De verslagenheid onder Marokkaanse jongeren

Niemand keek ons aan

Tegenwicht bieden in het ‘Marokkanen-debat’ is geen dankbare taak, weet Hassan Bahara uit eigen ervaring. Het is frustrerend, nee – woestmakend.

Medium hh 55141060

Vijfentwintig jaar terug was ik een briljant voetballertje, al zeg ik het zelf. Sierlijk, technisch, en volstrekt solistisch. Een echt straatvoetballertje. Teambelang bestond niet, alleen eigenbelang. Nooit de bal afgeven, eerst nog een mannetje zoekspelen, dan nog eentje, en dan missen terwijl je teamgenoot druk gebaart dat hij helemaal vrij staat. Maar dat is zijn probleem. Ik ben de ster van het pleintje. Het gaat om mijn onnavolgbare acties.

Ik was dus totaal niet geschikt voor het voetbal zoals het gespeeld wordt bij voetbalclubs en waar je erin gestampt krijgt dat je altijd een ‘balletje breed moet leggen’ en altijd ‘de vrije man’ moet zoeken. Bij clubs werd je direct uit het veld gehaald als je te vaak ging pingelen en jezelf vastliep in het strafschopgebied. Bij voetbalclubs moest je niet vergeten dat je in dienst stond van het team en niet andersom.

En toch stapten ik en een paar buurjongens op een dag op de fiets en zetten koers richting dws (Door Wilskracht Sterk) bij Amsterdam-Sloterdijk om daar om inschrijfformulieren te vragen. We wilden profvoetballer worden en zulke ambities kon je het best verwezenlijken door jezelf op een echt voetbalveld van gras in de kijker te spelen. dws was het beste startpunt voor zo’n carrière. Ruud Gullit en Frank Rijkaard waren er ook ooit begonnen en naar we hadden begrepen had dws korte lijntjes met de jeugdafdeling van Ajax. Mijn vrienden en ik dachten aan een jaar of twee genoeg te hebben om het rood-wit van Ajax aan te kunnen trekken.

Het liep anders. Althans, voor mij en Mohammed. Mijn Ghanese buurjongen Eric lukte het wel. Binnen twee jaar zat hij bij Ajax en doorliep hij de jeugdopleiding om daarna een paar jaar voort te ploeteren in de net-niet categorie van de Eerste Divisie.

Ik maakte het seizoen niet eens af bij dws. Ik mikte op een plek bij de D1, maar uiteindelijk werd ik niet eens goed genoeg geacht voor de D2 en werd ik geplaatst bij de brekebenen van de D3. We verloren alle wedstrijden, soms zelfs met meer dan tien doelpunten verschil. Aan mijn verfijnde pleintjesvoetbaltechniek had ik niets. De tegenstander – vaak uit de kluiten gewassen blonde jongens – telde te veel spelers, de grasvelden waren te groot voor snelle, korte soloacties. Ik kon een man uitspelen, een tweede, misschien zelfs een derde, maar dan dook er altijd wel een vierde op, en die trapte dan de bal uit mijn voeten. Aan verdedigen deed ik niet. Bij balverlies schold ik op alles en iedereen en bleef ik op dezelfde plek staan, wachtend totdat ik weer aan een hopeloze soloactie kon beginnen. Ik geloof dat dws D3 een van de slechtste teams in de clubgeschiedenis moet zijn geweest en ik heb daar een bijdrage aan geleverd met mijn volstrekt zelfzuchtige spel.

Afgelopen weekend plaatste iemand op Twitter een foto van een glas Marokkaanse muntthee dat hij nuttigde in de kantine van dws. Het stond er niet met zoveel woorden, maar de tweet was bedoeld als een sneer naar voetbaljournalist Johan Derksen die vorige week een soort van nationaal debat losmaakte over Marokkaanse jongens die de cultuur bij amateurclubs verpesten. Volgens Derksen douchen Marokkaanse jongens met hun onderbroek aan, hebben ze een grote bek, en hebben hun ouders niet veel op met het vrijwilligerswerk dat nodig is om amateurclubs draaiende te houden. Of het Nederlandse voetbal een Marokkanen-probleem heeft, was de grote vraag die Derksen opwierp.

