‘niemand houdt dit vak lang vol’

IN DE LITERATUURKRITIEK gaat het vaak hard tegen hard, zie bijvoorbeeld de weer opgelaaide discussie rond het werk van Frans Kellendonk. Herinneren jullie je vergelijkbare kwesties in de kunstkritiek?

Bernard Hulsman van NRC Handelsblad: ‘Zo'n heftig debat niet. Ik schrijf over architectuur. In de Nederlandse architectuur ís er heel weinig debat. Iets recents is het Wilde Wonen dat de voorzitter van de BNA, Carel Weeber, is begonnen. Hij pleit ervoor dat iedereen zijn eigen huizen bouwt op kaveltjes, zodat Nederland een soort Los Angeles wordt. Maar tot een echt debat heeft dat nog niet geleid.’
Gaat het wel goed met de kunstkritiek?
Camiel van Winkel van Archis: 'Nee. Er wordt al twintig jaar geklaagd dat er geen leidende figuren zijn aan te wijzen in de Nederlandse kunstkritiek. Sinds begin jaren tachtig is de rol van de kunstkritiek teruggelopen.’
Terwijl er toch voldoende aanleiding is voor opwinding. Overheidsinstanties en commissies maken de dienst uit op het gebied van beeldende kunst en architectuur, en die commissies willen allemaal avantgardistisch zijn: op de smaak van het grote publiek kijken ze neer. Ligt daar niet een belangrijke taak voor de criticus? Maai jij, Bernard Hulsman, wel eens een mislukt gebouw tegen de grond?
Hulsman: 'Af en toe. Maar je hebt in de krant beperkte tijd en ruimte. Bovendien moet je je stuk schrijven als zo'n gebouw net is opgeleverd. Onlangs heb ik een gebouw wel met de grond gelijk gemaakt, dat van Ben van Berkel aan de Nieuwezijds Kolk in Amsterdam. Dat ziet er verschrikkelijk uit en gaat ten onder aan de vergissing dat je in een chaotische stad ook een heel chaotisch gebouw moet neerzetten. Een deel daarvan is winkelcentrum. En het werkte niet, onder meer door een doodlopende gang, zodat de loop van het publiek uitbleef. Winkels moesten sluiten. Het gebouw gaat nu uitgebreid gerenoveerd worden. Niet ten gevolge van mijn stuk trouwens.’
Beogen jullie dat soort invloed wel?
Paul Kempers van De Groene: 'Ik schrijf vanuit een persoonlijke interesse. Ik heb nu driekwart jaar een kroniek gedaan voor De Groene over hedendaagse kunst. Daar ben ik mee opgehouden omdat het onderwerp uiteindelijk mijn pen te weinig in beweging zette. Ik denk dat je heel streng en schoolmeesterachtig moet zijn om lang een criticus te zijn. En dat je dan ook echt maatstaven aanlegt waarlangs je kunst meet. Zo'n criticus ben ik niet.’
Ooit jaloers op de literaire critici? Die hebben het makkelijk, zij bespreken in taal iets dat is gemaakt van taal.
Kempers: 'Jaloers niet, maar inderdaad is “taal over taal” minder problematisch dan “taal over beeld”. Er zijn altijd twee richtingen. Er zijn mensen die beweren: beeld is een in zichzelf besloten wereld, daar kan je weinig over vertellen in taal. Anderen zeggen: daarin moet je niet berusten, je moet blijven proberen de visuele wereld in taal over te brengen. Ik denk dat het mogelijk is, alleen dat het vrij beperkt is wat er mogelijk is.’
K. SCHIPPERS HEEFT ooit gezegd dat je over kunst moet schrijven alsof je een brand verslaat.
Kempers: 'Dat kan ook heel goed, al blijf je dan vaak aan de oppervlakte. K. Schippers maakt mooie en leuke verhalen maar komt dikwijls niet verder dan het puur beschrijven van wat hij ziet. Zijn uitgangspunt deel ik, alleen vind ik dat het veel prikkelender stukken moet opleveren. Een criticus hoeft zich niet altijd op de vlakte te houden. Het zou literairder moeten, inclusief oneliners en sweeping statements.’
Hulsman: 'Veel kunstkritiek blijft steken in beschrijvingen om de vingers niet te branden, want je kunt de plank wel eens misslaan en dan word je daar later om uitgelachen en uitgekreten. Er is een grote angst om zich uit te spreken.’
Camiel van Winkel, jij schrijft voor Archis. Heb je bewust gekozen voor een vaktijdschrift?
Van Winkel: 'De strikt journalistieke kunstkritiek in dag- en weekbladen levert eigenlijk geen enkele bijdrage aan een cultureel discours. Ik heb geen zin om me daaraan aan te passen.’
