Vrijheid van onderwijs

Neutraal onderwijs bestaat niet

Met de vermoede ‘anti-democratische invloeden’ op het islamitische Haga Lyceum in Amsterdam laaide de discussie over de vrijheid van onderwijs weer op. Toch mag er door de overheid niet aan artikel 23 van de grondwet worden getornd.

Amsterdam, 8 maart. Op het schoolplein van het Cornelius Haga Lyceum. Burgemeester Halsema heeft het schoolbestuur verzocht op te stappen. De gemeente stopt de subsidies © Patrick Post / HH

11 december 2003. ‘Waar is Allah dan?’ vraagt Ayaan Hirsi Ali pesterig aan kinderen van de Bilalschool in Amersfoort. Met de camera’s van de nos in haar voetspoor is Hirsi Ali, dan nog vvd-Kamerlid, het schoolplein op gelopen om leerlingen van de islamitische basisschool de nieren te proeven over hun loyaliteit. Ze wil weten: ‘Wat telt voor jullie het zwaarst: de grondwet of de Koran?’ De meesten vinden dat een beetje gekke vraag – wie is die mevrouw met die microfoon eigenlijk? – maar degenen die antwoorden zeggen allemaal: de Koran.

Heel verwonderlijk is dat niet als je kinderen van zo’n acht tot twaalf jaar oud de keuze voorhoudt tussen het heilige boek waaruit zij de lessen met de paplepel krijgen ingegoten, of de ‘grondwet’, een woord dat ze uit de mond van hun ondervraagster waarschijnlijk voor het eerst horen. Niettemin is het antwoord voor Hirsi Ali niet alleen rationeel onbegrijpelijk – ‘Waar is Allah dan?’– maar ook het bewijs voor de juistheid van de ‘liberale jihad’: de actie die ze samen met haar toenmalige fractiegenoot Geert Wilders onderneemt tegen de ‘godsdienstwaanzinnigen’ op islamitische scholen. Hun doel is de vrijheid van onderwijs voor moslims voor onbepaalde duur ‘op te schorten’.

Negen van de tien keer dat de vrijheid van onderwijs ter discussie staat is een kwestie rond het islamitische onderwijs de aanleiding. Ook deze weken weer. In het slepende conflict met het islamitische Cornelius Haga Lyceum in Amsterdam besloot minister Arie Slob zijn zwaarste bevoegdheden in te zetten om het schoolbestuur weg te sturen. De officiële aanleiding is het rapport waarin de onderwijsinspectie het financiële wanbeheer en het gebrekkige burgerschapsonderwijs op het Haga aan de kaak stelt. Zonder twijfel speelt in Slobs besluit ook mee dat de directeur-bestuurder van de school, Soner Atasoy, een lange neus naar het bevoegd gezag trekt, door burgemeester Halsema stelselmatig ‘een domme gans’ te noemen. Dat wekt achterdocht over wat zich nog meer afspeelt achter de schoolmuren, zeker omdat de aivd eerder in een ambtsbericht al waarschuwde voor ‘anti-democratische invloeden’ op het Haga.

In het Westland daarentegen komt Slob op voor een islamitische scholenvereniging die daar een vestiging wil openen, tegen de zin van een meerderheid in de gemeenteraad. De minister staat daar op zijn strepen om duidelijk te maken dat een lagere overheid niet zomaar op plaatselijk niveau het grondrecht van de vrijheid van onderwijs terzijde kan schuiven.

Naar aanleiding van beide geschillen en van de kwestie rond het wanbeleid dat de onderwijsinspectie vaststelde op een hindoeïstische basisschool in Den Haag, debatteert de Tweede Kamer na het zomerreces over de reikwijdte van de vrijheid van onderwijs. Een beladen onderwerp, dat artikel 23 van de grondwet, vol dilemma’s, morele gevoeligheden en misinterpretaties – en voor de meest fanatieke tegenstanders zelfs het symbool van een achterlijke samenleving uit het verleden waarvan de laatste sporen nu wel kunnen worden opgeruimd: in de NRC schreef een lezer parmantig dat ‘we’ toch niet meer kunnen toestaan dat iedereen er maar allerlei ‘misvattingen’ op nahoudt.

