Bisschop Gerard de Korte over zonde en verzoening

‘Niemand doet alleen het goede’

Voor veel buitenstaanders bewijst de biecht dat de katholieke kerk nogal luchtig omgaat met waarheid en leugen. ‘Een banalisering van het christelijk bestaan’, vindt bisschop Gerard de Korte.

Medium bisschopdekorte

Een christen is volgens Hendrik Marsman een ‘laf deemoedsdier’, zijn kerk een ‘grote witwasfabriek’. Met dat laatste richtte de dichter zijn pen vooral tegen het sacrament van boete en verzoening in de rooms-katholieke kerk, beter bekend als de biecht. Bisschop Gerard de Korte haalt zelf Marsman aan als hem wordt gevraagd welk beeld de buitenwereld van de biecht heeft. Met zijn metafoor van de ‘witwasfabriek’ maakt Marsman volgens hem een banaliteit van een ritueel met een diepe betekenis.

In dat banale beeld is de biecht typerend voor een rekkelijke omgang met waarheid en leugen. Met de zegen van de pastoor kan de katholiek er doordeweeks op los leven, in de wetenschap dat hem in de biechtstoel altijd vergiffenis wacht. Deze karikatuur miskent volgens De Korte de wezenlijke betekenis van de biecht. ‘God haat de zonde maar bemint de zondaar, in de woorden van kerkvader Augustinus. Hij zal je dus altijd vergeving schenken, óók om jou te tonen dat ook jij in het leven geroepen bent om lief te hebben, om liefdevol te zijn voor God en voor je naaste. Jouw goede daden beginnen met het bewustzijn van jouw slechte.’

Niettemin moet de katholieke kerk zich het onbegrip voor haar denken en handelen wel aantrekken en bereid zijn tot zelfkritiek, zegt De Korte. ‘Het katholieke denken wordt geassocieerd met talloze ge- en verboden. Hopeloos ouderwets en volkomen achterhaald. We kampen met een groeiend onvermogen om de katholieke ethiek op een positieve wijze voor het voetlicht te krijgen. Het kerkelijk spreken loopt als water langs een eend. Het raakt het hart van de mensen niet meer.’

De Korte is daarom hoopvol gestemd over paus Franciscus. In zijn Evangelii Gaudium, zijn eerste pauselijke brief aan de christenen wereldwijd roept Franciscus zijn kerk op het isolement te mijden. ‘Aan een ideale kerk kleeft het vuil van de straat’, schrijft hij. ‘Ik heb liever een kerk die gewond en vuil is omdat ze de straat op is gegaan dan een kerk die ongezond is doordat ze zich heeft afgesloten en vasthoudt aan haar eigen veiligheid.’

Gerard de Korte (58) is sinds 2008 bisschop van Groningen/Leeuwarden. Van huis uit historicus promoveerde hij in 1994 als theoloog. Zeven jaar eerder was hij tot priester gewijd en toegetreden tot de staf van het Ariënskonvikt, de priesteropleiding van het aartsbisdom.

Wat De Korte zo aanspreekt in Franciscus, naast diens openheid naar de wereld, is dat hij de barmhartigheid voorop zet, mede als basis van tolerantie. De paus roept daarbij het schilderij De roeping van Mattheüs van Caravaggio in herinnering, waarop Jezus Mattheüs vraagt zich als apostel bij hem aan te sluiten. Mattheüs is dan nog tollenaar, een gehate belastinginner in dienst van de Romeinse bezetter, en verbaast zichzelf nog het meest over dat verzoek, gezien zijn beroerde reputatie.

‘In zijn barmhartigheid zegt Jezus daar: volg mij’, zegt De Korte. ‘Voor mij is die verzoeningstraditie een van de mooiste aspecten van het christelijk geloof. De paus geeft er ook een sociale betekenis aan, als hij maant mild voor elkaar te zijn. De misbruikers van kinderen in onze kerk hebben vreselijke aberraties begaan, maar ze zijn ook gedemoniseerd, ontmenselijkt. Een wezenlijk christelijke notie is dat je altijd probeert solidariteit op te brengen met degenen die falen, niet om het goed te praten, maar om te voorkomen dat je ze ontmenselijkt. Als biechtvader heb ik vele zonden aangehoord die ik ook zelf op z’n minst wel eens in gedachten heb begaan. Het maakt je mild naar anderen als je je eigen gebrokenheid kent. Wat antwoordde de paus in dat grote interview met de Italiaanse journalist Antonio Spadaro op de vraag wie hij is? Ik ben een zondaar!’

