Niemand heeft gelijk

Nog tot 10 mei overal in Nederland en Vlaanderen.
Het verhaal van Fröken Julie (August Strindberg, 1888) is gauw verteld. Tijdens een broeierig midzomernachtfeest komen Julie (dochter van een graaf) en de stalknecht Jean (in dienst van de graaf) bij elkaar in iets wat het midden houdt tussen een losse scharrel, een snelle wip en een hitsig meningsverschil tussen twee doofstommen. De bronstige ‘paardans’ wordt enigszins gelaten geobserveerd door kokkin Kirstin, ook in dienst bij de graaf en tevens de verloofde van Jean. De nacht eindigt in wanhoop, een doodlopende steeg voor iedereen. Anders bezien is er ook sprake van hoop en loutering. Julies nuchtere conclusie luidt: ‘Wat maakt het eigenlijk uit wiens schuld het is? Uiteindelijk zit ík ermee, moet ík de consequenties dragen.’

Fröken Julie is de eerste eenakter uit de theatergeschiedenis waarin de complete spanningsboog van een stuk van vijf bedrijven binnen één akte is gecomprimeerd.
De compositie is slim. Zo is er een proloog waarin de handeling van het hele stuk subtiel wordt aangekondigd - inclusief de fatale vrijpartij van Julie en Jean: de poedel van Julie heeft geneukt met de bastaardhond van de portier en nu zit het beestje ‘in de problemen’. Daarna komt de flirt, tijdens een intermezzo wordt er (buiten beeld) gevreëen, daarna volgen de afdanking van Julie door Jean, een felle uitval van Kirstin tegen beiden, en het wanhopige afscheid (anders bezien: de loutering en de ontnuchtering).
Fröken Julie is een klassieke relatietragedie in een notedop. Met een bitter, existentieel machtsspel als achtergrond. Julie is door haar opvoeding hopeloos in de war gebracht over haar identiteit - ze haat haar vrouwelijke kanten maar speelt er een geraffineerd spel mee, ze heeft de inborst van een kerel maar kan of wil dat niet onderkennen. Jean fantaseert over een rijkeluishotel aan het Comomeer waar hij eindelijk anderen kan commanderen. Kirstin vertrouwt alleen nog op de kerk en op de bijbel.
En niemand heeft gelijk. Niet in Strindbergs tekst. Niet in de enscenering die Dirk Tanghe van Fröken Julie maakte (bij De Paardenkathedraal in Utrecht). Op een gigantische stalen trap (ontwerp: Bart Clement) en in een rauwe hertaling (Jan-Eric Hulsman) voeren Julie (Marie-Louise Stheins), Jean (Henk Elich) en Kirstin (Paula Bangels) een waar titanengevecht, zo spannend dat je als toeschouwer bij tijd en wijle niet meer weet waar je moet kijken. Ieder personage heeft een eigen kleur, een authentieke lading meegekregen. Bij Kirstin is dat een mengeling van angst en woede: ze vecht voor haar verloofde, ze schrikt als de standsverschillen uit balans dreigen te raken, en ze wordt woedend over iedere vorm van hypocrisie. Jean wordt gespeeld als een pooier-in-opleiding: hij heeft de klok van dominantie & afpersing horen luiden, maar mist de kloten om consequenties te trekken uit zijn hanengedrag. Wat Marie-Louise Stheins met het personage van Julie doet, is een wonder van acteerprecisie: ze zet de onverzoenbare tegenstellingen binnenin dat radeloze takkewijf exact achter elkaar. Op de vierkante millimeter is het glashelder. En als het afgelopen is, weet je nog altijd niet wat je aan haar hebt. De toeschouwer blijft achter met een hoofd vol macaroni. Zoals Strindberg almaar weigert om antwoorden te geven, zo stelt Stheins almaar vragen.
Ten tijde van de première was de voorstelling (door ziekte en vervanging) niet klaar. De Paardenkathedraal had niet meer de adem en de moed om haar uit te stellen. Een deel van de pers reageerde als de honden van Pavlov: de bel voor de laatste ronde. Tanghe liet zich niet kennen en werkte met zijn spelers na de première onverdroten door.
Het resultaat zag ik een dag of tien later in Den Haag. Een deel van de verrassing was hier weg: geen voordoek, dus geen langzame onthulling van de monumentale trap. Hij stond er gewoon, en de acteurs moesten het maar zien waar te maken.
En dat deden ze alle drie perfect.