Interview Francis Fukuyama

«Niemand luistert meer naar mij»

Na de val van het communisme was Francis Fukuyama wereldberoemd. Maar sinds de verdrijving van Hoessein kan hij niet meer praten met zijn neoconservatieve vrienden van weleer. Een interview met een man die niet gelooft in het Iraakse democratiseringsproject van Bush.

WASHINGTON — Zijn laatste artikel verscheen al meer dan een jaar geleden, in een blad met weinig aanzien. Ook via radio en televisie wordt niets meer van hem vernomen. Zijn laatste boek Our Posthuman Future werd lauw ontvangen. Het is stil rond Francis Fukuyama. Het is namelijk misgegaan tussen deze politieke filosoof en zijn bewonderaars in en rond de regering van president George Bush. Zijn opvattingen over de richting van het buitenlandse beleid van de VS braken hem op. Het ongenoegen is wederzijds. «Het zijn nog altijd mijn vrienden, maar het is nu moeilijk voor me om met ze te praten. Ik ben het volstrekt oneens met wat ze aan het doen zijn», verzucht de man die vijftien jaar geleden wereldberoemd werd.

Sinds zijn essay The End of History in het conservatieve blad The National Interest leek er een onbreekbare band te bestaan tussen Fukuyama en politiek rechts. Dat was begrijpelijk. De politieke theoreticus en oud-medewerker van het State Department verschafte de protagonisten van de vrije markt en the American way de zekerheid dat de geschiedenis aan hun kant stond. Fukuyama kondigde immers de eindoverwinning aan van de liberale democratie. Water bij de wijn doen is dom, kritiek is futiel en ideologische amendementen zijn gedoemd te mislukken. De toekomst zal gedomineerd worden door de kleine en vreedzame besognes van de consumerende mens.

Zijn conservatieve vrienden gaven Fukuyama zeshonderdduizend dollar om zijn essay uit te werken tot een boek. Fukuyama nam daarop ontslag bij het State Department, een baan die hem jaren eerder onder Reagan was aangeboden door Paul Wolfowitz, de huidige onderminister van Defensie en de meest uitgesproken exponent van «idealistisch rechts». Het boek sloeg wereldwijd in als een bom. Fukuyama was vanaf dat moment definitief de intellectuele lieveling van Amerika’s gedreven quasi-conservatieven. Toen Wolfowitz onder Bush jr. weer deel ging uitmaken van de regering, werd hij als decaan van de Paul H. Nitze School of Advanced International Studies (SAIS) in Washington opgevolgd door «Frank», zoals Fukuyama in politieke kringen heet. Op zijn beurt tekende Fukuyama in de afgelopen jaren veel van de rapporten die nieuw rechts in conservatieve denktanks uitdokterde. Zoals het Project For a New American Century, waarin een beleid van «militaire kracht en morele helderheid» wordt bepleit en dat de handtekeningen bevat van onder anderen vice-president Cheney, minister Rumsfeld van Defensie, gouverneur Jeb Bush en, natuurlijk, van Paul Wolfowitz.

Maar 11 september 2001 betekende een keerpunt, ook voor Fukuyama. Over de hele wereld werd hij na de aanslagen op de Twin Towers en het Pentagon gezien als de grootste intellectuele verliezer. Zijn profetie van een wereld waarin een combinatie van liberalisme en democratie een onbetwiste ideologische hegemonie zou uitoefenen, leek plotseling een fata morgana: een overmoedig misverstand, voortgekomen uit de overdreven verwachtingen na de ontmanteling van de Sovjet-Unie.

In de tuin van de SAIS staat een permanent aandenken aan die val: een stukje afgebroken muur uit Berlijn. Het vormt tevens de herinnering aan betere dagen die de decaan van de onderwijsinstelling als publieke intellectueel beleefde. In zijn kleine werkkamer hoog in het gebouw legt hij het opnieuw uit, zoals hij de laatste twee jaar al zo vaak heeft moeten doen. De aanslagen doen geen afbreuk aan zijn analyse. Ze vormen slechts de laatste stuiptrekkingen van enkele wanhopige fundamentalisten. Hij had het einde van de ideologische strijd aangekondigd, van de geschiedenis met de grote G, niet van de kleine verhalen en de gestage opeenvolging van gebeurtenissen. Nooit had hij beweerd dat de mensheid geen getuige meer zou zijn van «indrukwekkende evenementen». Als je van een grotere afstand kijkt, is 11 september een rimpeling, niet de donderslag die de Amerikaanse politiek ervan maakt.

