New journalism met weemoed

De afgebrande hoeve van Daniel Maroy, de oom van Chris De Stoop © prive archief

Er is een verschil tussen het lezen van Vlaamse en Nederlandse auteurs waar ik nooit zo bij stil heb gestaan, maar dat me bij Het boek Daniel steeds sterker opviel. Vlamingen hoor ik over het algemeen veel meer spreken. Ze krijgen een echte stem. Dat een roman zich in je hoofd spontaan als een audioboek begint te gedragen is nog te begrijpen bij Tom Lanoye of Dimitri Verhulst, maar het bijzondere van Chris De Stoop is nu juist dat hij dit bereikt met een heel ingetogen register.

Die toon kennen we uit zijn eerdere werk – journalistieke verhalen, literair verteld – en hier past hij nog sterker bij de geportretteerde man, zijn oom Daniel, een teruggetrokken, zwijgzame boer, in een plattelandsdorpje vlak bij de Franse grens. ‘“Maak dat ge wegkomt,” was nog een van zijn meest uitgesponnen antwoorden, tegen een buurman die foeterde omdat Daniel een duimbreed te ver zou ploegen.’

In 2014 werd deze 84-jarige man beroofd en mishandeld, voor dood achtergelaten en uiteindelijk vermoord, waarna zijn oude vierkantshoeve in vlammen opging. De daders worden niet lang daarna gepakt: een jeugdbende van achttien- tot twintigjarigen. Een groepje hangjongeren, met namen als Dylan, Arno, Ahmed en Rachid, aan de maatschappelijke rafelranden, ten prooi aan verveling, rondhangend met scooters, telefoons, gekocht met geld dat ze bijeen stelen.

Dat was ook waarom ze op Daniel afkwamen, van wie bekend was dat hij met dikke pakken contant geld onder zijn kleren rondliep. Met zijn tractor reed hij dan de parkeerplaats van de supermarkt op, waar ze hem liever alleen na sluitingstijd ontvingen, zodat de klanten geen aanstoot aan hem konden nemen. ‘De viezerik’, was een van zijn bijnamen.

Zo’n tragedie lijkt op het eerste gezicht bij uitstek een onderwerp voor een auteur als De Stoop, die toch duidelijk beïnvloed is door de new journalism-beweging van schrijver-verslaggevers als Truman Capote. Hier krijgt hij zijn eigen In Cold Blood in de schoot geworpen. Maar van pure journalistieke gretigheid merk je weinig: De Stoop is aanvankelijk juist terughoudend om zich in de hele geschiedenis te storten. Pas als er, vijf jaar later, een proces komt en zijn familie er bij hem op aandringt dat hij zich als burgerlijke partij bij de zaak voegt, neemt hij die taak op zich. En dan begint hij ook zijn gebruikelijke journalistieke methode te volgen: zich onderdompelen in alle dossiers en vooral ook afreizen naar de plekken, informatie proberen los te krijgen uit de dorpsgemeenschap. Uiteindelijk komt het zelfs tot confronterende gesprekken met de daders – waarin je hem voelt worstelen tussen een begripvolle en veroordelende houding.

Daniel was ontmenselijkt, De Stoop geeft zijn oom weer een stem

Het verschil zit hem vooral in het oogmerk. Dit project is hij niet aangegaan om een sensationeel verhaal te brengen, of om als een detective de moord te reconstrueren. Het komt niet uit puur journalistieke nieuwsgierigheid voort – dan had hij andere keuzes gemaakt – maar uit plichtsgevoel, in het verlengde van zijn rol in het strafproces. Hij ziet het als zijn taak om zijn oom Daniel een stem te geven, een menselijke portret van hem te tekenen.

Want omdat het daaraan ontbrak, kon de tragedie gebeuren zoals die is gebeurd. Daniel was ontmenselijkt, door die jongeren, die hem ‘de viezerik’ noemden. Maar ook de dorpsgemeenschap sloot hem buiten, door hem alleen na sluitingstijd in winkels en bij de bank te ontvangen. Het politierapport en twee buren gebruiken de uitdrukking ‘un homme sans histoire’: ‘Een man zonder geschiedenis. Een lege biografie. Kennelijk vonden ze zijn leven niets bijzonders, hij bestierde alleen maar het boerenbedrijf en verzorgde zijn zieke broer en zijn vader en moeder op hun oude dag. Kennelijk interesseerde het hen geen fluit hoe dan zijn leven was gelopen.’

Daniel Maroy, staand, met zijn jongere broertje Michel © prive archief

De samenleving zelf had hem al ontmenselijkt, de bendeleden gingen daar nog een stukje verder in. En volgens sommigen lag Daniel ook zelf aan de basis van dit proces, door zichzelf buiten de samenleving te plaatsen.

Dat wil er bij De Stoop niet in. De schrijver, die zelf ook een oude boerderij bewoont, beschrijft die voorbije manier van leven met een onmiskenbare weemoed en contrasteert die wereld met het moderne bestaan. Het eerste wat de jongens met het door Daniel in een half leven opgespaarde geld deden was een aantal nieuwste modellen iPhones kopen.

Het boek is opgebouwd als een mooie, indringende documentaire, waarbij de camera afwisselend bij de jongeren, bij Daniel, bij de dorpsgemeenschap en in de rechtbank ligt. Ingetogen, zonder pathos, ontstaat zo het verhaal van de sterk gewortelde bejaarde boer versus de ontwortelde jongeren, twee vormen van outcasts die elkaar fataal raken aan weerskanten van een gemeenschap die toekeek.

En op al die plekken is het alsof de schrijver naast je staat en rustig zijn verhaal doet, met een zachte stem die je fysiek kunt horen. Het zou interessant zijn om een vergelijkend onderzoek naar te doen. Ervaren alleen de Nederlanders dit bij Vlamingen, of horen landgenoten dit zelf ook? Werkt het ook andersom zo? Of is het toch, wat ik vermoed, dat ze in het zuiden veel meer aandacht besteden aan het ambacht?