Toneel

‘Nie gelebt’

Onkel Wanja

Een toneelvoorstelling van jaren her opnieuw bezoeken - in Nederland kan het spaarzaam (binnenkort Alize Zandwijks Koning Lear met Jack Wouterse uit 2007), in Duitsland kun je toneelavonden meemaken die hun regisseur hebben overleefd. In de Antwerpse Singel was onlangs Tsjechovs Onkel Wanja te gast, een Berlijnse creatie uit januari 2008 van Jürgen Gosch, de regisseur die vorig jaar mei overleed. Voor op het toneel van de rode zaal in de Singel staat dat ondiepe doosje van ontwerper Johannes Schütz, zonder raam of uitgang, alleen die lange zitrand met de achtergebleven samowar, de wand van vers aangestreken leem die in de loop van de voorstelling opdroogt. En daar zijn ze weer, de negen alleengelatenen uit ‘scènes van het landleven in vier akten’ die samen Onkel Wanja vormen.
Via een smal trappetje betreden ze het doosje dat hun woning zal zijn gedurende drie uur en een kwartier, in hun afgetrapte pakken en bloemetjesjurkjes. De magere Wanja van Ulrich Matthes die met zijn muizenogen naar houvast zoekt en om de haverklap bekent 'nie gelebt’ te hebben. De eeuwige redderaar Sofja van Meike Droste, die zo graag mooi wil zijn maar zichzelf zo lelijk vindt dat ze haar liefde voor huisarts Astrow (Jenz Harzer) niet durft te bekennen. En de pokdalige Telegin met zijn gitaar, de van de reuma kromgetrokken min Marina, de in haar brochures verdiepte moeder, de bokkige professor - als ze niet op zijn, zitten ze achter, of wachten aan de zijkant. Ze torsen geen verdriet, hun koloriet kent geen sentiment, ze verdragen elkaar en zichzelf, ieder verzet oogt ridicuul.
Zo anders ogen die scènes waarvan je ter plekke vergeet dat je ze al tientallen keren zag, ogenschijnlijk nieuw nu, maar dat is het woord niet, fris gelezen, maar dat is een afgetrapt recensenten-cliché. Astrow bezopen in de tweede akte, met Sofja die almaar niet-meer-drinken zegt, maar ondertussen een beetje lacherig meedoet, want dan is ze tenminste in de buurt van haar liefde, zelfs even aangeschoten bij elkaar liggend, en dan dat schakelen van lachen naar stilletjes huilen en terug naar lachen, en je kijkt ernaar, en je begrijpt niet wat je meemaakt terwijl er eigenlijk helemaal niks gebeurt, althans niets spectaculairs. Nogmaals die dronken Astrow. Die gaat dansen. Een man die verder alles durft, maar dansen: nooit. Je ziet hem de beslissing nemen: nou vooruit dan, éven, omdat de dames niet meekijken. Dan danst-ie in een flits of zijn leven ervan afhangt. Hij schrikt zich dood. Dan nog drie passen extra, als een kozak die zichzelf opnieuw heeft uitgevonden.
Het is zonder effectbejag. Zonder censuur ook. En het is ook het leven van die man binnen een halve minuut. Zuipen als een boekanier. Janken om een patiënt die de narcose niet overleefde. Dansen zonder gêne. En daarna de deur weer in het slot gegooid. Het doet pijn aan de ogen. Gosch, zo stel ik me voor, heeft naar zijn toneelspelers gekeken zoals Tsjechov naar zijn personages, afstandelijk, koud als een arts naar een tumor, onbarmhartig, en toch die meevoelende aandacht. Technisch veeleisend, zoals zij, de door hem alleengelaten spelers, nu meer dan ooit veeleisend zijn naar elkaar, van elkaar het hoogste verlangen, en van ons hetzelfde vragen: het intensieve kijken naar mensen die op leven en dood vechten met hun eigen sterfelijkheid.

Onkel Wanja staat op het repertoire van het Deutsches Theater, www.deutschestheater.be