De buitenwereld, gelovigen van protestantsen huize niet uitgezonderd, kijkt met bevreemding naar de biecht, als een garantie voor goddelijke absolutie voor een bandeloos leven. ‘Dat hoor je zeggen over het biechten: die mensen droppen hun zonden bij de pastoor en gaan over tot de orde van de dag. Dat is echt een banalisering van het christelijk bestaan, want stel dat een christen zo zou denken, dan maakt hij van zijn eigen geloof een parodie. Dat geloof veronderstelt dat je met Christus bent verbonden in het principe van levensheiliging. Apostel Paulus gebruikte dat woord vaak, levensheiliging. We zijn geroepen tot een heilig, liefdevol leven, in navolging van Jezus. Daar past geen liederlijk bestaan bij, om het zo te zeggen. Tegelijkertijd wist Jezus zelf als geen ander: de geest is gewillig, het vlees zwak. Niemand doet alleen het goede, ook als hij dat wel wil. In elk leven bestaan zonden. Het sacrament van boete en verzoening, de biecht, schenkt ons de mogelijkheid met die tragiek in het reine te komen.’

‘Wie zonder zonde is, werpe de eerste steen!’ zo weerhoudt Jezus de menigte die op het punt staat een overspelige vrouw te stenigen van een wandaad. De parabel van de verloren zoon, het verhaal over de gehate tollenaar Zacheüs bij wie Jezus uit eten gaat: de bijbel telt vele verhalen over barmhartigheid. In ons rechtssysteem krijgt die waarde gestalte in de kerngedachte dat iedereen die iets op z’n geweten heeft, hoe ernstig ook, een nieuwe kans verdient.

‘Het kerkelijk spreken loopt als water langs een eend. Het raakt het hart van de mensen niet meer’

‘De idee van barmhartigheid is een heilzaam element in onze cultuur. Ook paus Franciscus vindt het noodzakelijk keer op keer te beklemtonen dat barmhartigheid in het bijbelse, nieuw-testamentische godsbeeld de centrale boodschap van het christendom is. Voor mij is dat een belangrijke reden om christen te zijn. God houdt de weg naar Hem altijd open. Het mooie in de parabel van de verloren zoon is dat zijn vader hem in de armen sluit, nog vóór hij de kans heeft de schuldbelijdenis die hij heeft ingestudeerd uit te spreken. Dat is een indrukwekkend, troostend verhaal, over de onvoorwaardelijke liefde van God voor de mensen. Hoezeer mijn leven wellicht ook in puin ligt, God blijft altijd voor mij beschikbaar. Ook als ik als historicus naar de geschiedenis kijk, met al die explosies van het kwaad, is het een troostende gedachte dat God deze wereld nooit zal afschrijven.’

We moeten het goede doen, maar dat lukt niet altijd. Paus Benedictus XVI beschreef dat in zijn encycliek Caritas in Veritate als de dubbele wil. De zonde ligt altijd op de loer.

‘Boete, verzoening, zonde… Ik kan me voorstellen dat uw lezers dat merkwaardige woorden vinden. Wat is dat nou, zonde? In de grondtalen, zowel het Hebreeuws als het Grieks, betekent zonde letterlijk dat je je doel mist. Ook in het profane Grieks wordt hamartia, zonde, gebruikt voor een pijl die langs zijn doel scheert. En wat is het doel van de mens volgens het Nieuwe Testament? Dat is het dubbelgebod van de liefde, voor God en voor de medemens. De mens schiet zijn doel voorbij als hij het liefdesgebod niet weet te realiseren. Dan wordt dat woord, zonde, misschien wat begrijpelijker, anders denken uw lezers meteen weer aan seksuele aberraties, de Borgia’s en zo.’

Het geloof kan u troost bieden, voor anderen is God een constructie van de menselijke geest om de ongerijmdheden in het eigen bestaan een beetje op orde te krijgen. Is het geen vooruitgang dat de meeste mensen de religie daarvoor niet meer nodig hebben?

‘Iemand als de socioloog Anton Zijderveld noemt zich cultuurchristen. Hij hecht wel aan de waarden die het christendom heeft overgedragen, zoals de medemenselijkheid en de barmhartigheid, maar gelooft niet meer. Met alle respect en waardering, is mijn vraag wel hoe lang de waarden van de Schrift in een cultuur overeind blijven als er geen voeding meer is vanuit de goddelijke bron. Hoe lang behouden het liefdesgebod, de vergeving, de dienstbaarheid, de solidariteit hun kracht als de kerken verder marginaliseren? U zult misschien tegenwerpen dat we nu toch politieke doctrines als de sociaal-democratie hebben om die waarden in stand te houden. Met alle waardering die ik heb voor de sociaal-democratie werp ik daartegen in dat de christelijke kerken deze waarden tot nu toe steeds opnieuw weer voeden. Ik zou dat liever zo houden. Dienstbaarheid, solidariteit zijn te waardevol om in de waagschaal te stellen.’

Zijn er werkelijk geen vervangende bronnen voor deze waarden? De meeste mensen zijn ook zonder christelijke inspiratie bereid zich in te leven in anderen en hen zo nodig bij te staan.

