Toenemend medicijngebruik bij kinderen

Niemand schuldig, iedereen ziek

Het aantal kinderen met een psychiatrische diagnose is in de westerse wereld explosief aan het stijgen. De zorgvraag ook. Wat is er met de jeugd aan de hand?

Medium kindermedicalisering1b

Op de school van Gijs (10) zijn ze ervan overtuigd dat hij autistisch is en van school af moet. Maar zijn vader, Roeland van Hoof, gelooft er niets van. ‘Hij gaat graag naar school en heeft heel veel vriendjes met wie hij regelmatig logeerpartijtjes over en weer heeft. Thuis merken wij ook niets vreemds. Ouders van vriendjes zijn juist positief over Gijs. Ze vinden hem aardig, een rustig jongetje. Hij heeft het zelf naar zijn zin op school, maar de docent heeft het blijkbaar niet naar haar zin met hem.’ Van Hoof voelt zich gedwongen zijn zoontje van school af te halen.

Hij vertelt er bewogen over aan de telefoon en kan nog steeds niet geloven dat het zo ver gekomen is. Al drie jaar geleden meldde de docent van de school, een elitaire Montessorischool in een rijke gemeente, dat het vermoeden bestond dat Gijs autistisch is. Gijs was een storende factor, praatte door de juf heen, zat met zijn pen te tikken op tafel. De docent raadde dringend een test aan. Het gedrag zelf werd verder nooit besproken. Het ging alleen maar om het dringende advies om hem te laten testen. Gijs kreeg wel een IQ-test waar hij uitstekend op scoorde, maar een test voor autisme ging Van Hoof veel te ver. ‘We werden in elk gesprek aangevallen, omdat we hem niet wilden laten testen. Wij denken zelf namelijk dat hij zich ontwikkelt tot gewoon mens en willen hem niet belasten met een label. Zo’n etiket heeft namelijk allemaal gevolgen voor zijn opleiding, voor verzekeringen, voor van alles en nog wat.’

De school bleef aandringen en adviseerde op een gegeven moment zelfs om Gijs naar het speciaal onderwijs te sturen. Van Hoof was het er niet mee eens. Uit een grootscheeps onderzoek van de Onderwijsinspectie uit 2011-2012 bleek bovendien dat nog geen twee procent van de kinderen in het speciaal onderwijs doorstroomt naar havo of vwo. Een identieke groep kinderen, met dezelfde problematiek, ging al dan niet met rugzakje naar het regulier onderwijs. Van deze groep stroomde één derde van de kinderen door naar havo of vwo. ‘Nogal een groot verschil, niet?’ aldus Van Hoof.

Als medisch bioloog vindt Van Hoof het onbegrijpelijk dat de medische wetenschap en het onderwijs zo met elkaar vervlochten zijn geraakt. ‘We hebben het hier ook niet over een fysieke diagnose. Bij geen enkele van deze stoornissen is aangetoond wat de oorzaak is. Het is gewoon een lijst met criteria en als je aan zes van de negen voldoet, dan heb je de “aandoening”. Die criteria zijn volledig subjectief. Een kind zit niet vaak stil. Wat is precies “vaak”? Of een kind is te druk. Wat is “te”? Natuurlijk zijn er kinderen bij wie heel duidelijk iets mis is. Maar daarna volgt een heel groot grijs gebied.’

De leraar moet niet op de stoel van de psychiater gaan zitten, maar dat gebeurt in de praktijk soms wel. Ouders voelen zich gedwongen mee te werken aan het stellen van een diagnose, en, in het geval van adhd, tot het geven van medicatie. Dit was ook de strekking van het onderzoek van televisieprogramma De monitor over de ‘adhd-epidemie’. Het programma leidde zelfs tot Kamervragen van d66-Kamerleden Pia Dijkstra en Vera Bergkamp. De noodklok wordt geluid en het is duidelijk wie de schuld krijgt: de leraar en de school. Maar de oorzaken van de medicalisering van kinderen zijn niet opgelost met het aanwijzen van een schuldige. Het probleem is veel gecompliceerder.