Een van de misverstanden is dat de vrijheid van onderwijs een privilege is dat de grondwetgever van 1917 de christelijke partijen gunde, in ruil voor hun instemming met het algemeen kiesrecht. In werkelijkheid ging het om gelijkberechtiging, niet om een voorrecht. De vrijheid van onderwijs bestond al sinds de liberaal Thorbecke dat recht in zijn grondwet van 1848 opnam. In 1917 kwam naast die immateriële ook de materiële gelijkberechtiging van openbaar en bijzonder onderwijs tot stand, met de afspraak dat de overheid voortaan beide in gelijke mate zou bekostigen.

De grondwet van 1917 was de bekroning van de ‘Pacificatie’, het geheel aan politieke compromissen die een definitief einde maakten aan de negentiende-eeuwse standenmaatschappij met haar voorrechten voor een elite van gefortuneerde mannen. Zij bezegelde de strijd voor gelijke rechten die nieuwe politieke groeperingen rond arbeiders (sdap), gereformeerde ‘kleine luyden’ (arp) en katholieken (rksp) hadden gevoerd. Dankzij het compromis over het onderwijs kregen de verschillende gemeenschappen in de samenleving een plek onder de zon. Met de invoering van het algemeen kiesrecht waren individuen voortaan gelijkberechtigd in hun democratische zeggenschap.

De Pacificatie kun je zien als de rechtsstatelijke verankering van de pluriforme samenleving: iedereen was nu gelijk voor de wet, ongeacht de onderlinge verschillen. De gedachte daarachter is dat mensen alleen de ruimte hebben om naar eigen overtuiging te leven als ze in gelijke mate vrij zijn om te stemmen, om te zeggen wat zij op het hart hebben, om zich met gelijkgezinden te verenigen, om hun eigen godsdienst te belijden en hun eigen onderwijs in te richten. De vrijheid van onderwijs is een van de grondrechten die deze ruimte bieden, naast het stemrecht, de vrijheid van meningsuiting, de vrijheid van vereniging en de vrijheid van godsdienst. De Nederlandse democratie, opgevat als een vorm van samenleven waarin iedereen tot zijn recht kan komen, werd met het bestel dat uit de Pacificatie voortkwam dus volwassen, ook als leerschool voor tolerantie.

Nederland is een mozaïek van samenlevingen die weinig met elkaar zijn geïntegreerd

Het pluralisme impliceert dat de overheid zich terughoudend opstelt en zich geen oordeel aanmeet over wie het in de samenleving bij het rechte eind heeft en wie niet. Anders dreigt dwingelandij, bijvoorbeeld als het vrije spel der maatschappelijke krachten niet de uitkomst heeft die de overheid de juiste acht. In zijn column in de NRC herinnerde Tommy Wieringa onlangs aan de toenmalige Sovjet-Unie als staat die de waarheid claimt. Behalve de heilsleer van het communisme waren alle andere wereldbeschouwingen in het sovjetonderwijs taboe, zeker als het om immateriële sferen als religie ging. In de kinderdagverblijven hingen 28 aanbevelingen voor de opvoeding van het proletarische kind, waaronder: ‘Vertel een kind nooit over dingen die hij niet kan zien.’

Tegenstanders van artikel 23 voeren aan dat een overheid die neutraal is ten opzichte van zijn burgers ook ‘neutraal’ onderwijs moet bevorderen. Voor onderwijs op godsdienstige grondslag is dan volgens hen geen plaats. De vraag is of zo’n van staatswege verordende uitbanning van religie uit het onderwijs niet evenzeer een levensbeschouwelijke keuze impliceert, en dus allesbehalve een keuze voor neutraliteit is. Gelovigen zullen dat overheidshandelen eerder als partijdig dan als neutraal ervaren.

Het zou evenmin een neutrale daad van de overheid zijn om binnen het bijzonder onderwijs een onderscheid te maken, door scholen met een levensbeschouwelijke inslag financieel droog te zetten en onderwijs met een eigen pedagogische methode, zoals de montessori- of daltonscholen, uit de staatskas te blijven voeden: de eigen opvoedkundige ideeën op die scholen zijn evenzeer gebaseerd op een levensbeschouwing.

