De nieuwe wetenschap: ruim baan voor het verhaal

Niemand is gemiddeld

De beleving van patiënten, de ervaringen van burgers of de gedachten van consumenten zien er meestal anders uit dan een reeks cijfers of algoritmen. De roep om het individuele verhaal begint langzaam door te klinken in de wetenschap.

Medium wetenschap1

Vergelijk het met de vrouwenbeweging. Een groep die wordt gemarginaliseerd gaat zich op een gegeven moment organiseren. Het feilen van het systeem wordt duidelijker en de oorspronkelijke splinter wordt uiteindelijk een balk in het oog.’ Aan het woord is Christien Brinkgreve, emeritus-hoogleraar sociale wetenschappen aan de Universiteit Utrecht, en ze praat over niets minder dan een op handen zijnde paradigmaverschuiving binnen de wetenschap. Het ‘individuele verhaal’ is daarbij het gemarginaliseerde deel van het systeem: de persoonlijke beleving van patiënten, de ervaringen van burgers, de gedachten van consumenten. Kortom: het verhaal van mensen. Tijdens haar afscheidsrede hield ze een pleidooi om dat verhaal juist een grotere plaats te geven in de sociale wetenschap: ‘Door de huidige gerichtheid op het grote getal en het gemiddelde verschraalt kennis en verdwijnt het zicht op de rijkdom en veelvormigheid van individuele levens (…) De sociologie kan inzicht geven in de manieren waarop mensen met elkaar verhalen maken, en hoe die vertellingen veranderen, passend bij andere verhoudingen en omstandigheden, en bij de behoeften van de tijd.’

In haar boek Vertel (2014) gaat Brinkgreve uitgebreid in op de kracht van verhalen. Ook literaire verhalen. Zo analyseert ze de roman Badal van Anil Ramdas, de schrijver die in 2012 zelfmoord pleegde en die haar blijft intrigeren. Het belang van de roman overstijgt voor Brinkgreve het levensverhaal van Anil Ramdas. Of het boek autobiografisch is doet er niet toe.

Ze schrijft: ‘Het boek laat zien hoe vroegere, in dit geval koloniale verhoudingen doorwerken in ambities en kwetsbaarheden, in de grote behoefte een plaats te verwerven, erkenning te krijgen, gerespecteerd te worden. Het toont de wankelheid van het zelfgevoel, en het razende verlangen naar betekenis. Wat het sociologisch oplevert is het belang van de behoefte aan erkenning, een thema dat veel minder aandacht heeft gekregen in de sociologische literatuur dan het streven naar macht, positie en status. Maar wat de roman ons vooral biedt, waarin de meerwaarde schuilt boven menig onderzoeksrapport, is inzicht in de beleving, in de ervaringswerkelijkheid. Een roman kan de wereld van de data bezielen.’

Brinkgreve staat beslist niet alleen. Zo wees Anne-Mei The, bijzonder hoogleraar langdurige zorg en dementie aan de Universiteit van Amsterdam, er tijdens haar oratie op hoe oude werelden steeds meer ‘intern gerichte sub-werkelijkheden’ zijn geworden die hun ‘aansluiting en verbinding met de dagelijkse werkelijkheid verliezen, en langzaam maar zeker vooral op eigen behoud uit zijn’. The schaart ook de wetenschap onder deze oude werelden.

Ook The propageert een ‘paradigmawisseling’, in het bijzonder binnen haar eigen vakgebied, de zorg voor ouderen: ‘Van medische interventies naar sociale interventies. Van “genezen” naar “leven met”. Erkenning van alzheimer als chronische of palliatieve aandoening. Het vraagt om een andere benadering: van cijfers naar verhalen, van “zenden” naar luisteren.’

Aan het eind van haar betoog bepleit The een ‘opwaardering van het sociale, het persoonsbetrokkene en het narratieve ten overstaan van de biologische en medische benadering, die vanwege haar reductionistische karakter de kern van wat zorg verlenen is kan beknellen. Zowel in de medische praktijk als in de sfeer van onderzoek. Of in gewone taal: meer care dan cure.’