Het omgekeerde komt ook regelmatig voor: ouders die aandringen op een diagnose, terwijl de psychiater er niet aan wil. Floor Scheepers, afdelingshoofd (kinder- en jeugd)psychiatrie aan het UMC Utrecht, vertelt over een meisje van vijf jaar dat werd aangemeld voor een third opinion. Een dik dossier werd van tevoren opgestuurd. Als driejarige was ze voor het eerst op de polikliniek geweest bij een autisme-expert, omdat de ouders aangaven dat ze niet goed luisterde. Ze dachten aan autisme. ‘In de brief las ik terug dat het meisje een gespannen indruk maakte, angstig was en vooral in het bijzijn van ouders weinig contact maakte, maar dat ze wat ontdooide als ze alleen met de onderzoeker was. De conclusie die getrokken werd, was een angststoornis nao (‘niet anders omschreven’) en een ouder-kindrelatie-probleem.’

Medium kindermedicalisering2

Het advies was ouderbegeleiding te starten. Uit de informatie kon echter worden opgemaakt dat de ouders niet waren begonnen met ouderbegeleiding, maar via de huisarts bij een psychologenpraktijk terecht waren gekomen voor nadere diagnostiek. Ook hier werd weer van alles onderzocht; het meisje was inmiddels vier. Conclusie: forse angstklachten, depressieve stemming, problemen in interactie met de ouders. Advies: speltherapie en ouderbegeleiding. De ouders waren kennelijk niet tevreden, want zij vroegen om een third opinion.

‘Toen ze kwamen’, vertelt Scheepers, ‘was het eerste wat ze zeiden in het bijzijn van hun inmiddels vijf jaar oude dochtertje: “Ons kind heeft autisme, kijk dan zelf, alleen niemand ziet het.” Het kind werd onderzocht met en zonder ouders. Het wanhopige maar ook dwingende appèl dat ouders deden op de onderzoeker om eindelijk de verlossende diagnose autisme te stellen was voelbaar in de kamer. Het viel op dat de interactie met het meisje stressvol was en gericht op alles wat mogelijk afwijkend zou kunnen zijn. Het meisje zelf was extreem gespannen, likte constant met haar tong over haar lippen en had daardoor een grote schrale rode plek onder haar lip. Toen de ouders de kamer uit waren ontspande ze een beetje. Ze maakte oogcontact, lachte om een grapje en kwam schoorvoetend dichter bij de onderzoeker.’

Er volgde een moeilijk gesprek met de ouders waarin werd uitgelegd dat er onvoldoende aanwijzingen waren voor autisme. Het advies was te beginnen met ouderbegeleiding en vooral voorlopig geen diagnostiek. Dat laatste werd expliciet in de verwijsbrief opgenomen. De ouders wilden per se naar een kinder- en jeugdpsychiatrische instelling worden verwezen en dat gebeurde dus ook. Het is de gewoonte om een verwijzer te informeren over de voortgang van de behandeling. Een jaar later kwam de brief. ‘En wat schetste mijn verbazing? In de brief stond dat na uitgebreid onderzoek geconcludeerd was dat er sprake was van een autisme spectrum stoornis. Behandeling was nog niet gestart maar zou gericht worden op psycho-educatie gericht op autisme en in de slotzin stond genoteerd: “Ouders zijn enorm opgelucht dat er eindelijk duidelijkheid is gekomen, dat eindelijk hun problemen serieus zijn genomen en er erkenning is voor de handicap van hun dochter.”’

Helaas is deze casus geen uitzondering. Volgens Scheepers zijn we zo druk met het classificeren van symptomen in herkenbare categorieën dat we soms vergeten dat symptomen in de psychiatrie geen causale metingen zijn maar slechts signalen die veroorzaakt kunnen worden door verschillende onderliggende problemen. Zo ziet zij dat er bij het stellen van al die diagnoses vaak te weinig aandacht is voor gezinsomstandigheden en gezinspatronen. ‘Zijn we zo druk met het tevreden stellen van ouders dat we voorbijgaan aan de rol die ouders soms zelf kunnen hebben? Zijn we zo bang om te worden weggezet als jarenzeventigpsychiater die de schuld van autisme gaf aan de “koele ijskastmoeder”?’ Het gevolg van deze houding is dat bijvoorbeeld kindermishandeling, vooral in de vorm van emotionele verwaarlozing, niet altijd wordt gesignaleerd. Of dat psychiaters het wel vermoeden, maar er niet de vinger op kunnen leggen. ‘Het is makkelijker om het kind in zorg te nemen dan om het hele systeem aan te pakken.’