Daarbij komt dat zo’n onderscheid de deur naar willekeur opent: de vrijheid van onderwijs kan afhankelijk worden van wat de meerderheid van dat moment als een ‘misvatting’ beschouwt en wat als juist. Een afschaffing van artikel 23 impliceert bovendien dat de overheid het onderwijs uit handen van de samenleving haalt en volledig voor haar verantwoordelijkheid neemt. Het probleem van die keuze is dat je nooit zeker weet of de staat niet in verkeerde handen valt, bijvoorbeeld van machthebbers die het op een minderheid hebben voorzien of op ‘linkse’ leraren.

Een half jaar nadat Hirsi Ali en Wilders hun ‘liberale jihad’ tegen de vrijheid van onderwijs afkondigden, sprak de sociaaldemocraat Job Cohen, toen burgemeester van Amsterdam, de Willem van Oranjelezing uit. Hij betoogde dat een overheid die haar macht gebruikt om religieuze uitingen te verbannen naar de privésfeer allesbehalve onpartijdig handelt. Integendeel, zei hij, het kenmerk van een seculiere, neutrale staat is dat hij een publieke ruimte waarborgt waarin ongelovigen én gelovigen zich kunnen uiten zonder tussenkomst van de overheid. Voor alle duidelijkheid voegde hij er nog aan toe: ‘Pas op met het verbieden van islamitische scholen en stel geen godsdienstpolitie in.’

Cohens geestverwant Lodewijk Asscher is de initiatiefnemer van het debat dat de Kamer na het reces houdt over de vrijheid van onderwijs. De pvda-leider vreest dat artikel 23 nu onvoldoende een dam opwerpt tegen scholen die ‘kinderen opsluiten in een parallelle samenleving’. In een discussiestuk, Liberalisme dat werkt voor mensen, stelde vvd-fractievoorzitter Klaas Dijkhoff het grondwetsartikel al eerder ter discussie, ook hij met het argument dat de vrijheid van scholen wat hem betreft ophoudt zodra ze ‘parallelle samenlevingen’ tot stand brengen. GroenLinks, d66 en de SP spraken zich eveneens uit voor herziening van dit vrijheidsrecht.

Het probleem blijft dat het lastig zal zijn in de wet een grondslag voor zo’n herziening te formuleren die willekeur uitsluit en voldoet aan het rechtsstatelijke grondprincipe van ieders gelijkheid voor de wet. De eis dat scholen geen ‘parallelle samenleving’ mogen herbergen is bijvoorbeeld moeilijk objectief te maken: welbeschouwd is heel Nederland een mozaïek van parallelle samenlevingen die weinig of zelfs helemaal niet met elkaar zijn geïntegreerd. Het platteland en de steden bijvoorbeeld, Limburg en de Randstad, Amsterdam-Zuid en Amsterdam-Zuidoost.

Inperking van de vrijheid van onderwijs kan ook een averechts effect hebben en het beoogde doel van integratie van minderheden juist verder uit beeld brengen. Dat risico ontstaat als groepen die van dat vrijheidsrecht worden uitgesloten – lees: moslims – het idee krijgen dat zij met hun geloof in Nederland niet meer welkom zijn en zich daarom verschansen in gesloten gemeenschappen, buiten de scholen en dus ook buiten het oog van de inspectie. De ironie is dat de partij die net als de pvv en het Forum voor Democratie de islam het liefst uit Nederland zou verbannen, de sgp, in de moderne samenleving met moslims een ‘ijselijk gevoel van minderheid’ deelt, in de woorden van oud-partijleider Bas van der Vlies. De sgp zou zich dus, als ze consistent zou zijn, voor een ongeclausuleerd artikel 23 moeten inzetten, maar de vrijheid van onderwijs die ze voor de eigen gezindte opeist, misgunt ze niettemin de niet-christelijke religies.

Al met al lijkt het verstandiger kwesties als die rond het Haga Lyceum en de eigenmachtige Westlandse gemeenteraad als incidenten te beschouwen en te proberen ze ad hoc bij te leggen. Dat soort geschipper met tijdelijke oplossingen behoort evenzeer als de vrijheidsrechten tot de traditie van een pluralistische democratie: anders kan de overheid wel eens in de verleiding komen die rechten in te perken.