In de zorgpraktijk betekent dit dat The bijvoorbeeld kritisch is over de miljoenen die onder meer de overheid steekt in het zogenaamde ‘Deltaplan’ rond dementie dat ons moet beschermen tegen de ‘tsunami van patiënten’, vooral door middel van het vinden van een medicijn tegen alzheimer. Haar onderzoeksgroep richt zich niet op de cure maar op de care. Zo wordt onder meer een Dementie Verhalenbank in het leven geroepen waarop patiënten en hun familieleden, maar ook professionals, individuele verhalen over hun ervaringen met dementie kwijt kunnen. In januari ‘stortte’ voormalig voorzitter van de Tweede Kamer Gerdi Verbeet haar eerste verhaal op de bank, waarmee de Verhalenbank officieel geopend was. Zo moet een unieke database ontstaan met verhalen die voor diverse disciplines interessant zijn. Niet alleen sociale wetenschappers, ook historici, linguïsten, psychologen, journalisten en studenten kunnen de data gebruiken. ‘Uit de verhalen kunnen patronen worden gedestilleerd die tot oplossingsstrategieën zullen leiden’, vertelt The. ‘Daarnaast geeft het stem aan “het dementie volk”. Er is immers nu geen ruimte voor hun verhalen.’

Tijdens een congres over het thema ‘leven met dementie’ spreekt dan ook niet alleen Anne-Mei The als deskundige wetenschapper, maar wordt ook ruim baan gemaakt voor het verhaal van mantelzorger Liz Cramer en haar man Gerard, die lijdt aan de ziekte van Alzheimer. Liz vertelt tijdens het congres voor welke vraagstukken zij is komen te staan. Zo bespreekt ze haar eerste reactie op de diagnose: ‘Het woord wilsbekwaamheid bleef in mijn hoofd spoken. Ik vond dat ik snel moest handelen, schakelde de huisarts in en werd direct lid van de Nederlandse Vereniging van Vrijwillige Euthanasie. Ik moest zorgen dat Gerard een euthanasieverklaring zou optekenen zodat hij zelf kon en mocht bepalen wanneer hij niet meer wilde leven met alzheimer.’

The wijst erop dat het interessant is dat na het stellen van de diagnose de aandacht van Liz en Gerard vrijwel onmiddellijk gericht was op het regelen van euthanasie. Ze hoort dit van anderen ook vaak. ‘Door de vroegdiagnostiek en de zoektocht naar de pil wordt hoop geschapen voor later. Nu die medische oplossing niet voorhanden is, is het medische circuit uitgepraat. Het voelt alsof “er niets meer aan te doen is”. Euthanasie lijkt dan, in de beleving van betrokkenen, de enige oplossing.’

‘De roman biedt ons inzicht in de bele­ving, in de ervarings­werkelijkheid. Een roman kan de wereld van de data bezielen’

The denkt dat het iets zegt over onze samenleving, ‘waarin omgaan met onzekerheid, kwetsbaarheid, lijden en vergankelijkheid moeilijk worden gevonden. Waarin we ons vasthouden aan de maakbaarheid van het bestaan, en waarin controle en beheersbaarheid hoogtij vieren. Wat het ook leert is dat de aandacht uitgaat naar het begin en einde van de ziekte. De maakbaarheid aan het begin, en de maakbaarheid aan het einde.’

Voor de tussenliggende periode, voor het dagelijks leven met dementie, is volgens The veel te weinig aandacht. Tijdens het congres komt de gruwel van deze periode duidelijk naar voren. De angst voor het verlies van het denken, het verlies van jezelf. Gerard (wanhopig): ‘Is dit nu elke morgen, dat ik mezelf moet herontdekken? Elke dag moet ik mezelf heropbouwen; het verliezen van jezelf en maar afwachten of je er straks nog wel bent en dat élke morgen.’