Scheepers maakt zich grote zorgen over de gevolgen van psychiatrische labels voor deze kinderen. ‘Voor de rest van hun leven hangt er een soort raar rugzakje aan hen. Door die kinderen te vertellen dat ze een hersenziekte hebben geef je aan dat er iets mis is in hun hoofd. Moet je je voorstellen wat voor gevolgen dat heeft voor de ontwikkeling van je identiteit!’ Daarnaast kan het beangstigend zijn voor een kind om te zien dat ouders je niet kunnen helpen, maar dat er een expert nodig is voor jouw problemen. ‘Bij diagnoses als autisme en adhd gaat het om een glijdende schaal’, zegt Scheepers. ‘Aan de extreme uiteinden is het duidelijk dat er iets moet gebeuren. Maar daarna volgt een groot grijs gebied en veel kinderen zitten in die middenbak.’

Tussen 2003 en 2013 is het aantal kinderen in Nederland dat ritalin slikt verviervoudigd

Een flink deel van al die kinderen met een psychiatrische diagnose slikt medicijnen. Tussen 2003 en 2013 is het aantal kinderen in Nederland dat ritalin slikt (een medicijn dat wordt gebruikt voor de behandeling van adhd) bijvoorbeeld verviervoudigd. Een studie van de World Health Organization (who) wijst uit dat tussen 2005 en 2012 het aantal kinderen dat antidepressiva slikt in Nederland met 17 procent is gestegen. In Duitsland is de toename 49, in het Verenigd Koninkrijk 54 en in Denemarken zelfs 60 procent. Scheepers begrijpt heel goed dat medicijnen als ritalin kunnen helpen bij extreme onrust en zij schrijft ze zelf ook voor. Maar ze maant tot voorzichtigheid: ‘Kinderen kunnen er allerlei bijwerkingen van krijgen: een verhoogde kans op depressie, veranderde eetlust, allerlei tics. Het zijn geen snoepjes.’

Het komt dus allebei voor. Ouders die een label eisen van de psychiater en scholen die een label eisen van de ouders (via de psychiater). Volgens hoogleraar Micha de Winter is de medicalisering van kinderen echt ingewikkeld, een zogenaamd ‘wicked problem’. Aan de telefoon legt hij uit hoe dat ‘pingpongspel’, die cultuur waarin we elkaar gevangen houden, volgens hem tot stand is gekomen.

Aan de ene kant heb je de ratrace van individuele ouders die de druk voelen om hun kinderen zo goed mogelijk te laten presteren. ‘Maar heel weinig ouders kunnen zich hier écht aan onttrekken, zelfs al zouden ze het willen’, zegt De Winter. ‘Voor de beste vervolgopleidingen is het nu eenmaal een afvalrace. En als jij niet voor je kind opkomt, wie doet het dan?’ In de praktijk zijn kinderen heel verschillend, maar dat vinden we niet leuk als blijkt dat het hun kansen in die ratrace verlaagt. ‘Dus hebben we een soort taal, een denkwijze ontwikkeld waar we die verschillen zijn gaan aanduiden met stoornissen of afwijkingen.’

Aan de andere kant zijn de scholen steeds meer in een afrekencultuur terechtgekomen. Ze moeten aan allerlei eisen voldoen, moeten ‘opbrengstgericht’ en ‘transparant’ werken en bijdragen aan de ‘kenniseconomie’. De Winter: ‘Scholen hebben veel belang bij goede eindresultaten van hun kinderen. De scores komen rechtstreeks op hun conto. Daarom zijn de niet zo makkelijke kinderen (die er overigens altijd zijn geweest) een sta-in-de-weg geworden voor de goede resultaten van de school.’

Sinds de invoering van de Wet passend onderwijs is hier nog eens bijgekomen dat scholen ‘zorgleerlingen’ zo veel mogelijk in de klas moeten houden en niet meer laten uitstromen naar het speciaal onderwijs. Uit een recent onderzoek van de Dienst Uitvoering Onderwijs blijkt echter dat de meerderheid van de leraren – 75 procent in het basisonderwijs en 68 in het voortgezet onderwijs – problemen ervaart bij de uitvoering van die wet en deze niet ziet als een oplossing voor kinderen met gedragsproblemen.

