De Biënnale van Venetië

Niemand is een buitenlander

In de beeldende kunst is engagement met de grote problemen van de tijd weer helemaal terug. Oorlog en terreur bepalen het beeld op de Biënnale van Venetië – en de installatie Citizens and Subjects van Aernout Mik is misschien wel het beste werk dat er te zien is.

Medium 1 nice 2006

In zijn hoofdredactioneel commentaar in het tijdschrift Volume (nummer 11) verwijt Ole Bouman de architectuurelite dat ze passief blijft terwijl de wereld in brand staat. Er zou nauwelijks discours zijn over de verwoesting van monumenten, steden, hele gemeenschappen. Architecten zouden zich zelfs lenen voor de tactiek van de tabula rasa van dubieuze machthebbers.

Waar architecten het blijkbaar laten afweten, daar zijn beeldend kunstenaars, zo blijkt uit de 52ste editie van de Biënnale van Venetië, wél bezig met de fysieke en psychologische effecten van oorlog en terreur.

De Australische kunstenaar Callum Morton bijvoorbeeld heeft met Valhalla een wat je noemt architectuur-geïnspireerde installatie gemaakt, waarmee hij fijntjes benadrukt dat chaos en vernietiging heel dichtbij kunnen komen. Morton heeft het huis waarin hij opgroeide, in een idyllische buitenwijk van Melbourne, als model genomen voor een levensgrote ruïne. Het is een door oorlogsgeweld getroffen gebouw zoals je dat in Bagdad of Beiroet zou kunnen aantreffen. Het grijze, stukgeschoten en nog narokende pand lijkt steen voor steen verplaatst te zijn naar het openluchtmuseum dat Venetië heet. In werkelijkheid blijkt het gemaakt van polystyreen, dat de esthetiek heeft van een Second Life-_omgeving – _almost real.

Morton verbindt in zijn werk het persoonlijke met het politieke en laat zien dat engagement ook iets anders kan zijn dan documentair activisme. Een van de beste werken op de Biënnale, dat van de Poolse Monika Sosnowska, hanteert eenzelfde strategie. Sosnowska – die niet zo lang geleden werkte aan de Amsterdamse Rijksakademie – heeft in het Poolse paviljoen een enorme zwart-stalen sculptuur gebouwd, die nog het meest doet denken aan het door de hitte verwrongen skelet van het World Trade Center. Het is het geraamte van een communistisch-modernistisch utiliteitsgebouw, dat in een bijna elastische staat van verval in het paviljoen is geperst. Het beeld past er maar net in en een goede overzichtsfoto is er dan ook nauwelijks van te maken. De sculptuur is een soort schaduw van een gebouw dat was, en van een regime dat zich door dergelijke architectuur liet kenmerken. Verval is ingetreden, de functionaliteit is verdwenen. Blijft over een sculpturaal spel met de ruimte en met het oriëntatievermogen van de bezoeker.

Opvallend bij beide werken is dat ze verwijzen naar modernistische architectuur. Bij Morton is het deels een hommage aan een door zijn vader, architect Ian Morton, ontworpen woonhuis uit de jaren zeventig en aan de idealen van de modernistische ethiek. Maar Morton verbindt deze idealen op bijna cynische wijze met de fragiele staat van architectuur in deze tijden van agressie en destructie. ‘It’s like an Ikea- ruin’, zei Morton er zelf over. Sosnowska verwijst op haar beurt naar de totalitaire versie van het modernisme, dat de pretentie had de samenleving te willen ordenen. Met de verwrongen staat van het staal levert ze een niet al te zachtzinnige kritiek op de door de communistische machthebbers gecontroleerde versie van utopia.

