Niemand om te troosten

Het is onverteerbaar dat sommige Gouden Griffel-winnaars niet meer in de schappen liggen. Gelukkig is Josje eindelijk terug.

Het is tijd voor een vaccin tegen het bestsellervirus, zodat al die overbodige boeken van nieuwe overbodige schrijvers een halt kan worden toegeroepen. Daarover zijn velen in de boekenwereld het langzamerhand wel eens. Vraag is vervolgens waaraan het geld dat bespaard wordt het best kan worden besteed. Aan meer titels van enkele echt nieuwe schrijftalenten? Aan meer nieuwe titels van de oude garde? Of aan meer herdrukken?
In de kinderboekenwereld wordt gepleit voor het laatste. Zoveel werd duidelijk tijdens de Middag van het Kinderboek afgelopen najaar, nadat eerder al Sjoerd Kuyper in zijn alarmerende Annie M.G. Schmidt-lezing over de belabberde status van het kinderboek had gesteld dat het ‘onverteerbaar’ is dat ieder jaar een klassiek Nederlands jeugdboek in 'het afvoerputje van het nieuwe uitgeven’ verdwijnt.
Kuyper heeft gelijk. Althans, gedeeltelijk. Dat van de Gouden Griffels uit de jaren negentig ongeveer eenderde niet meer te krijgen is, is merkwaardig. Dat de Gouden Griffel-winnaar van zes jaar geleden nu al niet meer leverbaar is, is onbegrijpelijk. En dat titels als Voor altijd samen, amen en Zwart als inkt van grootheden Guus Kuijer en Wim Hofman uit de schappen zijn gehaald is inderdaad 'onverteerbaar’.
Toch zijn ze er wel, de 'allejezus sjiek uitgegeven’ boeken, de klassiekers zoals Kuyper ze wenst: prijzig, gebonden en met leeslintje. Denk aan de karakteristieke donkerrode linnen ruggetjes van de Biegel-bibliotheek, waarvan binnenkort het elfde deel, Paul Biegels onvergetelijke De tuinen van Dorr, verschijnt; de fraaie heruitgave van Jean Dulieus’ Paulus en de eikelmannetjes (1965) en het tweede deel van de Toon Tellegen-bijbel Iedereen was er. Maar dat is niet alles: verdienstelijke hertalingen van De kinderkaravaan (1949), Lawines razen (1954) en Rossy, dat krantenkind (1952) hebben An Rutgers van der Loeff 'teruggebracht’. En wat te denken van de verfilmingen van Oorlogswinter (1972, Jan Terlouw), De scheepsjongens van Bontekoe (1924, Johan Fabricius), De brief voor de koning (1962, Tonke Dragt) en Iep! (1996, Joke van Leeuwen), die 17 februari in première gaat? Zeker, de ware cultuurminnaar zal de goedkopere filmeditie met enig dédain de prullenbak inschuiven. Maar laat hem terwijl hij dit doet niet vergeten dat juist toegankelijke uitgaven - herkenbaar en betaalbaar - verhalen werkelijk levend houden.
Welke kinderboeken van vroeger zijn het eigenlijk waard te behouden? En waarom? Moeten we onszelf niet ook hoeden voor jeugdboeken die zichzelf ooit al bewezen hebben? Het gevaar dat jeugdsentiment bepaalt welk boek een klassieker wordt is reëel. Soms is de uitgever zich daarvan bewust. Het malle ding van bobbistiek waarmee Leonie Kooiker in 1971 een Gouden Griffel won is wat betreft avontuurlijk uitgangspunt en personages zeker een herdruk waard: wie zal niet willen meereizen in het vliegende ei van de dromerige Bobbie en zijn huttenbouwende broer Albert, dat is gemaakt van 'klei, zeep en toverkracht’? Wie denkt niet: wat een knappe uitvinding eigenlijk, die bobbistiek? Wie weet nu niet 'dat je met niemand zo'n ruzie kan maken als met je eigen broer’ en dat 'de meeste moeders volkomen onredelijk worden, zo gauw ze denken dat iets gevaarlijk is’? De stijl is echter te veel jaren zeventig van de vorige eeuw: weinig beeldspraak, weinig poëzie, weinig taligheid. Dat Leonie Kooiker, inmiddels 82 jaar, het verhaal daarom geheel heeft herzien zodat het opnieuw de wereld kan worden ingestuurd, is lovenswaardig.