‘Medicalisering is een prachtige oplossing voor al die problemen’, zegt De Winter. ‘Niemand is meer schuldig, want het kind “heeft iets”. Het is de ideale uitweg om iedereen van alle schuld te verlossen. Het idee achter de Wet passend onderwijs is dat we het onderwijs passend maken voor alle kinderen. Maar wat we nu doen is eerder het passend maken van kinderen voor dat onderwijs.’

Frank Hoogeboom zit al zijn hele leven in het onderwijs, inmiddels is hij gepensioneerd en lid van de raad van advies voor Ouderkracht voor ’t kind. Toen Hoogeboom in de jaren zeventig in het speciaal onderwijs begon, was van medicatie onder kinderen nauwelijks sprake. ‘Bij drukke kinderen zochten we toen naar pedagogische oplossingen, niet naar medische.’ Toen kwam in de jaren tachtig en negentig de classificerende diagnostiek en parallel daaraan de medicatie. ‘Psychiaters deden uitgebreid onderzoek en kwamen pas met een diagnose na een heel zorgvuldige analyse.’ Daarop volgden in de beginjaren van deze eeuw de rugzakjes. Kinderen met een diagnose van een gedragsstoornis konden een rugzakje krijgen en daarmee geld voor extra begeleiding. ‘Diagnoses gingen geld opleveren’, aldus Hoogeboom. ‘Psychiaters protesteerden, maar scholen kregen door dat je met een officieel label handelingsverlegenheid op scholen kon aantonen en dus geld kon krijgen. Die perverse financiële prikkel heeft ruim tien jaar geduurd. Parallel daaraan liep de diagnostische verschraling met minder uitgebreid onderzoek door psychiaters en vaker medicatie.’

Hoogeboom is voorzichtig hoopvol over het nieuwe systeem van het passend onderwijs. ‘In die tijd van de rugzakjes was vriend en vijand het erover eens dat het faliekant uit de hand aan het lopen was. Men was ervan overtuigd dat er een zorgplicht voor scholen moest komen met voldoende financiële middelen. Het is een mooi idee, maar het moet op de werkvloer nog wel worden uitgevoerd. De vraag is nu hoe de samenwerkingsverbanden van scholen het geld gaan verdelen om een dekkend ondersteuningsaanbod te realiseren en in welke mate de scholen erin slagen meer kinderen met een extra ondersteuningsbehoefte op te nemen.’

Trudy Dehue, hoogleraar theorie en geschiedenis van de psychologie aan de Rijksuniversiteit Groningen, meent dat we beter niet van medicalisering kunnen spreken. ‘Vroeger was medicalisering een aanklacht van links en stond de term voor onderdrukking door de geneeskunde en de overheid, maar het ministerie van vws gebruikt de term nu vooral als een synoniem voor vertroeteling. Het heeft die term een nieuwe betekenis gegeven. Onder het verwijt van “medicalisering” krijgen medici nu te horen dat ze de diagnoses zorgvuldiger moeten stellen en hun patiënten meer zelfredzaamheid moeten bijbrengen. Wat er eigenlijk aan de hand is, valt echter beter te beschrijven met de term “gezondheidspolitiek”. Sinds ongeveer de jaren negentig zijn we elkaar gaan vertellen dat succes en gezondheid een keuze zijn, en daarmee hun tegenpolen ook. Geen wonder dat mensen de voortgang en het functioneren van hun kinderen dan met argusogen volgen. Die kinderen zijn een soort project geworden dat hun volledige verantwoordelijkheid is. Ouders nemen die verantwoordelijkheid en medici ontkomen er niet aan hen te helpen als ze om hulp komen vragen. We hebben met een politiek probleem te maken dat onzichtbaar wordt door de term “medicialisering”.’

Dehue ziet naast het beschuldigen van medici ook een hoop ‘parent-blaming’ in de samenleving. ‘Ouders zijn verantwoordelijk gemaakt voor hun kinderen op een voorheen ongekende manier. Zo’n diagnose kan dan ook voor ouders als een geschenk uit de hemel komen. Als het kind het niet goed genoeg doet, deug je als ouder niet. Met de diagnose ligt het iets minder aan jou, maar aan de hersens van het kind.’

