novelle Modelvliegen, over een jongen die met zijn vader modelvliegtuigen bouwt, in Engeland verscheen, liet mijn Engelse uitgever bij wijze van promotie dozen vol Spitfires uitdelen. Dat leidde niet tot de wederopstanding van het Britse zelfbouwen.

Je leest zelden een boek waarin geknutseld wordt. Behalve dat van Tommy Wieringa en het mijne, kan ik er geen bedenken. Handigheid schijnt iets te zijn wat zich niet verhoudt met literatuur. Komt dat omdat alfa’s graag koketteren met hun vergeestelijkte leven? Ik kan de gevallen niet tellen die met nauw verholen trots melden dat ze helemaal niets snappen van techniek. Als een bèta zegt dat hij niets heeft met boeken is het hoofdschudden niet van de lucht.

Maar ik geef toe dat ik zelf een technisch angehauchte alfa ben uit doodsangst. Hoewel ik nauwelijks buiten kom, staat mijn leven in het teken van aanstaande noodsituaties. Hoe kom ik hier uit, hoe kom ik erin, wat doe ik in het geval van… Dat zijn de vragen waarop ik door middel van handigheid en in het bezit van een dure multitool een antwoord paraat probeer te hebben. Het is neurotisch en misschien wel traumatisch en vorige week dacht ik voor het eerst dat het tijd was om symbolisch afscheid te nemen van die houding.

Mijn zoon ging op kamers wonen en terwijl hij en zijn vrienden een busje vol laadden stond ik met mijn peperdure, maar zelden gebruikte sog-multitool in de hand. Die kon hem van pas komen, op kamers. Als aankomend historicus heb je natuurlijk geen gereedschapskist en dat is nu net wat een multitool is: een gereedschapskist in zakformaat.

Toen ik ze had uitgezwaaid, zag ik binnen de sog liggen. ‘Fehlleistung!’ riep de freudiaan in mij.

Vanavond komt hij thuis en dan geef ik ’t hem. Schoon schip, symbolische overdracht, een mannenmomentje, alles ineen. ‘Hier, jongen’, zal ik zeggen, ‘iets van waarde voor momenten van weerloosheid.’ Misschien gaat hij dan zelfs nog Lucebert lezen.