H.J.A. Hofland

Neutraal als een aal

Op 4 mei herdenken we de doden, op 5 mei vieren we de bevrijding. Daar valt niets meer aan te doen. Het betekent wel dat we de belangrijkste datum in de recente Nederlandse geschiedenis verwaarlozen. Dat is 10 mei 1940, de dag waarop de natie na een eeuw van neutraliteit weer in de maalstroom van de wereldgeschiedenis werd opgenomen. Eigenlijk zouden we 10 mei moeten uitroepen tot de Dag van Nationale Zelfkritiek. Maar we hebben al genoeg belangrijke data. Spaar me.

In 1831 hadden we onze laatste Europese krijgsdaad verricht, de tiendaagse veldtocht, met de bedoeling de Belgische revolutie te temmen. De Belgen werden verslagen maar het doel werd niet bereikt. In 1839 werd België een onafhankelijke staat. Daarna heeft Nederland zich met succes buiten alle Europese oorlogen weten te houden. In de Eerste Wereldoorlog werd de neutraliteit het eerste geloofsartikel van onze buitenlandse politiek. Verstandiger kon het niet. Geen cohorten van gesneuvelden, geen verwoeste steden. Misschien hebben we hier wel de kern van onze status als gidsland te pakken. Als alle naties neutraal konden blijven, zou er nooit meer oorlog komen.

In de jaren dertig werd alles anders, behalve onze buitenlandse politiek. Hitler kon tekeergaan zo hard hij wilde. Herbewapenen, dreigen: een minderheid van onze intellectuelen kon met zekerheid voorspellen dat het mis zou lopen, maar het landsbestuur had ons onkwetsbaar verschanst in de beproefde neutraliteit. Op 1 september 1939 brak de Tweede Wereldoorlog uit. De strijdkrachten waren al gemobiliseerd. In oktober waarschuwde onze militaire attaché in Berlijn, generaal-majoor G.J. Sas, dat de inval onvermijdelijk was. Hij werd niet geloofd, maar zijn betrouwbaarste Berlijnse bronnen bleven hem verzekeren dat het binnenkort zo ver zou zijn. Die verhalen begonnen ons opperbevel de keel uit te hangen. Sas werd in Den Haag als een zonderling beschouwd.

Op 10 mei 1940, ’s ochtends vroeg, was het zo ver. Koningin Wilhelmina hield haar redevoering. De eerste zin tekent een eeuw. «Nadat ons land met angstvallige nauwgezetheid al deze maanden een stipte neutraliteit in acht had genomen en terwijl het geen ander voornemen had dan deze houding streng en consequent vol te houden, is in de afgelopen nacht door de Duitse Wehrmacht zonder de minste waarschuwing een plotselinge aanval op ons gebied gedaan.» Te veel bijvoeglijke naamwoorden: angstvallig, stipt, streng, consequent. Deze koninklijke rede heeft een toon van miskenning en zelfbeklag. We hadden die aanval niet verdiend. Dit was gemeen van Hitler.

«In een oorlog leer je niets goeds», zei professor A.J.N. den Hollander, die het weten kon want hij had in het verzet gezeten en was in concentratiekamp Vught terechtgekomen. In 1945 drong in Nederland de grote wereld binnen, met boeken en tijdschriften, door de bevrijders extra goedkoop gemaakt, en de radio die niet meer verboden was. Maar een eeuw neutraliteit schud je niet in een jaar van je af. In dit eerste jaar zijn we een oorlog met Indonesië begonnen.

Het blijft een opmerkelijke prestatie: hoe een klein volk, toen van tien miljoen mensen, geplunderd uit de oorlog gekomen, in de eerste fase van de wederopbouw voldoende energie had om met een leger van meer dan honderdduizend man vier jaar lang aan de andere kant van de wereld een oorlog te voeren. Het is vergelijkbaar met wat de Amerikanen in de eerste Golfoorlog hebben gedaan, met dit verschil dat we er in Indonesië alleen voor stonden. We waren daar en we probeerden er te blijven, tegen alle goede raad en vermaningen van de internationale gemeenschap in.

Wat wij nog altijd «de Indonesische kwestie» noemen, is in werkelijkheid de grootste vervulling van de neutraliteitspolitiek. In de praktijk is dat het politieke handelen in de illusie dat we alleen op de wereld zijn, althans met de rest niets te maken hebben zolang we overtuigd zijn van ons eigen gelijk. Het tragikomische slot noemen we de Nieuw-Guinea-kwestie. We hebben zelfs ons vliegdekschip Karel Doorman naar de Oost gestuurd om in Nieuw-Guinea de democratie te brengen. Aan dit circus is door Robert Kennedy, broer van de president, met een bliksembezoek aan Den Haag een einde gemaakt.

Was daarmee de Nederlandse neutraliteit in al haar vormen en ook vermommingen ten einde? We zijn een voorbeeldig lid van de Navo, we hebben drie secretarissen-generaal geleverd. We zijn even voorbeeldig in de Europese Unie. We dragen bij tot internationale vredesoperaties. Wil dit zeggen dat ons denken over buitenlandse politiek radicaal van neutraliteitskiemen gezuiverd is? Je weet het nooit. Sinds bijna vijf jaar is het Westen verwikkeld in een oorlog met het terrorisme. We doen mee aan alle veiligheidsmaatregelen, we hebben een paar duizend man in Irak gehad en binnenkort anderhalf duizend in Afghanistan.

Over elke grote strategie wordt beslist in Washington. En hoezeer we ons ook met Amerika verbonden voelen, dit neemt niet weg dat het Amerikaanse opperbevel er een chaos van heeft gemaakt. Aan het ontstaan daarvan is Nederland klein-medeplichtig geweest, terwijl onze bestuurders vaak wisten dat we op de verkeerde weg waren. Nooit heeft de Nederlandse regering in het openbaar een woord van kritiek op president George W. Bush laten horen.

Nu heeft minister Henk Kamp laten weten dat onze troepen, die nog niet in Uruzgan zijn, terugkomen als het daar te gevaarlijk wordt. Een teken dat de Nederlandse buitenlandse politiek een nieuwe vorm ontwikkelt. Neutraal is het niet. Onafhankelijk zeker niet. Serviel jegens de grote broer, tot op zekere hoogte. Beter blo Jan dan dô Jan, lijkt me de beste samenvatting.

Het is de neutraliteit van de Nederlandse Leeuw, die vervaarlijk brullend in zijn hol kruipt. Een praktische neutraliteit.