Ik moest door de foto denken aan mijn mislukte avontuur bij dws. Ik mislukte er omdat ik meer van pingelen hield dan van samenspel. Maar er speelde meer. Uiteindelijk ben ik ook gestopt omdat mijn ouders het contributiegeld niet konden opbrengen. dws was een uitstekende amateurclub, maar ook een relatief dure. Het was een opluchting toen ik stopte: niet langer kreeg ik mijn teamleider achter mij aan met de vernederende vraag wanneer ik eens met het contributiegeld over de brug kwam.

Nog iets wat mijn ouders nalieten: mij naar uitwedstrijden rijden. Mijn moeder was te druk met de rest van het gezin. Mijn vader had het geld niet altijd om zijn tank vol te gooien. Hetzelfde gold voor de ouders van mijn voornamelijk Turkse en Marokkaanse teamgenoten. Heel soms was er wel een vader met wie we konden meerijden. Maar die had maar plaats voor een paar jongens. Het gebeurde vaak dat maar een deel van ons team vervoer kon regelen naar de uitwedstrijd. Dan werd de wedstrijd afgelast omdat we niet compleet waren.

Mijn clubavontuur mislukte ook omdat jongens wanneer ze alleen zijn ontzettend baldadig kunnen zijn. Als er geen ouder in de buurt is om ze te corrigeren gaan ze zich vanzelf misdragen. Ik was geen vechtersbaasje, mijn teamgenoten ook niet, maar als we de kans zagen om bij een uitwedstrijd te klieren, dan grepen we die met beide handen aan. Ik kan mij nog goed de ongein herinneren – kleedkamers overhoop halen, ballen de sloot in trappen – die ons een slechte reputatie bij de clubleiding van dws opleverde. Uiteindelijk werd mijn team om al deze redenen uit de competitie gehaald. Te slecht, geen betrokken ouders, wanbetalend, onhandelbaar.

Als we de kans zagen om bij een uitwedstrijd te klieren, dan grepen we die met beide handen aan

Moet ik Derksen gelijk geven? Kun je ons Marokkanen inderdaad maar beter niet binnen je club halen als je iets van de oorspronkelijke cultuur en sfeer wilt behouden?

Later ben ik bepaalde zaken bij dws scherper gaan zien. De eerste keer dat wij, Marokkaantjes van twaalf jaar, de kantine van dws binnenstapten viel iedereen stil. Niemand keek ons aan. We moeten zelf aangevoeld hebben dat we er niet gewild waren en uiteindelijk vertrokken we. Dit was dus ‘clubcultuur’. Ik ben daarna maar zelden de kantine binnen geweest. Je moest blijkbaar een bepaald type – oud, blank, snordragend – zijn om je er op je gemak te voelen en niet weggekeken te worden. Het hield me op een bepaalde manier op afstand van de club. Ik was trots op mijn blauw-zwarte dws-shirt en ik trainde er graag, maar de kantine, het hart van de club, was niet het meest vriendelijke terrein voor iedereen die op mij leek.

Medium anp 23784326

Ik kan me ook geen verregaande betrokkenheid van de clubleiding met ons van de D3 herinneren. In dat opzicht leek zij wel op onze ouders. De clubleiding had vooral oog voor de D1. Dat team telde, op Eric na, alleen maar autochtone jongens. Hun ouders waren het soort ouders dat de club graag zag. Betrokken, aanwezig bij trainingen en wedstrijden. Ouders die meedraaiden in het vrijwilligerswerk. Ouders die in de rij stonden om andere spelertjes van de D1 naar wedstrijden te rijden. Ouders die in de kantine hingen.

Een keer, tijdens een trainingsavond, voer een moeder uit tegen een paar clubleiders van dws. Ik weet niet meer in welk team haar zoon speelde, maar het was haar ook opgevallen dat de D1-spelers nooit gebrek aan vervoer hadden. Waarom werd zo’n overschot aan auto’s niet gebruikt om ook de spelers van de D3 op de plaats van bestemming te krijgen? Of waren zij het niet waard?, vroeg de moeder. De clubleiders waren stil en keken beteuterd voor zich uit.