Ook ziet ze het omgekeerde wel. Er zijn ouders die juist niet altijd beschikbaar zijn voor hun kinderen en zich juist eerder verantwoordelijk zouden moeten voelen. Volgens Dehue wordt er inderdaad in alle gevallen gesproken in termen van schuld, maar gaat het in wezen om de achterliggende ideologie. Over die ideologie schreef ze uitgebreid in haar boeken De depressie-epidemie en Betere mensen. ‘Het is de ideologie van succes als keuze’, licht ze toe. ‘En tegenwoordig is zelfs biologie een keuze. Pech bestaat niet en alles ligt aan jezelf. Dat geldt nu ook voor kinderen. Als je ziek bent in je hoofd, dan doe je daar wat aan. Dat is de onbarmhartigheid van het meritocratische neoliberalisme dat succes en gezondheid als keuze ziet en daarmee het bestaan van het lot ontkent.’

Kinderen praten steeds vaker openlijk over hun adhd, autisme of andere stoornis. Dat zou goed zijn tegen het stigma dat rust op gedragsstoornissen in de samenleving. Dehue wijst erop dat farmaceutische bedrijven ook graag het woord stigma gebruiken om hun pillen te verkopen. ‘Er rust eigenlijk nog meer stigma op afwijken dan op de stoornissen, want anders hoefden niet alle afwijkingen een stoornis te heten.’

‘Pech bestaat niet en alles ligt aan jezelf. Dat geldt nu ook voor kinderen. Als je ziek bent in je hoofd, doe je daar wat aan’

Volgens Floor Scheepers is het heel moeilijk om uit dit systeem los te breken. ‘Je kunt heel moeilijk in je eentje verandering bewerkstelligen. In de publieke opinie zien mensen wel steeds meer de keerzijde van de biologisch georiënteerde psychiatrie, maar in de wetenschap is die stroming nog steeds erg dominant.’

Dehue herkent het. ‘Elk jaar verschijnen er talloze wetenschappelijke artikelen die beginnen met de frase “adhd, social anxiety disorder or autism is a common mental disorder that expresses itself in X, Y and Z”. Maar die draaien de boel om! Eerst kaderen bepaalde deskundigen een aantal eigenschappen in als een ziekte en vervolgens zeggen ze dat die ziekte tot uitdrukking komt in die eigenschappen. Dat is een cirkelredenering die maakt dat alleen de geneeskunde nog wat over de betrokken eigenschappen te zeggen heeft omdat alle andere mensen leken zijn.’

Toch lijkt er de laatste jaren iets van een kentering te komen in de drang om etiketten op kinderen te plakken. Zo verscheen in 2014 het advies adhd: medicatie en maatschappij van de Gezondheidsraad. Hierin is te lezen: ‘Toegenomen prestatiedruk en afgenomen tolerantie van afwijkend gedrag lijken belangrijke oorzaken van de sterk gegroeide hulpvraag.’ Tevens acht de Gezondheidsraad het ‘waarschijnlijk dat systeemprikkels in zorg en onderwijs hebben bijgedragen aan de toename van het aantal diagnoses’.

Jaap Oosterlaan, hoogleraar klinische neuropsychologie aan de VU, was lid van de commissie van de Gezondheidsraad die het advies uitbracht. Hij vindt het percentage kinderen dat medicijnen gebruikt verontrustend hoog. ‘In een periode van tien jaar is het aantal kinderen dat methylfenidaat (middelen bekend onder merknamen als Ritalin en Concerta – sb) gebruikt meer dan verviervoudigd’, vertelt hij in zijn werkkamer. ‘Het aantal kinderen dat medicatie gebruikt in verband met adhd ligt met 4,6 procent ongeveer even hoog als het aantal kinderen dat de diagnose zou mogen krijgen op grond van onderzoek naar hoe vaak het probleem voorkomt. Goed onderbouwde richtlijnen stellen dat milde tot matige adhd niet medicamenteus, maar gedragstherapeutisch moet worden aangepakt. Dat nu zo veel kinderen met medicatie worden behandeld, impliceert dus dat medicatie vaak onterecht wordt voorgeschreven.’ Oosterlaan geeft aan dat hij voorzichtig wil zijn met zijn analyse. ‘De media berichten vaak ongenuanceerd over de medicamenteuze behandeling van adhd. Een deel van de kinderen heeft wel degelijk medicijnen nodig. Ten aanzien van die groep hebben we een heleboel bereikt. Dat resultaat wil je niet in één klap om zeep helpen.’