Toch ziet The ook ervaringen die wellicht hoop kunnen bieden. Gerard was als gepromoveerd bioloog altijd erg gericht op zijn cognitieve vermogens, maar nu is hij gaan schilderen en probeert meer in het moment te leven. ‘Behalve dat dit een coping-strategie voor het dementieproces is, kunnen dit betekenisvolle ervaringen zijn’, zegt The. ‘Ik formuleer dit met opzet voorzichtig, omdat ik besef dat dit niet voor iedereen het geval is.’

Net zoals Brinkgreve het verhaal van Anil Ramdas zorgvuldig bestudeert, zo probeert The aandachtig naar het verhaal van Liz en Gerard te luisteren en hier lessen uit te trekken. Deze aanpak is totaal anders dan die van een groot onderzoeksplan als het Deltaplan.

In haar boek Betere mensen gaat Trudy Dehue, hoogleraar wetenschapsfilosofie aan de Universiteit van Groningen, dieper in op de beloften van dergelijke grootse onderzoeksplannen alsmede van het topsectorenbeleid, die doorgaans worden gefinancierd met zowel belastinggeld als geld van bedrijven. ‘Het belangrijkste aspect van de beloften (van deze plannen) is dat ze de realiteit al verregaand vormen voordat ze zijn gerealiseerd. Ze zijn “performatief” zoals het werkelijkheidsvormende karakter van woorden ook wel heet, want wie de meest indrukwekkend klinkende toekomst schetst, bepaalt wat er onderzocht gaat worden, in welke onderzoeksinstrumenten er wordt geïnvesteerd, wie bij het onderzoek een rol speelt, wie met overheden praat en waar de bevolking haar steun aan geeft.’

Dehue analyseert in Betere mensen behoedzaam en secuur de problemen van de huidige wetenschap en laat overtuigend zien hoe wetenschappelijk onderzoek de werkelijkheid vaak eerder vormgeeft dan dat het haar ontdekt. Daarbij is haar uitgangspunt een waardering voor onzekerheid, die inherent is aan het individuele verhaal. Als voorbeeld gebruikt ze het wetenschappelijk onderzoek naar de effectiviteit van bepaalde psychiatrische geneesmiddelen.

Neem de vraag of een antidepressivum of adhd-middel effectief en veilig is. Dehue legt uit: ‘De standaard wetenschappelijke methode schrijft voor dat het middel gedurende een aantal weken wordt getest op een groep proefpersonen die wordt vergeleken met een controlegroep die een placebo krijgt. Dat lijkt een vorm van tijdloze en onafhankelijke logica, maar dat is het zeker niet. Er ligt bijvoorbeeld de typisch twintigste-eeuwse veronderstelling aan ten grondslag dat mensen willekeurig uit hun eigen context kunnen worden gehaald en in een kunstmatig samengestelde nieuwe groep kunnen worden onderzocht, dat wil zeggen dat somberheid of concentratiegebrek niet ook verbonden zijn met iemands persoonlijke leven. >

Er ligt ook de veronderstelling aan ten grondslag dat een gemiddelde uitkomst van een groep iets zegt over elk lid van die groep. Bovendien komen de resultaten nooit gewoon uit een experiment rollen. De experimenten zitten vol menselijke beslissingen bij het ontwerpen ervan, de uitvoering ervan en daarna ook nog bij het interpreteren van de resultaten. Wat telt bijvoorbeeld bij dierproeven als een depressieve rat en wat als een opgeknapte rat? Dat bepalen de onderzoekers of hun onderzoekstradities.’

Sinds psychiatrische middelen op de markt zijn gebracht, melden veel gebruikers klachten. ‘Jarenlang was de typische reactie daarop dat ze maar wat verzinnen, helemaal als ze psychiatrische patiënten zijn’, stelt Dehue. ‘De wetenschap had immers objectief bepaald dat het middel effectief en veilig is.’ Naar aanleiding van haar eerste boek De depressie-epidemie kreeg Dehue echter talloze e-mails en brieven van gebruikers van deze middelen. ‘Die bevatten de meest schrijnende verhalen. Mensen stuurden me soms hele dossiers waaruit ook viel op te maken dat ze van het kastje naar de muur waren gestuurd.’