‘Dat is zo, maar ik zie om mij heen ook verschijnselen van minder dienstbaarheid, minder solidariteit. Daarvoor hoef je geen cultuurpessimist te zijn. Dat ben ik ook niet. We hebben ondanks al ons geklaag, al onze onzekerheid, toch een prettig land opgebouwd, zowel materieel als immaterieel. Dat zijn we ons te weinig bewust, volgens mij. Onze grondwet, onze burgerlijke vrijheden, onze sociale wetgeving, onze verzorgingsstaat, allemaal prachtige verworvenheden. Ik hoef niet bang te zijn dat de politie voor mijn deur stopt om mij uit huis te halen. Waar zou ik willen wonen als Nederland er niet was? Dan zijn er niet zoveel alternatieven, wat mij betreft. Ik wil God hier niet meteen bij betrekken, daarvoor ben ik te veel overtuigd van het gedachtegoed van Karl Barth, maar ook in de katholieke traditie zeggen wij wel dat we het ware, het schone en het goede in de cultuur mogen zien als het werk van de Heilige Geest. Daar waar deze kwetsbare zaken, de democratie en de rechtsstaat, zijn opgebouwd en de zonde van de mens is ingedamd, mag je dat zien als Zijn geschenk.’

Maar er zijn ook tekenen van kentering. Er ontstaat een repressieve veiligheidsstaat, waarin het recht steeds meer wijkt, camera’s ons overal in de gaten houden en onze privacy wordt ingeperkt. Sommige mensen zijn zo langzamerhand rechteloos.

‘Zeker in de bejegening van illegalen zie je die achteruitgang. De kerken wrijven dat de politiek ook onder de neus: iedereen op Nederlands grondgebied heeft recht op een fatsoenlijk bestaan. In die rijke samenleving van ons moeten de basisbehoeften voor iedereen gegarandeerd zijn. Ik maak me ook zorgen maken over het comazuipen en andere verschijnselen van de moderne jeugdcultuur, wat we vroeger Wein, Weib und Gesang noemden, hoewel ik denk dat het gros van de jeugd heel anders leeft dan de hoofdpersonen uit Cherso, minder hard, minder onverschillig. De kerken zullen dus als morele instantie blijven spreken, zoals we dat ook doen als het gaat om abortus, prostitutie, euthanasie, de klassieke onderwerpen.’

‘Katholiek denken is gemeenschaps­denken. Je kunt alleen een gelukkig mens zijn in gebondenheid met anderen’

Veel mensen weigeren zich in het geloof te verdiepen omdat het zo dogmatisch is. Over de relaties tussen mensen, over de seksuele moraal. Het gaat altijd maar weer daarover.

‘Je moet van alles en je mag niks, in die sfeer. Dat is niet uit de lucht gegrepen. In die zin moeten we zelfkritisch zijn. Daarom pleit ik voor een hartelijke kerk, die tegelijkertijd helder is. De meest extreme standpunten zijn veelal niet de meest intelligente, zeg ik met kardinaal Daneels. Ons leven is te complex om te denken in zwart-witschema’s waaruit alle nuance is weggevallen. Aan de andere kant moeten we de boodschap niet gaan versnijden. U begrijpt wel: een bisschop gaat niet voor vrijzinnigheid pleiten. Dat is een doodlopende weg. Dat neemt niet weg dat ik onverminderd waardering heb voor al die aardige, tolerante, vrijzinnige mensen met andere opvattingen in niet-religieuze kringen.’

Volgens Augustinus moeten we eerst de oorlog in onszelf uitvechten voor we de oorlog met de buitenwereld aankunnen. In de Civitate Deï schrijft hij dat een mens allereerst lichamelijk in balans moet zijn en daarom geen honger mag hebben. Ook geestelijk moet hij in evenwicht zijn, om zijn instincten te kunnen beheersen. De mens moet eerlijk zijn, oftewel zijn denken moet in overeenstemming zijn met zijn handelen. Dat is al beduidend moeilijker als hij zijn instincten niet kan beheersen en honger heeft. Dat hangt dus allemaal samen. Augustinus concludeert vervolgens dat de mens zijn drie dimensies niet in z’n eentje op orde zal krijgen. Hij kan niet zonder een ander om de oorlog in zichzelf uit te vechten. In het geval van de biecht zal dat de geestelijke zijn.

‘Katholiek denken is gemeenschapsdenken’, zegt De Korte. ‘Je kunt alleen een gelukkig mens zijn in gebondenheid met anderen. We zijn wezenlijk sociale wezens. Ik denk dat zelfs de meest uitgesproken liberaal wel zal erkennen dat hij alleen met anderen tot zijn recht kan komen. Het katholicisme als leer gebruikt het woord individualisme niet, het spreekt van personalisme. De joodse filosoof Emmanuel Levinas brengt dat gedachtegoed mooi onder woorden als hij schrijft dat God zichtbaar is in het gelaat van de ander. De band met de medemens is ook de band met God. Je bent geen los atoom, maar wel een unieke persoon. Je komt tot ontplooiing in je relatie met andere mensen, waarin jouw transcendente relatie met God is weerspiegeld. Dat is de kern van de katholieke leer van het personalisme.’