Volledig terecht is ook de terugkeer ruim een jaar geleden van Meester Pompelmoes, Joachim de Geleerde Kater en Gerrit de Tuinkraai in Het grote boek van Meester Pompelmoes. De verhalen die dichter Hans Andreus schreef over de waardige, maar luchthartige toverschoolmeester zijn nog steeds even humorvol, fantasie- en woordenrijk als toen de tien Pompelmoes-bundels verschenen (1965-1976). De onverstaanbare mompelpoes van Pompelmoes zal net zo min verjaren als het door Pompelmoes 'weggelachen grapje’ dat zich vervolgens verschuilt omdat 'het zeker grappig wil wezen’. En was Andreus niet duurzaam modern door zijn excentrieke meester in een milieuvriendelijke auto te laten rijden die op 'liedjes loopt’: de Doremi?
Maar, in tegenstelling tot het Pompelmoesboek overtuigt de nieuwste Andreus-bundel De laatste tovenaar veel minder. Natuurlijk, de redevoering van 'marketeer’ Pepijn over 'de dwaasheid van het ’s morgens opstaan’ kan zo naar onze tijd worden getild en het idee van 'een straat op stelten’ om de wereld van een andere kant te bezien is onveranderlijk goed. Helaas zijn niet alle twintig verhalen voldoende sprankelend. Al lezende bekruipt je het gevoel dat dit typisch zo'n boek is dat te veel vanuit cultuurhistorische weemoed is herboren.
Uiteindelijk moet de noodzaak van een herdruk de unieke optelsom van taal en verhaal zijn: in iedere tijd dat een boek gelezen wordt, moeten plot, vertelstem, toon en stijl kunnen prikkelen, verrassen en verontrusten.
Wat een geluk daarom dat Josje van Sjoerd Kuyper eindelijk terug is. Zelden zo'n tijdloos, integer en poëtisch sprookje gelezen over de liefde voor het leven die niet los van de dood kan worden gezien. Kuyper bezingt de lente, zomer, herfst, winter en opnieuw de lente. Vanuit zijn ziel. Het is niet verwonderlijk dat hij Josje 'een van zijn fijnste boeken’ noemt: hierin is de stem van 'Kuyper de kinderboekenauteur’ en 'Kuyper de dichter’ één en dezelfde.
Josje is een meisje dat is geboren uit zonnegloren en op een dag op de rug van een witte zwaan het leven 'binnendrijft’. Ze wordt grootgebracht door 'Sanders de oude timmerman’ totdat hij doodgaat. Ze wordt verliefd op een soldaat, krijgt een zoon, haar soldaat sterft, ze wordt oud en 'verbaast zich erover hoe klein de tijd is’.
Tijdens haar leven droomt ze haar dromen vol verlangens en verborgen angsten. Ze leert de dood eerst kennen als 'nooit meer’, maar beseft later dat liefde levend houdt en dat herinneringen zonder verdriet niets waard zijn: 'Je kunt strelen, maar als er niemand is om te strelen, verdwaalt je hand in de lucht. Je kunt troosten, maar als er niemand is om te troosten, varen je woorden weg op de wolken die van geen troost willen weten. Je kunt leven, maar als er niemand met je meeleeft, leef je niet.’ Josje is ontstaan vanuit een grote verbeeldingskracht en innerlijke schrijfdrang. Dat voel je en dat maakt Josje 'voor altijd’. 