Misschien was het te veel gevraagd om de gebrekkige betrokkenheid en armlastigheid van onze ouders tot het probleem van de D1-ouders te maken. Maar god, wat had het gescheeld als maar één of twee van die D1-ouders ons hadden betrokken bij de clubcultuur en hun mooie, ruime auto’s ook voor ons inzetten.

Kunnen we er zeker van zijn dat dws er alles aan heeft gedaan om mij bij de clubcultuur te betrekken? Is mijn mislukking bij dws echt alleen te wijten aan mijn solistische spel en aan mijn armlastige en weinig betrokken ouders?

Waarom stel ik deze vragen? Ik onderken dat de Marokkaanse aanwas bij voetbalclubs niet altijd vlekkeloos zal lopen. Maar als we van het benoemen zijn, van het onder ogen zien van feiten, dan moet je ook de starre en soms onwelkome cultuur bij voetbalclubs in beschouwing nemen. Marokkanen noch voetbalclubs dragen de volledige schuld voor dit probleem.

Maar kijk mij eens genuanceerd proberen te zijn, terwijl dit hele ‘debat’ werd aangezwengeld door iemand die absoluut niet geïnteresseerd is in nuances. Dit is gewoon de zoveelste oprisping van Derksens Marokkanen-fobie. ‘Ik moet me zien te beheersen, ik mag niet generaliseren, maar ik heb er moeite mee ze niet allemaal over een kam te scheren als kut-Marokkanen’, schreef Derksen in 2007 in Voetbal International. Derksen schreef het artikel na een voetbalwedstrijd tussen Marokko en Nederland waarbij een flink deel van het Marokkaans-Nederlandse publiek zich ernstig misdroeg. Erg zijn best om zich te beheersen of om niet te generaliseren doet Derksen echter niet. Dit schrijft hij een paar zinnen later: ‘Marokkaanse jongeren hebben bij mij, als ervaringsdeskundige, weinig krediet meer.’ Waarna Derksen allerlei voorvallen en ervaringen opsomt die hij bij elkaar voldoende acht om een oordeel te vellen over alle Marokkaanse jongeren.

Is mijn mislukking bij DWS echt alleen te wijten aan mijn solistische spel en mijn armlastige en weinig betrokken ouders?

Het frustrerende aan deze hele zaak zijn niet eens zozeer Derksens discutabele opvattingen over Marokkanen. Het is ook niet de beschamende gang van zaken bij media en politiek die Derksen een gunst verlenen door zijn praatjes tot ‘kwestie’ te bombarderen. Wat frustreert is dat Marokkanen gedwongen worden om erop te reageren. Zij zijn het die moeten vertellen dat Derksen het heus niet bij het rechte eind heeft, dat de zaak echt anders ligt, dat hun argumenten echt niet voor ‘slachtofferschap’ aangezien moeten worden.

Maar tegenwicht aan Derksen moeten leveren is geen dankbare taak, het is een vernederende taak – het komt uiteindelijk neer op het bedelen om wat respect, om wat redelijkheid. Voetbalkenner Derksen maakt tussen twee trekjes aan zijn sigaar door de Marokkanen collectief tot probleem; aan de Marokkanen vervolgens de taak om publiekelijk te bewijzen dat ze echt niet collectief en inherent problematisch zijn. Zei ik dat dat frustrerend is? Ik bedoelde woestmakend.

Derksen is niet de enige ‘opiniemaker’ die Marokkanen geregeld in een hoek dwingt. Iedereen die om aandacht verlegen zit kan ‘een probleem’ met Marokkanen aankaarten. Je zult niet om feiten gevraagd worden. Beweren dat niemand een bepaald probleem met Marokkanen durft aan te kaarten verleent je al een air van geleerdheid. In opiniërend en politiek Nederland wemelt het helaas van zulke geleerde probleemaankaarters. Er gaat geen maand voorbij zonder dat ze Marokkanen op de knieën krijgen, smekend om een waardige behandeling.

