Neushoornjury

De Reiss- en Nipkowprijzen werden dit jaar in de Olofskapel uitgereikt. Die ligt op de kop van de Amsterdamse Zeedijk, is bij mijn weten het oudst bewaarde godshuis van Mokum (als we het kerkje waar de Oude Kerk op is gebouwd niet meetellen) en is de plek waar, vlak voor de autoriteiten de zaak sloten vanwege levensgevaarlijke bouwvalligheid, de studentenvereniging Olofspoort, absolute tegenhanger van het Corps, moet zijn opgericht.

In die club, toen ik toetrad gelegen op de plek waar nu vanwege de komst aller Europese Groten de Derde Wereldoorlog lijkt uitgebroken en waar ooit het vermaarde Paleis voor Volksvlijt stond, heb ik m'n jongelingsjaren doorgebracht; met en door haar leden ben ik gevormd en zo kreeg de Nipkow-viering een bedevaarttrekje. In de kapel was ik nooit eerder. Vergeefs trachtte ik de deuren te openen. ‘Ingang via hotel’, stond daarop, maar als men alle deuren aan drie straten heeft geprobeerd denkt men dat daar die hoteldeur dan ook bij moet zijn geweest. Althans, als men zo dom is als ik. In een kroeg werd ik verwezen naar bedoeld hotel, een flink end verderop. Vanuit de lobby voert een ondergrondse gang, onder de Zeedijk door, naar de ruimte die, het dient gezegd, door de hotelketen niet naar God is geholpen maar met smaak is hersteld. Al blijft het iets onbehaaglijks houden dat onze oudste cultuurgoederen in handen geraken van poenige ketens.
In die lobby werd al stevig gepeerd want de vergadering van de Nipkow-sponsor liep uit, de uitreiking was bedoeld als toetje en dan heb je, als bedeelde, te wachten tot je broodheer daarvoor aan tafel verschijnt. Dus had ik tijd om een Veldpost-tip avant la lettre te reconstrueren: loop hotels, congrescentra, crematoria af voor dranken aller soorten, cake en zoutjes - de drank ter plekke consumeren, de zoutjes en hapjes in plastic mee voor de kleintjes. Investering: neutrale outfit, bedekken van tatoeages en piercings - behalve wanneer het een prijsuitreiking voor Veldpost zelf betreft, want dan ben je met afwijkend kleedgedrag, van ringen door lichaamsdelen tot priesterboord, zonder twijfel eregast.
Die Nipkow-uitreikingen bevatten altijd veel gemopper. Dit jaar begon het met de voorzitter die niet boos maar verdrietig was over Jan Blokkers oordeel over de televisiekritiek (krullenjongens, of zoiets) terwijl diezelfde Blokker niet te beroerd was geweest van zulke nitwits de schijf voor Diogenes te accepteren. Maar ik herinnerde me dat Blokker toen wel degelijk had geklaagd: dat ze hem pas na hun derde seizoen kregen. Zo gaat het altijd, met dit jaar als hoogtepunt: prijswinnaar één vindt de prijs veel te laat (Martijn Lindenberg, Ere-Nipkow, had hem voor zijn eerste Elfstedentocht willen hebben, maar bleek na lange aarzeling 'toch wel blij’); prijswinnaar twee, Frans Bromet, vindt het niet alleen verwerpelijk dat onvergelijkbare programcategorieën vergeleken worden, maar ook een schandaal dat zijn 'ambachtelijke’ Veldpost tijdens het juryberaad in één adem genoemd bleek met het Verzameld Werk van Paul Witteman, oftewel diens 'gelikte industrieprodukten’. De Reiss-winnaars vinden het (behalve dit jaar) altijd een schande dat je bandjes mag inzenden ('de jury is kennelijk te beroerd naar de radio te luisteren’).
Kortom, masochisme of rinoceroshuid zijn de belangrijkste vereisten voor het jurylidmaatschap. Ik ben een neushoorn en grijns me jaarlijks suf.