Nevenschade

In Apeldoorn zet een vrouw een rode hoed op. In Huissen kijkt een man nog één keer in de spiegel. In Zutphen geeft een vrouw haar man een vluchtige kus en rent naar de trein.

MAANDAGOCHTEND STAAN alle zes namen in één annonce in de krant, op pagina 24, bij de familieberichten. Mevrouw J. van den Berg-Begmans, mevrouw H. Martens, de heer R. Nijenhuis, de heer W. Plantijn, de heer A. Teunissen, de heer J. Veldhuizen. Direct onder de namen adverteert de krant zelf: wat blijft is de emotie…
Als het staatshoofd en haar familie op Koninginnedag het doelwit waren van een aanslag, zijn deze zes mensen dus als het ware collateral damage. Sinds wanneer wordt die verhullende term eigenlijk gebruikt? Was dat al in de loop van de Tweede Wereldoorlog?
De heer Plantijn hadden we de dagen daarvoor al een beetje leren kennen. Hij is de Antilliaanse man die zo graag danste. Zijn dode lichaam hebben we op straat zien liggen. In zijn dansoutfit, ’s morgens aangetrokken in Almere. Misschien heeft hij nog gevraagd of zijn witte bloes goed zat. De bloes die een paar uur later niet meer goed zat, waardoor de hele wereld een gedeelte van zijn blote buik kon zien.
Op die foto waarop mijnheer Plantijn zo stil op straat ligt, zijn rode sjaal nog feestelijk om zijn hals geknoopt, liggen nog meer mensen die ’s morgens voor een dagje uit van huis zijn gegaan. Doet het ertoe of we weten of een van hen de heer Veldhuizen uit Amersfoort is of mevrouw Martens uit Zutphen? Nee, niet echt. Behalve als we willen voelen wat collateral damage betekent.
Maar dat kan ook door je ogen dicht te doen en je proberen voor te stellen wat een aantal betrokkenen ’s morgens nog zou kunnen hebben gedaan. Zoals de Amerikaanse regisseur Gus Van Sant deed in de film Elephant, die hij maakte na het schietdrama op Columbine High School in Colorado en die onlangs op de televisie was omdat het dit jaar tien jaar geleden is dat het drama – waarbij twee jongens dertien mensen en zichzelf doodschoten – zich afspeelde. Langzaam stroopt de camera dan één voor één de hoofdpersonen af. Behalve de dag hebben ze niet veel gemeenschappelijks. Het lijkt een gewone ochtend, al weet je als kijker wel dat er naast iets feestelijks ook nog iets anders in de lucht hangt.
Het begint in Apeldoorn. Op het moment dat daar een vrouw van begin zeventig haar rode hoed opzet en haar drie kleindochters een kusje geeft, kijkt in Huissen een man nog één keer aandachtig in de spiegel om te controleren of zijn haar niet te lang is, pakt zijn autosleutels en loopt rustig de deur uit. In Zevenaar gaat een ouder echtpaar voor de televisie zitten.
Dan komt Zutphen. Daar slaat een vrouw het kopje thee af dat haar man haar aanbiedt uit angst dat ze anders te vaak naar de wc zal moeten tijdens het lange wachten, geeft hem een vluchtige kus en rent naar de trein, ze hoort niet meer dat hij haar een fijne dag wenst. In Amersfoort moet een vader zijn kinderen op datzelfde ogenblik beloven veel foto’s te maken als de open bus dichtbij is, want die willen ze trots op school laten zien als de meivakantie voorbij is.
We weten al hoe die dag zal eindigen en dat de regisseur een waar gebeurd verhaal als uitgangspunt voor zijn film heeft genomen, toch zit je heel stil te kijken. De spanning is ondraaglijk. Als de zwarte auto de menigte ramt, schrik je toch nog. Dan staat het beeld stil, er is geen achtergrondmuziek: op straat liggen her en der mensen in de meest vreemde houdingen.
Hoeveel foto’s hebben we de laatste pakweg acht jaar gezien van naamloze lichamen, het hoofd geknakt, een ledemaat afgerukt, de kleren ruw verschoven zodat er lichaamsdelen bloot zijn die de doden bij leven liever niet aan ons hadden getoond? Foto’s uit Irak, uit Afghanistan, uit de Gazastrook. Hoe vaak zouden we erbij stil hebben gestaan dat ook deze mensen allemaal op de ochtend waarop de foto is genomen nietsvermoedend zijn opgestaan? Collateral damage? Het zijn dode moeders, vaders, opa’s, kinderen, mensen die gewoon probeerden wat van hun leven te maken. Dat is wat nevenschade is.
Later op die donderdag doet de partij van Geert Wilders een persbericht uitgaan met de kop: PVV eist einde aan Marokkaanse straatterreur. In Zevenaar wordt door de politie aangebeld en kijken de echtgenoten elkaar aan. Heel langzaam staat de man op en wapent zich voor wat er komen gaat. In Apeldoorn zucht de vrouw die haar rode hoed heeft afgezet een keer heel diep. Zij is ineens oud.
In veel huizen staat de televisie uren later nog steeds aan. We zien allerlei mensen, beelden en woorden voorbij trekken: de korpschef die aanvankelijk hevig zit te trillen, de nadrukkelijke mededeling dat de dader een autochtoon is die nog gezegd zou hebben dat hij het op de koninklijke familie had gemunt, de discussies over de vraag of de beveiliging wel afdoende was, de reactie dat je je tegen een gek niet kunt beschermen, de opmerking dat deze dag nooit meer hetzelfde zal zijn, de constatering dat het stil zou zijn geworden in het land, hoewel in Amsterdam de volkszanger gewoon zijn optreden afwerkt omdat het stadsbestuur bang is dat er ongelukken gebeuren als alle feestvierders ineens naar huis zouden moeten.
Ook de volgende dagen blijven de pratende gezichten op televisie langstrekken, in Apeldoorn, Huissen of in een studio, maar gaandeweg wordt dat minder. Steeds vaker en langer worden ze afgewisseld door mensen met een mondkapje voor, door beelden van donkere, in het vuil wroetende varkens, oplaaiende vlammen en woedende mensenmenigtes. Een rondwarende griep en angst voor een pandemie hebben een oplaaiende godsdienststrijd tot gevolg.
Ook nevenschade.