Als deze maandelijkse oefening in vernedering al zo’n woestmakend effect op mij heeft, wat doet het dan met Marokkanen die jonger zijn dan ik, die niet een veilig middenklassebestaan in de ruimdenkende grachtengordel als verdedigingslinie om zich heen hebben?

De afgelopen maanden nam ik een paar scp-rapporten door die bij elkaar een inktzwart beeld schetsen van een generatie migrantenjongeren die zich in toenemende mate afgewezen voelt door de Nederlandse samenleving. Het ‘multiculturele debat’ – waar de Johan Derksens van dit land dominant in zijn – ervaren deze jongeren als een uitputtingsslag die al een jaar of vijftien aanhoudt. Het multiculturele debat beschouwen zij als een georganiseerde terechtwijzing waarbij de politiek, media, en de rest van Nederland hun op hoge toon vertellen wat er allemaal niet deugt aan hun religie, cultuur, hun overtuigingen.

De frustratie hierover is het grootst bij de migrantenjongeren die al op grote afstand staan van de Nederlandse samenleving, de jongeren met weinig scholing, met weinig perspectief op de arbeidsmarkt. De ervaren acceptatie onder deze groep migrantenjongeren is door de voortdurende aanvallen op hun etnische en religieuze identiteit in een vrije val terechtgekomen. Dat is vooral goed te merken in een scp-rapport als Werelden van verschil (2015) waarin Turkse en Marokkaanse jongeren aan het woord gelaten worden. Teleurstelling over het vijandige klimaat en afwijzing van de Nederlandse samenleving kleuren hun uitspraken. Hun weerbaarheid is grotendeels gesleten.

‘De weerspiegeling van de maatschappij, ik voel me niet vertegenwoordigd’, zegt een anonieme respondent. ‘Op wie ik ook stem, ik heb het gedaan, maar ik voel me helemaal niet vertegenwoordigd.’

‘Ook het gezeik met de pvv’, reageert een andere respondent, ‘waarom stond er niemand op van al die linkse partijen, om daar kritiek op te leveren en iets van te zeggen en iets aan te doen? Kennelijk kan het allemaal, dus waarom stem ik dan?’

Ik kan de reacties op dit uitspraken al uittekenen. Deze respondenten lijden aan ‘slachtofferschap’, ze zien de zaken niet meer in proportie. Nederland is – ondanks een Wilders en een Derksen – een aangenaam land voor migrantenkinderen.

‘Ze leven in een land waar de virtueel grootste partij wordt aangevoerd door iemand die ‘minder Marokkanen’ wil ‘regelen’

Ik wil deze jongeren niet voorhouden dat alles verloren is, dat Nederland een fundamenteel onleefbaar land is, maar evenmin kan ik ze vertellen dat in Nederland hun waardigheid en zelfrespect te allen tijde gewaarborgd is. Dat kan niet in een land met een minister-president die migrantenjongeren voorhoudt dat ze arbeidsdiscriminatie maar te boven moeten komen door zich in te vechten. Het is moeilijk om ze een gevoel voor proportionaliteit voor te houden als een minister – Edith Schippers – legitimiteit aan Johan Derksens schimpscheuten verleent door te beweren dat Derksen ‘een reëel probleem’ constateert. Ik kan ze hun pessimisme en verslagenheid niet kwalijk nemen, want ze leven in een land waar de virtueel grootste politieke partij wordt aangevoerd door iemand die ‘minder Marokkanen’ wil ‘regelen’. Ze leven in een land waar een triviale tv-persoonlijkheid hen collectief verdacht kan maken.

De verslagenheid onder deze migrantenjongeren haal je niet weg door ze te vertellen dat ze eelt op de ziel moeten kweken. Dat is een gratuit advies dat je alleen over de lippen kunt krijgen als je niet aan de ontvangende kant van de klappen staat. Klappen die uitgedeeld worden door politici en mediafiguren die niet malen om proportionaliteit of medemenselijkheid.