Hoe abstract zijn analyse ook is, toch heeft ze voor- en tegenstanders in de wereld van de praktische politiek. In zijn verklaring daarvoor is Fukuyama — wellicht door de politieke breuk met zijn voorganger Wolfowitz — opvallend eerlijk.

Francis Fukuyama: «Voor Wolfowitz en andere neoconservatieven was het prettig dat mijn boek geen concrete aanwijzingen bevat voor een te voeren buitenlands beleid. Dus kun je samen geloven in een soort algemeen principe, waaruit je verschillende conclusies kunt trekken. Afgelopen zomer verscheen in Policy Review een artikel van Ken Jowitt met een aardige en juiste analogie. Jowitt beweert dat ik voor Wolfowitz ben wat Marx was voor Lenin. Het moderniseringsproces dat ik waarneem, is een langzame sociaal-economische ontwikkeling die in verschillende tempi overal over de wereld plaatsvindt. Maar anders dan Wolfowitz ben ik uiterst sceptisch over de mogelijkheden om dit proces te versnellen. Ik denk dat het gebruik van militaire macht zelden kan bijdragen aan de ontwikkeling van democratische instituties.»

De vergelijking met Marx is zo gek nog niet. Net als die van Marx had de ijzeren dialectiek van Fukuyama gelovige aanhangers en fervente vijanden. Niet zonder leedvermaak kopte het linkse weekblad The Nation kort na 11 september groot op de cover «Het einde van Fukuyama». De gelovigen raakten daarentegen niet ontmoedigd. Maar in conservatieve denktanks als het American Enterprise Institute werd na 11 september wel geconcludeerd dat Fukuyama’s tijdsplan, hoe accuraat ook, te veel geduld vroeg. De geschiedenis, zo concludeerde vervolgens ook de regering-Bush, vereist een doelbewuste organisatie en actief leiderschap. Nationaal veiligheidsadviseur Condoleezza Rice zei dat Irak leefde op «geleende tijd». Tijd die de geschiedenis het land eigenlijk niet meer hoorde te geven. De geschiedenis moest een handje worden geholpen.

Maar zijn het niet veeleer realisten dan idealisten in de regering-Bush? Gelooft deze regering werkelijk in de vestiging van een levensvatbare democratie in Irak, met een domino-effect op de omringende landen? De van oorsprong Nederlandse kenner van het Amerikaanse buitenlandse beleid Ivo Daalder, verbonden aan het Brookings-instituut, maakt de laatste weken furore met een boek waarin hij onder meer beweert dat «idealisten» als Wolfowitz vrijwel alleen staan in de regering. Die zou gedomineerd worden door realistische machtspolitici en klassieke conservatieven.

Fukuyama: «Onzin. Er zijn talrijke invloedrijke figuren in en rond de regering die werkelijk geloven in het versnellen van een wereldwijd proces van democratisering. Ze dachten ook echt dat de Irakezen de Amerikanen met open armen zouden ontvangen. Cheney heeft dat letterlijk zo gezegd vlak voor de invasie. Democraten als Daalder willen ideologische bevlogenheid in het buitenlandse beleid voor henzelf reserveren. De anderen zijn allemaal machtspolitici. Maar zo makkelijk is het niet. Misschien ben ik er wel sterker van overtuigd dan hij dat deze regering een ramp is voor het land. Want ik ken hun drijfveren.

Zelf ging ik schoorvoetend akkoord met de oorlog, omdat ik werkelijk geloofde dat Hoessein de beschikking had over massavernietigingswapens. En eerlijk gezegd, ik ben enorm verbaasd dat hij die niet blijkt te hebben. Ik sta daarin overigens niet alleen. Ook vele gezaghebbende beleidsmakers waren overtuigd van Hoesseins mogelijkheid tot destructie, hetgeen Europese critici maar moeilijk kunnen accepteren.»