‘Alle wetenschappen zijn “zacht” in die zin dat er op talloze vlakken menselijke beslissingen mee zijn gemoeid’

Tijdens een lezing voor een groep psychiaters las Dehue een keer enkele citaten voor uit een van deze brieven. Het ging over acathisie, enorme motorische onrust en tics in het gezicht. ‘Tot mijn schrik en verbazing klonk er gelach uit het publiek bij het voorlezen ervan. De dag na mijn lezing nam ik contact op met de hoogleraar psychiatrie die de bijeenkomst had georganiseerd, om te vragen waarom men had gelachen.’ Dat leidde tot een uitnodiging om naar zijn werkkamer te komen, waarop zij naar het umcg fietste. ‘Daar legde hij me uit dat men lachte omdat ik de casus niet had gebracht volgens de regels die daarvoor gelden in de medische gemeenschap. Uit onderzoek van hemzelf was ook gebleken dat mensen zelfs bijwerkingen melden van placebo’s. Verhalen over bijwerkingen moeten dus niet al te serieus te worden genomen, was de implicatie.’

Dehue voegt er nadrukkelijk aan toe dat dit voorval dateert van vijf jaar geleden. ‘Inmiddels is er veel veranderd in de psychiatrie, mede doordat patiënten, journalisten en het Instituut voor Verantwoord Medicijngebruik hebben afgedwongen dat er wel geluisterd wordt naar meldingen van bijwerkingen. De meldingen van gebruikers bieden namelijk wel degelijk ook informatie. We kennen het placebo-effect en mensen maken zich inderdaad vaak maar wat wijs, maar er kan nagegaan worden of er patronen in de meldingen zitten. En dan zou een dergelijke methode niet wetenschappelijk mogen heten, omdat we willen vasthouden aan een leerboekendefinitie van wat wetenschap is?’

Medium wetenschap2

Dehue gaat in haar boek uitgebreid in op de eerder genoemde paradigmawisseling. Wetenschapsfilosoof Thomas Kuhn, die de term ‘paradigma’ muntte, beschreef hoe ‘normale wetenschap’ bestaat in een tijd waarin het paradigma niet ter discussie wordt gesteld en iedereen werkt met min of meer dezelfde uitgangspunten en principes. Totdat het kantelt, en een nieuw paradigma ontstaat.

Dehue haalt wetenschapsonderzoeker Jerome Ravetz aan en legt uit wat hij bedoelt met het nieuwe concept ‘postnormale wetenschap’ dat een commentaar is op het begrip ‘normale wetenschap’ van Kuhn. ‘Kuhn zag “normale wetenschap” als een kenmerk van volwassen wetenschap, maar Ravetz brengt daar tegenin dat juist fundamentele discussies noodzakelijk zijn en dat tekort aan zelfreflectie in de huidige technologische en commerciële wetenschap tot te veel hybris leidt, ook omdat ze zichzelf te weinig vragen stelt over onbedoelde consequenties van innovaties. In plaats van eenzijdige gerichtheid op vooruitgang en winst zouden behoedzaamheid en moraliteit volgens Ravetz de hedendaagse leidende waarden in de wetenschap moeten zijn.’

Dehue bepleit, net als Ravetz, waardering voor onzekerheid. ‘De intellectuelen van de universiteiten worden naar de marge van de wetenschap verdrongen’, vindt ze. ‘Het is niet juist om harde tegenover zachte wetenschappen te stellen, want alle wetenschappen zijn “zacht” in die zin dat er op talloze vlakken menselijke beslissingen mee zijn gemoeid. Als er daarna een laag cijfers en berekeningen overheen komt, maakt deze die beslissingen niet harder maar onttrekt ze aan het zicht.’