Maar wat nu? Het gevoel van afwijzing en uitsluiting onder migrantenkinderen is gepeild. De effecten van een continue ondermijning van hun eigenwaarde zijn geschetst. Wat is een uitweg uit deze ontmoedigende toestand, en wie moet wat precies doen om daarvoor te zorgen? Grote vragen. Misschien te groot om door mij beantwoord te worden. Ik kan alleen een suggestie opwerpen.

‘Het is belangrijk om te weten of zij (migrantenjongeren – hb) afstand nemen, of op afstand worden gezet?’ stelde minister Lodewijk Asscher toen hij het scp-rapport Werelden van verschil in ontvangst nam. ‘Wenden zij zich uit onwil van de samenleving af of worden ze weggezet – of een combinatie hiervan?’

Dat is een zinnige vraag die een goed antwoord verdient. Ik geloof zelf dat er sprake is van een samenspel van factoren. Ik neem mijn ervaring bij dws als voorbeeld, hoe volstrekt particulier dat ook mag zijn. Naar mijn idee is er wel een dynamiek in te herkennen die voor meer staat. Ik mislukte bij dws door een combinatie van factoren, met mijn solistische spel op de eerste plaats, de geringe betrokkenheid van mijn armlastige ouders op tweede plaats, en de ondoordringbare en soms onvriendelijke voetbalcultuur bij dws op de derde plaats. Er valt zeker een discussie te voeren over welke van de drie factoren de grootste rol speelde in mijn mislukte avontuur. Maar vast staat in ieder geval dat ze alledrie in meer of mindere mate een rol hebben gespeeld. Ik draag schuld, mijn ouders dragen schuld, de voetbalcultuur bij dws draagt schuld. Dit is de eerlijkste analyse die ik kan bedenken. Alleen mij, mijn ouders, mijn achtergrond de schuld geven voor mijn pijnlijke vertrek bij dws is oneerlijk. Alleen de voetbalcultuur bij dws de schuld geven is evengoed oneerlijk.

Dezelfde eerlijkheid moet ook betracht worden in de analyse van de onvrede en frustratie die zo sterk leven onder migrantenjongeren. Hoe zetten deze jongeren zichzelf op afstand van de Nederlandse samenleving, en hoe worden ze op afstand gezet door de Nederlandse samenleving? Deze vragen moeten gesteld worden in de context van een respectvol debat, ver weg van het cynische derksensiaanse ‘benoemen’ dat vooral voortkomt uit een luie en hooghartige minachting voor mensen die allemaal als één pot nat worden beschouwd.

Ook in de context van een respectvol debat kunnen de antwoorden op bovenstaande vragen pijnlijk zijn voor alle betrokken partijen. Maar die antwoorden zullen in ieder geval beter te slikken zijn dan de kwetsende en stigmatiserende praatjes van de horkerige probleemaankaarters.

Misschien ben ik naïef, maar ik geloof echt dat het heilzaam voor iedereen zal zijn als het debat over de multiculturele samenleving deze eerlijke en respectvolle koers gaat varen. Ik wil het geloven, ik moet het geloven. Want er is sprake van een verslagenheid, van een woede en frustratie onder migrantenjongeren die mij de adem doet stokken. Ik haal dat niet alleen uit de scp-rapporten. Ik kom het ook tegen in mijn journalistiek werk, steeds vaker, en steeds meer. Daar moet iets tegenover gesteld worden, een uitweg. Want het idee dat die verslagenheid hand over hand toeneemt en ook vat heeft op de jongste generatie migrantenjongeren is een ontwikkeling die mijn hart breekt.


(Dit is het laatste stuk van Hassan Bahara in De Groene. Volgende maand begint hij als redacteur bij de Volkskrant)


Beeld 1: Pupillen bij voetbalclub SV Nieuw-West op sportpark de Eendracht in Amsterdam Geuzenveld (Marc Driessen / HH)

Beeld 2: Spelers van voetbalvereniging VV Hoograven in Utrecht drinken thee tijdens de rust (Erik van ‘t Woud / ANP)