Het is een nogal apocalyptisch, maar ook poëtisch beeld, dat onderhuids zijn werk doet en het tegelijk over grote onderwerpen heeft. In die zin past het prachtig in het motto van deze Biënnale: ‘Think with the senses, feel with the mind’. Curator Robert Storr wil met deze slogan benadrukken dat kunst gescheiden domeinen als intellect en emotie, denken en intuïtie, samen kan brengen. ‘Art is now, as it has always been, the means by which humans are made aware of the whole of their being’, aldus Storr, die een actieve rol voor kunst in de samenleving ziet, ‘to make sense of things’, of op z’n minst ‘to make nonsense of the world, as grotesque’.

De hoofdtentoonstelling in het Italiaanse paviljoen in de Giardini, en vooral die in het Arsenalegebouw, is hier een weergave van. Storr heeft uit werkelijk alle hoeken van de wereld – dit is zeker geen Biënnale waarbij het Westen de toon bepaalt – kunstenaars geselecteerd die iets te melden hebben over de tijd waarin we leven. Uiteraard levert dit, zoals bij de meeste mondiale hedendaagse kunstmanifestaties, veel ééndimensionaal werk op, met veel letterlijke symboliek. Veel werk hamert te hard op overbekende misstanden in de wereld of – erger – op een moreel gelijk. Vaak zit er te weinig ruimte tussen het onderwerp dat de kunstenaar aansnijdt en de mogelijkheid voor de toeschouwer hier zelf nog waarde aan te ontlenen. Veel kunstenaars blijken kortom emotioneel zó nauw betrokken met de politieke situatie in hun deel van de wereld dat ze vergeten dat kunst meer moet zijn dan een directe weergave daarvan. De tentoonstelling ‘reflects the difficulty of making art in troubled times’, om Storrs eigen woorden te gebruiken.

Maar waar het wél lukt, daar is de Biënnale meer dan de moeite waard. Bijvoorbeeld bij een remake door Melik Ohanian van Pinochets militaire coup op 11 september (sic!) 1973. In de videofilm is de stad de hoofdpersoon, maar niet doordat oude, journalistieke beelden van de coup worden getoond. Ohanian maakt de geschiedenis eerder voelbaar dan zichtbaar door met titels en geluidsfragmenten de gebeurtenissen terug te halen naar de plek waar alles zich afspeelde.

De écht geslaagde werken zijn echter buiten de centrale exposities van Robert Storr te vinden. Het Russische paviljoen overtuigt met de götterdammerung-film Last Riot van het collectief aes+f. Het Nordic Pavilion onderscheidt zich door een enorm reclamebord van de kunstenaars Goksøyr & Martens: een fotomodel spreekt verveeld de tekst ‘It would be nice to do something important’ uit, waarop een ander model, even verveeld, antwoordt: ‘Something political?’

Maar de video-installatie Citizens and Subjects van ‘onze eigen’ Aernout Mik is misschien nog wel het beste werk op de Biënnale. Als geen ander is het Mik gelukt uit te stijgen boven het karakter van de documentaire, zonder in te boeten aan directheid of actualiteit. Integendeel – in Miks films wordt de beklemmende realiteit van de asielzoeker op een overtuigende manier opnieuw geconstrueerd tot een absurdistisch schouwspel.

In het Nederlandse paviljoen zijn drie ‘multichannel’-_films te zien, waarvan _Training Ground en Mock Up het sterkst zijn. De ene toont een fictieve oefening waarin politiemannen methodes voor de arrestatie van vluchtelingen krijgen aangeleerd. De andere is een brand-evacuatie-oefening in een speciaal voor deze film gebouwd detentiecentrum. Het is een combinatie van actualiteitswaarde, traagheid, herhalingen en de soms wel erg vreemde gebeurtenissen die het allemaal tot één groot surrealistisch theater maken, waarbij het niet langer duidelijk is welke hiërarchie of orde er überhaupt nog heerst. Mik stelt rake vragen over rechten, regels, protocollen en autoriteit, over vrijheid en humaniteit vooral.

Als activist verlaat je een zonovergoten Giardini della Biënnale, om in de Biënnale-shop een T-shirt aan te schaffen met de opdruk: ‘In art nobody is a foreigner’.

De 52ste Biënnale van Venetië,

tot 21 november