Nog verbaasder dan over de afwezigheid van die wapens is Francis Fukuyama over het ontbreken van een naoorlogse strategie. «De regering moet echt hebben gedacht, hoe naïef ook, dat het zou gaan als in Oost-Europa. Dat als je de politieke top vervangt, alles zich verder vanzelf regelt. Nu is er paniek in het Witte Huis. Het enige wat ik momenteel kan doen, is proberen de regering en de belangrijkste ambtenaren in contact te brengen met de National Endowment for Democracy, waarvan ik in de board of directors zit. In die organisatie komt een enorm netwerk bijeen van politicologen en rechtsgeleerden die hebben nagedacht over het creëren van democratische instituties.

Het is jammer dat de regering mij eerder nergens bij geraadpleegd heeft, want de afgelopen maanden heb ik juist onderzoek verricht naar staatsvorming en nation building. In het voorjaar verschijnt daarover een nieuw boek. Mijn belangrijkste conclusie is dat het erg moeilijk is politieke en culturele instituties te exporteren. En dat het heel kostbaar is. Als je de geschiedenis van de pogingen daartoe bestudeert, zou je wel eens erg voorzichtig kunnen worden.»

Dat Fukuyama niet naar deze inzichten is gevraagd, heeft opnieuw alles met 11 september te maken. Hoewel de gebeurtenissen die dag dus geen afbreuk deden aan zijn intellectuele reputatie onder zijn politieke vrienden, schreef hij in de dagen direct na 11 september een artikel dat ze hem niet in dank afnamen. Dat deed hem de das om. Het verscheen op 14 september 2001 in The Financial Times en werd wereldwijd overgenomen door leidinggevende dagbladen. Hij voorspelde dat de Verenigde Staten door de aanslagen een «normaler land» zouden worden, «minder egocentrisch» en «met concrete belangen en heuse zwakke plekken, in plaats van een land dat denkt in zijn eentje te kunnen uitmaken in wat voor wereld het leeft». «Er zijn redenen om aan te nemen dat deze tragedie de Amerikaanse samenleving sterker en hechter verenigd zal maken in eigen land, en constructiever in haar betrekkingen met het buitenland.» De aanslagen noemde Fukuyama «een heilzame les». Het artikel bevatte zelfs een pleidooi voor herwaardering van de staat, want «Microsoft of Goldman Sachs zullen geen vliegdek schepen of F16’s naar de Golf sturen om Osama bin Laden op te sporen».

Behalve dat Fukuyama blijk gaf weinig inzicht te hebben in de regering-Bush — als voorspelling is het artikel waardeloos — vloekte hij ermee in zijn eigen kerk.

Fukuyama erkent nu dat alles anders gelopen is dan hij dacht: «Er is sinds 11 september niets gebeurd wat ook maar enigszins positief is. De regering heeft totaal overgereageerd op de aanslagen. Ze hebben het beleid volstrekt gemilitariseerd. Ook heeft de oorlog in Irak niets te maken met de terroristen problematiek. In vele opzichten heeft deze regering alleen maar nieuwe problemen gecreëerd.»

Fukuyama was al betrokken bij een ander beleidsterrein. Hij zit in de adviesraad van de regering voor biotechnologie. In zijn laatste boek, Posthuman Future (in het Nederlands vertaald als De nieuwe mens) vraagt hij om strenge wetten op het gebied van de biogenetica. Dat is belangrijk om de profetie in The End of History niet in gevaar te brengen. Want in zijn revitalisering van Hegels dialectiek zag Fukuyama de menselijke natuur als een onveranderlijk gegeven. Nieuwe ontwikkelingen op het gebied van de genetica toonden aan dat dit een vergissing was, schreef Fukuyama in De nieuwe mens. Zolang de wetenschap sleutelt aan de natuur van de mens, via genetische manipulatie en neurofarmacologische middelen, kan de aard van het politieke proces veranderen en is de geschiedenis nog niet ten einde. Om haar eigen eindoverwinning niet in gevaar te brengen, moet juist de liberale democratie paal en perk stellen aan biotechnologische ontwikkelingen. Voordat het te laat is. Niks vrijheid blijheid. Want: «Wellicht komt regelgeving rond menselijk klonen pas van de grond wanneer er een gruwelijk misvormd kind ter aarde is gekomen als product van een mislukte poging tot klonen.»