Nathan Jurgenson schreef onlangs een verhelderend artikel in The New Inquiry over deze ‘onttrekking aan het zicht’. In View from Nowhere: On the Cultural Ideology of Big Data gaat hij in op de verwachtingen die worden gewekt door de huidige wetenschap van big data. Volgens Jurgenson heeft het positivisme, het idee dat de sociale wereld kan worden gekend en uitgelegd vanuit een waardenneutrale, transcendente ‘view from nowhere’, altijd een bepaalde aantrekkingskracht gehad. Hoewel in de afgelopen eeuw deze ‘arrogante visie’, die pretendeert universele wetten voor de sociale wereld te kunnen ontdekken, grotendeels is verworpen ten faveure van het erkennen van maatschappelijke complexiteit, heeft de komst van big data het ideaal van de alleswetende view from nowhere nieuw leven in geblazen.

Jurgenson bespreekt het boek Dataclysm: Who We Are (When We Think No One Is Watching) van Christian Rudder, over de data van zijn datingsite OKCupid. Het idee van Rudder is dat niet alleen subjectiviteit van de onderzoeker, maar ook van het onderzoekssubject zelf simpelweg wordt weggenomen door de enorme hoeveelheid data waarover de onderzoeker beschikt. Zo komt, zonder dat onderzoeker of onderzochte hier erg in heeft, de ‘ware aard’ van de mens vanzelf naar boven via de pure kracht van algoritmen. Zie hier het positivisme nieuwe stijl. Positivisme zal volgens Jurgenson nooit helemaal uitsterven, omdat de fantasie van werkelijk objectieve kennis simpelweg te aantrekkelijk en te winstgevend is. ‘Als je kunt stellen dat je de sociale wereld accuraat hebt beschreven, geeft dit je de macht om werkelijk alles te verkopen: een politiek standpunt, een product, zelfs je eigen autoriteit.’ Des te gevaarlijker is het positivisme en Jurgenson waarschuwt dan ook voor de pretentie van de view from nowhere. Want uiteindelijk is het duidelijk dat de data maar voor een beperkte groep toegankelijk zijn en dat er altijd sprake blijft van subjectiviteit van de onderzoeker, bijvoorbeeld door zijn keuze om bepaalde vragen te stellen of zijn besluit om bepaalde data te verkopen.

‘Als big data daadwerkelijk beter zicht kunnen bieden op de sociale wereld, dan moeten onderzoekers vechten tegen de culturele ideologie die big data overwaardeert en overfinanciert’, stelt hij. ‘De view from nowhere die ten grondslag ligt aan boeken als Dataclysm en aan veel commerciële datawetenschap moet ontmaskerd worden als een view from a very specific and familiar somewhere.

‘De meeste politici en wetenschappers zijn nooit asielzoeker in een AZC geweest, en ook geen bejaarde in een verzorgingshuis’

Het strookt met Dehue’s bevinding dat alle wetenschappen zacht zijn, omdat er menselijke beslissingen mee gemoeid zijn. In een e-mail gaat ze in op het beeld van de bevlogen wetenschapper die zonder eigen belang op zoek gaat naar de waarheid. ‘Ik ga daar tegenin, omdat het een erg ondemocratisch beeld is. Allereerst is dat eigenbelang er doorgaans wel. Wetenschapsbeoefenaren zijn gedwongen geld te verdienen met hun werk en anders wel persoonlijk te scoren met bijvoorbeeld verwijzingen naar hun werk. Anders vliegen ze er al snel uit. Daar komt bij dat “de realiteit” niet kan praten via hun monden. Denkers over wetenschap laten al meer dan een eeuw overtuigend zien dat wetenschappelijke feiten op allerlei vooronderstellingen en interpretaties berusten. Dat is op zich niet erg, want het is onvermijdelijk, maar het is wel erg als men blijft doen alsof het niet zo is.’