Volgens het Sociaal en Cultureel Planbureau doen belijdende christenen, zowel katholieken als protestanten, meer aan vrijwilligerswerk dan niet-gelovigen, ook buiten de kerk.

‘In het katholieke sociaal denken zit een onlosmakelijke koppeling tussen personalisme, menselijke waardigheid en solidariteit. Dit denken veronderstelt dat mensen onderling solidair zijn en naar het bonum commune streven, zich inzetten voor anderen en het eigen belang weten te relativeren. Traditioneel geldt de armenzorg als zondedelgend. Want wat is zonde? Ik ben liefdeloos geweest, ik heb het weefsel van de menselijke samenleving op de een of andere manier kapot gemaakt. Als ik goede werken verricht, door armen te helpen, ben ik bezig te boeten, in de letterlijke betekenis. Boeten komt uit de visserijwereld. De netten worden hersteld, geboet. Boeten betekent hier dat iemand probeert het weefsel van de menselijke samenleving te herstellen.’

De basisidee van de Reformatie is dat het individu een directe relatie met God onderhoudt, zonder tussenkomst van een geestelijke.

‘Hoe krijg ik een rechtvaardige God? vroeg Luther zich af. Dat sprak aan. Het is wel iets te schematisch, die scheiding die u aanbrengt. We zijn allemaal mensen van de Verlichting, van de stedelijke cultuur, meer op het eigen ik betrokken. Het echte religieuze individualisme is ook pas in onze tijd gekomen, niet in de Reformatie. Ook toen geloofde je niet in je eentje. Maar inderdaad, het sacramentele leven is in de katholieke kerk veel intensiever dan in de protestantse. Wij hechten zeer aan gezamenlijke, gewijde handelingen als de doop, het vormsel, de eucharistie. De katholieke kerk kent nog zeven sacramenten, de protestantse maar twee, de doop en het Heilig Avondmaal. Dat is ook altijd mijn vraag aan protestanten: doen jullie je niet te kort door je zó te fixeren op het woord? Ik vind die sacramentele rijkdom ook de rijkdom van het katholicisme. Een Vlaamse theoloog heeft het sacrament een kus van God genoemd. In elk sacrament komt God met Zijn liefde naar jou en geeft hij jou, in poëtische zin, een kus. Het is Gods liefde die de mens wil aanraken.’

Wat bepaalt in uw ogen de grote rijkdom van de sacramenten?

‘Dat de ontmoeting met God niet alleen afhankelijk is van de verkondiging van het Woord maar ook van symbolen, rituelen. De Duitse theoloog en filosoof Romano Guardini beschreef aan de hand van een paaswake op Sicilië hoe de hele menselijke persoon in die viering wordt aangesproken. Het begint met een donkere kerk waarin het licht wordt binnengebracht. Je ogen worden aangesproken, dus je ziet. Er wordt gewierookt, dus je ruikt. Je wordt besprenkeld, als herinnering aan de doop, dus je voelt. De paasjubelzang klinkt, dus je hoort. Het publiek bij de wake was de eenvoudige, merendeels analfabete boerenbevolking van een Siciliaans dorp, maar ik vermoed dat deze beleving ook goedgeschoolde, nuchtere Nederlanders niet onberoerd laat. Het gaat hier om de esthetische dimensie van het geloof. Schoonheid vormt een wezenlijk aspect van christelijk vieren.’

Bij zijn overstap van de katholieke kerk naar de vrijzinnige Remonstrantse Broederschap noemde theoloog Peter Nissen het katholicisme een ‘gevoelsgeloof’, minder rationeel dan het protestantisme.

‘Het mooie van de Reformatie is de liefde voor de bijbel, de liefde voor de persoon van Christus en de liedcultuur. Dat waardeer ik zeer, die trouw aan de Heilige Schrift. Maar waar ik dan vragen bij heb is dat lage sacramentele besef én al die kerksplitsingen. De Reformatie is meer de godsdienst van de discussie, de strijd, de waarheidsvraag. Dat is het verschil met katholieken. In de riten en symbolen van de katholieke mis wordt het geloof gevierd. Om dat dan helemaal theologisch uit te diepen, met grote stukken in de kerkbladen, botsende visies, intellectuele debatten, dat is typisch protestants. Dat zullen katholieken niet gauw doen. Die zijn meer van het vieren, mede vanuit de gedachte dat God te groot is om rationeel te vatten.’