Fukuyama luidde deze noodklok in 2002. Nog geen jaar later blijkt zijn doemscenario enigszins voorbarig. Er zijn in Amerika al vergaande maatregelen genomen tegen verder onderzoek op dit gebied. De Amerikaanse regering is zelfs strenger dan Fukuyama’s adviescommissie.

Fukuyama is gelaten: «Ik zei je toch al: ze luisteren niet meer naar mij. Als het aan mij had gelegen, had de regering alleen ingezet op een wereldwijd verbod op klonen, niet op het dupliceren van menselijke embryo’s om stamcellen te kunnen gebruiken voor bepaalde medische toepassingen.»

In de Verenigde Naties lagen afgelopen maand twee resoluties ter tafel. De ene, gesteund door Amerika, voorziet in een totaal verbod op alle vormen van onderzoek naar menselijk klonen. Een tweede resolutie laat de mogelijkheid open onderzoek te verrichten waarin gekloonde embryo’s materiaal kunnen leveren voor medische doeleinden. Beide resoluties maken verder onderzoek naar de genetische manipulatie van mensen onmogelijk. «Maar mijn doemscenario is hiermee niet verouderd. Allerminst. Je moet niet vergeten dat door de impasse in de algemene vergadering van de VN een beslissing opnieuw is uitgesteld. Terwijl er sinds het verschijnen van mijn boek nieuwe ontwikkelingen zijn die regulering alleen maar urgenter maken. Verschillende mogelijkheden die ik bespreek en die destijds nog onmogelijk waren, zijn inmiddels realiteit. Het is nog niet echt doorgedrongen tot het grote publiek, maar uit recent onderzoek blijkt steeds sterker dat stamcellen bijzonder flexibel zijn, waardoor je van alles aan mensen kunt veranderen.»

De overheersende kritiek op De nieuwe mens was dat Fukuyama zich wel erg ver buiten zijn vakgebied had begeven. In Nederland verklaarde moleculair bioloog Hans Galjaard publiekelijk dat hij het boek niet ging lezen. «Ik twijfel erg over de nauwkeurigheid van Fukuyama’s biotechnologische kennis», zei Galjaard. En zijn collega Ronald Plasterk, die het boek wel las, concludeerde dat de Amerikaan op vele manieren de mist in gaat. Natuurlijk zijn dergelijke reacties te verwachten als je er altijd op uit bent de grote thema’s van de mensheid bij de horens te pakken. De filosoof en journalist Anthony Gottlieb noemde Fukuyama in The New York Times «een analist die, intellectueel gesproken, niet voor minder uit zijn bed komt dan voor de ‹all-encompassing grand sweep of history›». Dat is te prijzen. In de door specialismen gedomineerde universitaire wereld ontbreekt het nog wel eens aan groots opgezette toekomstvisioenen.

In zijn laatste artikel doet Francis Fukuyama het niet voor minder en waagt hij zich weer aan apodictische wetenschap. In een wilde analyse ziet Fukuyama opnieuw een dialectische ontwikkeling, hoewel dit keer niet de hele mensheid en haar toekomst het onderzoeksterrein vormt, maar slechts het Midden-Oosten. Titel: Can Any Good Come of Radical Islam? in het septembernummer van Commentary, een conservatief en zeer pro-Israëlisch tijdschrift. Alleen met het vraagteken dekt Fukuyama zich nog enigszins in.

Francis Fukuyama: «Mijn stelling is dat juist de gewelddadige tegenbeweging van terroristische organisaties als al-Qaeda de weg bereidt naar de moderniteit. Ik zag een groot misverstand ontstaan over de rol van cultuur en religie bij radicaal-islamitische terreurgroeperingen. Je moet de terroristen niet zien als de belichaming van basale islamitische principes, van een onvervalste expressie van religiositeit. Al-Qaeda is van begin tot eind een politieke beweging die veel van haar retoriek, methodes en organisatorische principes leent van politieke bewegingen uit de Europese twintigste eeuw, zoals nazisme en communisme. De terroristen gebruiken religie slechts als een bron van inspiratie en als legitimatie. In de politieke islam gaat het om politiek, niet om de islam. Indirect is al-Qaeda ook een moderniserende beweging. Zij zet zich af tegen allerlei traditionele vormen van islam. Net zoals het nazisme de oude Pruisische staat en haar Junker- cultuur vernietigde, willen de islamitische terroristen afrekenen met traditionele instituties in de islamitische wereld.