Dehue denkt dat langzaam maar zeker een tegenbeweging aan het ontstaan is. ‘Inderdaad begint er nu alom verzet te komen, vermoedelijk ook van degenen die het nét niet halen in het systeem. Dat zijn wel buitengewoon intelligente mensen, die bijvoorbeeld gaan bloggen of journalist worden. Ook in de wetenschappelijke sector zelf groeit het verzet, evengoed onder oudere wetenschappers die zien dat het mis gaat zo. De internationale kranten staan er vol van en in Nederland is er het platform Hervorming Nederlandse Universiteiten, evenals de beweging Science in Transition. Die laatste beweging is nota bene aangezwengeld door Frank Miedema, een biochemicus van zestig-plus, die decaan is van geneeskunde in Utrecht en vice-voorzitter van de raad van bestuur van het Universitair Medisch Centrum aldaar.’

Ook Anne-Mei The en Christien Brinkgreve zien het verzet groeien, hoewel van een echt volledige paradigmawisseling in de wetenschap vooralsnog geen sprake lijkt te zijn. Alle drie de hoogleraren weten immers mee te praten over de kritiek die je over je heen kunt krijgen door het ventileren van een afwijkende mening in de wetenschap. The vertelt bijvoorbeeld hoe artsen haar kritische benadering vaak ‘flauw’ vinden. ‘De houding is zo van: ach, help nou eens mee en zit niet alleen maar kritiek te leveren.’ Brinkgreve herkent dit en vindt het volstrekt onterecht. ‘Als iemand vraagtekens plaatst bij de medische benadering van dementie, dan is dat stellen van die vraag alleen al erg waardevol.’

Bovendien wordt het regelmatig verschijnen in de media en het actief betrokken zijn bij het maatschappelijke debat de drie hoogleraren niet altijd in dank afgenomen. Slechts wetenschappelijke artikelen in buitenlandse publicaties tellen mee voor hun wetenschappelijke beoordeling; publicaties in toegankelijke Nederlandse bladen en kranten tellen niet mee. ‘Het lijkt soms net alsof je geld hebt dat niets meer waard is’, verzucht Brinkgreve. Tegelijkertijd vervagen de grenzen tussen journalistiek, commercie en wetenschap wanneer ruimte wordt geboden aan de narratieve dimensie in de sociale wetenschap. Anne-Mei The noemt het voorbeeld van een voormalig journaliste van NRC Handelsblad die in dienst van haar onderzoeksgroep en van een nauw betrokken zorgaanbieder (Cordaan) onderzoek doet naar dementie.

Het is The’s ideaal om een soort ‘onderzoekslab’ te creëren, naar voorbeeld van veel Amerikaanse research labs, waar onderzoekers vanuit verschillende disciplines werken aan een bepaald onderwerp, zoals in haar geval dementie. Journalisten passen heel goed in zo’n lab. ‘Je hebt veel sneller resultaten en kunt veel makkelijker duidelijk maken waar je eigenlijk naartoe wil’, zegt The. ‘Het onderzoek van een onderzoeker in opleiding duurt altijd langer, omdat het ook cijfermatig en wetenschappelijk dichtgetimmerd moet zijn.’ Voorstanders van ‘nieuwe wetenschap’ lijken allemaal het belang van multidisciplinariteit te benadrukken.

Daarnaast ontstaat in de nieuwe wetenschap het ideaal van ‘transdisciplinariteit’ waarbij samenwerking met niet-academici centraal staat. Marlieke Kieboom, onderzoeksadviseur bij Kennisland, een onafhankelijke denktank voor maatschappelijke vernieuwing, bepleitte onlangs in Het Parool om burgers een stem te geven in de wetenschap. ‘Onze kennisproductie wordt in belangrijke mate bepaald door de maatschappelijke top. De meeste politici, wetenschappers en nwo-beleidsmedewerkers zijn nooit asielzoeker in een azc geweest, en vast ook geen bejaarde in een verzorgingshuis. Je positie bepaalt nog steeds in hoge mate met wie je samenwerkt en welke vraagstukken je interesseren.’