Kempers: 'Ik heb wel eens gepleit om veel minder te schrijven over kunst. De supplementen staan bol van de artikelen, terwijl ik denk dat je beter een stap terug kan doen, en mensen meer tijd moet geven. Dat hangt ook samen met de honorering van de kunstkritiek. Er wordt heel weinig voor betaald dus moet je in hoog tempo veel schrijven om aan een redelijk inkomen te komen. Je kunt beter mensen die echt getalenteerd zijn een jaarsalaris geven, om ze tien goede stukken per jaar te laten schrijven in plaats van continu grote stukken te vragen over de actualiteit.’
Hulsman: 'Oneens. Het lijkt mij raar om je als kunstcriticus en journalist te onttrekken aan de actualiteit. Je stukken moeten toch gaan over wat nu speelt en om altijd nu maar Kandinsky te gaan herkauwen…’ Van Winkel: 'Het probleem is: wat is actualiteit? Kranten en weekbladen laten zich voorschrijven wat actueel is door musea en galeries. Dat is een hele beperkte opvatting van wat actueel is.’
CAMIEL VAN WINKEL, jij schreef over de keren dat het NOS-journaal aandacht besteedde aan tentoonstellingen van hedendaagse kunst. Je herinnerde je Matthew Barney (naakte lichamen, anale fixaties), Manifesta 1 (een naakte man als hond) en Gilbert & George (blote mannen met hun drollen). Je suggereerde dat de hoge moeilijkheidsgraad van moderne kunst kennelijk vervalt als het publiek zich kan opwinden over scabreuze taferelen.
Van Winkel: 'Die kloof tussen moderne hedendaagse kunst en het grote publiek is minstens zo oud als de moderne kunst zelf. De klassieke rol van de kunstcriticus als intermediair tussen kunstwerk en het publiek is zo langzamerhand overbodig. Musea en instellingen hebben hun eigen publiciteitskanalen, eigen krantjes, websites, mailings en overige persoffensieven. Als criticus ben je daar in de kantlijn gedrukt. Dat geeft helemaal niks, dat moet je accepteren, om dan te concluderen dat je een kritische positie in de kantlijn moet innemen.
Als je als kunstcriticus bijvoorbeeld schrijft over een totaal overbodige tentoonstelling of een mislukt gebouw, dan moet je dat niet gaan afkraken, want dat is het makkelijkste wat er is. Je hebt de verantwoordelijkheid ervoor te zorgen dat zo'n mislukt fenomeen in jouw stuk toch weer een soort zin krijgt, omdat je zo bijdraagt aan een cultureel klimaat, een debat.’
Hulsman: 'Ik draag graag bij aan een debat hoor, maar ik zie het niet als mijn taak om voortdurend culturele diagnoses te stellen. Ik zie mijzelf ook eigenlijk niet als criticus. Dat is ook geen beroep dat je kiest. Wie wil er nou criticus worden? Ik ben ooit begonnen met een boekbespreking, ik had plezier in schrijven, zo ben ik erin gerold. Ik denk dat niemand bewust kunstcriticus wil worden.’
Kempers: 'Ik ben ooit begonnen met een filippica tegen de wartaal in de kunstkritiek, want dat is het terugkerend probleem waar het altijd over gaat: dat vrijwel niemand die teksten begrijpt! Orakeltaal die vrij ondoordringbaar is. Het is natuurlijk een klein wereldje van hedendaagse kunstspecialisten, terwijl het publiek in groten getale door de museumpoorten moet worden gejaagd. En vrijwel niemand nam ook nog al die uitgebreide toelichtingen in al die supplementen door. Nadat ik dat stuk had geschreven, vond ik: nu moet ik ook bewijzen dat het anders kan. Dus toen heb ik de pen opgepakt, letterlijk.’
Bespeur ik bij jou, Camiel, als vakpers, enig dédain voor de dag- en weekbladjournalistiek van Hulsman en Kempers?
Van Winkel: 'Wat ik bij Hulsman en Kempers waarneem, is bijna een soort afkeer van kunst en architectuur voor insiders. Dat vind ik nogal tendentieus.’
Kempers: 'Geen afkeer zou ik zeggen, nee, maar de ergernisgraad bij veel hedendaagse kunst is hoog en het is altijd een taboe geweest om dat toe te geven. De middelmaat is erg groot, je treft heel veel zogenaamde avant-garde kunst aan die blijk geeft van middelmatig talent. Er is maar heel weinig echt talent. Daarom houdt ook niemand dit vak lang vol, want je moet je leven lang middelmatig talent beschrijven.’