Natuurlijk is dit niet een erg prettige weg naar moderniteit, dat zeg ik er ogenblikkelijk bij. Ik verkies de directe route. Maar het eindproduct van dit proces is waar ook het Westen op uit is. Kijk naar Iran. Daar zorgden radicale islamieten voor een groot saneringsproces. Ze kregen er de macht in handen en al snel kwamen de burgers ertegen in opstand. Inmiddels heeft het land kiesrecht voor vrouwen en is er een hervormingsbeweging op gang gekomen die ondenkbaar is in veel andere islamitische landen. Natuurlijk, de bezetting van buurland Irak zal een vertragend effect hebben, maar de geest gaat niet meer terug in de fles. En ja, natuurlijk is mijn analyse pas op de langere termijn hoopgevend. Wie weet wat er nog gebeurt voordat de Arabische landen zich hebben aangepast aan de postindustriële samenleving.»

In deze recent door hem ontwikkelde variant op de Verelendungs-theorie hanteert Fukuyama een abstractieniveau dat hem zo ver van de tastbare wereld voert dat hij moeilijk is te kritiseren. Alle tegenwerpingen met verifieerbare feiten en omstandigheden in het Midden-Oosten ontkracht Fukuyama door te wijzen op grotere verbanden. Net als in The End of History. Daarin volgt hij Alexandre Kojève, wiens werk hij leerde kennen via zijn leermeester Allan Bloom aan de universiteit van Chicago. In navolging van Hegel meende de marxist Kojève dat de ideologische strijd eigenlijk al was gestreden in 1806, toen Napoleon de troepen van Oostenrijk en Pruisen versloeg.

Dit is moeilijk uit te leggen aan de nabestaanden van de shoah en van Goelag, maar ook Fukuyama kan de verleiding van deze dialectiek niet weerstaan. Hij kijkt zo ruim naar politieke gebeurtenissen dat communisme, fascisme en andere totalitaire samenlevingsprincipes slechts schakels worden van een dialectisch proces dat uiteindelijk leidt tot een wereld waarin slechts de competitie tussen individuen en de ontwikkeling van wetenschap tot enige reuring kunnen leiden.

Met de profetieën van Fukuyama kom je naargeestig dicht in de buurt van een bewering als «God bestaat». Wat heeft een mens aan theorieën die niet te bevestigen noch te weerleggen zijn?

Fukuyama: «U beschouwt mij als een theoreticus. Maar zo zie ik mezelf helemaal niet. Het grootste deel van mijn leven bracht ik door met beleid in instellingen als de Rand Corporation en het ministerie van Buitenlandse Zaken. Ik hou me bezig met praktische kwesties. Mijn huidige baan en de politieke situatie van het moment dwingen me om me opnieuw actief te verdiepen in een verstandige buitenlandse politiek. Ik beschouw mezelf absoluut niet als filosoof. Daarom was het bijzonder dat ik na de verschijning van Het einde van de geschiedenis plotseling als theoreticus serieus genomen werd. Dat zegt overigens vooral iets over de beroerde staat van de aan universiteiten bedreven filosofie. Ik wist dat natuurlijk al lang. Maar het was aardig dat ik zelf kon aantonen dat academische filosofen de laatste decennia helemaal zijn vastgedraaid in stompzinnige debatten over niets: gedegenereerd heideggeriaans gedoe en andere intellectuele kuiperijen. De filosofie is gevangen genomen door identiteitskwesties en de politieke theorie is lamgeslagen door de politieke correctheidscultus. Er zijn geen serieuze filosofen meer die zich met werkelijk belangwekkende vraagstukken bezighouden, zeker niet in Europa. Het is pure decadentie: het interesseert ze geen bal wat er in de wereld gebeurt. Ze leggen de krant ongelezen weg en concentreren zich op ingewikkelde cryptogrammen. Dat is treurig maar waar. En ook gevaarlijk voor de wereld.»