Burgers zouden volgens Kieboom moeten worden betrokken bij kennisproductie, maar ook bij de keuze voor onderzoeksonderwerpen. In de ouderenzorg richt onderzoek zich bijvoorbeeld op vergrijzing, bezuinigingen of zorgrobots, ‘maar vanuit de samenleving zelf komen vragen op over emotionele armoede en eenzaamheid’, aldus Kieboom.

Socioloog Willem Schinkel van de Erasmus Universiteit kwam zelfs met het radicale idee om nwo om te vormen tot een organisatie voor de ‘maatschappelijke programmering van onderzoek’. Dergelijke voorstellen laten zien dat steeds meer wordt nagedacht over het overbruggen van de kloof tussen de wetenschap en het verhaal van mensen via het nieuwe ideaal van transdisciplinariteit.

De politiek lijkt bovendien te luisteren. Zo kondigden minister Jet Bussemaker en staatssecretaris Sander Dekker van ocw in de Wetenschapsvisie 2025 aan dat Nederlandse burgers zullen meebepalen welke wetenschappelijke onderzoeken de universiteiten gaan uitvoeren. Een fundamentele wijziging van het topsectorenbeleid waarvoor dan ook nwo ingrijpend zal moeten worden gereorganiseerd. Als voorbeelden voor onderwerpen werden genoemd big data, gezond ouder worden en omgaan met onvoorspelbaarheid.

Opvallend is dat de roep om het individuele verhaal nu pas begint door te klinken in de wetenschap, terwijl de commerciële sector storytelling al bijna een cliché begint te vinden. (Inmiddels heeft zelfs een sjaaltje van de Hema ‘een verhaal’, schreef ik in een eerder stuk over corporate storytelling in dit blad.)

Dehue licht toe: ‘Marketingbedrijven hebben begrepen: uit verhalen valt méér bruikbare informatie te halen dan uit kruisjes op een voorgeformuleerde vragenlijst. Er zijn bijvoorbeeld marketingbedrijven die zich volledig richten op de gezondheidssector. Bij hen kom ik tegen dat ze wetenschappelijke vragenlijsten arrogant noemen. Daar zit wat in, want vragenlijsten leggen de onderwerpen vast evenals de mogelijke antwoorden die kunnen worden gegeven. Zelf onderzoeken de marketingbedrijven liever spontane uitingen en gedragingen, op Facebook bijvoorbeeld of door het leven van hun doelgroepen een tijdje mee te leven. Daaruit leiden ze af wat reclames voor een biotechnologisch middel, zoals een pil, moeten beloven.

Een dergelijke methode goed kunnen toepassen vergt overigens veel denkkracht, maatschappelijk besef en algemene ontwikkeling. Je komt in de marketingsector kennis tegen van literaire fictie, culturele antropologie en theoretische sociale wetenschap. Precies datgene wat de universiteiten sinds een kwart eeuw hebben verwaarloosd – wat vooral komt doordat grote bevolkingsgroepen op school hebben geleerd dat alleen bètawetenschap echte wetenschap mag heten. Daarvoor betalen ze ongeweten dus een flinke prijs.’

Maar onder wetenschappers, en ook onder politici en beleidsmakers, klinkt steeds luider en duidelijker de roep om het individuele verhaal. We moeten willen weten hoe iemand zijn leven met dementie ervaart, we moeten interesse hebben voor gemelde bijwerkingen van antidepressiva, we moeten ons inleven in het leven van een asielzoeker. We moeten beseffen dat dit verhaal er altijd iets anders uit zal zien dan een rijtje cijfers of een bak algoritmen. Natuurlijk is het individuele verhaal subjectief, maar dat zijn cijfers ook, hoe ‘big’ de ‘data’ ook worden. De view from nowhere bestaat niet. Sterker nog: de view from nowhere is een gevaarlijke illusie. De view komt van de maatschappelijke top, óók in de wetenschap.