Met de oudervereniging Balans is bijvoorbeeld nauw samengewerkt bij het vormgeven van het programma ‘Druk in de Klas’. Arga Paternotte, voormalig adviseur bij Balans, stak geld in de ontwikkeling van een programma dat door leerkrachten kan worden gebruikt om meer vat te krijgen op drukke en ongeconcentreerde kinderen in de klas. Oosterlaan: ‘Het is een laagdrempelig programma. Je kunt het als leerkracht thuis op de bank met een goed glas wijn doornemen en daarna relatief snel invoeren in de klas.’

Betty Veenman, als promovenda verbonden aan de Child Study Group van de VU, promoveert binnenkort op dit programma. ‘In de kern gaat het erom dat gewenst gedrag frequent en consistent wordt beloond’, legt ze uit, ‘terwijl mild ongewenst gedrag wordt genegeerd. Daarnaast is structuur en voorspelbaarheid erg belangrijk. Dat blijkt heel goed te werken. Natuurlijk heb je altijd kinderen die druk zijn. Maar ga eerst eens kijken naar de structuur in de klas, naar de omgevingsfactoren. Daarmee kun je onnodig medicatiegebruik voorkomen.’

In het programma ligt de nadruk bewust niet op adhd. Het is ook niet van belang of een kind die diagnose heeft of niet; leerkrachten kunnen het programma gebruiken voor alle drukke en ongeconcentreerde kinderen. Het is meer een vorm van klassenmanagement dat door de docent wordt gebruikt om extra structuur aan te brengen in de klas. Zo blijft de leerkracht ver van medische adviezen of oordelen over een individueel kind. Het gaat puur om het gedrag in de klas. ‘Druk in de Klas’ is dus ook goed te gebruiken als ouders het gedrag in de thuissituatie niet als storend ervaren.

‘Telkens als een kind iets goed doet, krijgt het een beloning’, zegt Veenman. ‘Dat is bijvoorbeeld een bepaald voorrecht, zoals de vis in de klas eten geven. Of het bord mogen schoonmaken. Dat lijken misschien kleine dingen, maar dat vinden kinderen heel belangrijk.’ Alle kinderen in de klas kunnen punten scoren voor goed gedrag en voor ‘lastigere’ of drukkere kinderen, kan een Goed Gedrag Kaart worden gebruikt om aan specifieke doelen van een kind te werken, die elke dag kunnen worden geëvalueerd en beloond. Oosterlaan: ‘Het zijn eigenlijk de skinneriaanse principes met een duidelijke positieve insteek. Van groot belang is de voorspelbaarheid.’

Veenman vertelt dat de resultaten tot nu toe erg positief zijn. ‘Docenten zijn er echt blij mee en zien een vermindering van druk, ongeconcentreerd en opstandig gedrag. We werken nu verder aan een aparte oudervariant met een app waarmee ouders principes van het programma ook thuis kunnen toepassen.’

Jaap Oosterlaan denkt dat de grens tussen normaal en abnormaal te veel is verschoven, zodat we ook gedrag dat niet al te zeer buiten de boot valt als stoornis zijn gaan beschouwen. ‘We moeten uit de schuldvraag blijven. Waar het om gaat is wat we als leerkracht en ouders kunnen doen. Ouders en leerkrachten kunnen veel meer doen dan ze denken. Door er te zijn voor onze kinderen, betrokkenheid te tonen, structuur aan te bieden en voorspelbaar te zijn. Het komt voor een groot deel neer op de drie r’en: rust, reinheid en regelmaat.’

Bijzonder aan het programma ‘Druk in de Klas’ is dat medische diagnoses bewust buiten de deur worden gehouden. Het gaat weer puur om de docent die orde houdt in zijn of haar klas. Het gaat om het gedrag.

We hebben ons in de samenleving de psychiatrische medische terminologie eigen gemaakt. Kinderen schelden elkaar op het schoolplein uit voor autist, ouders hebben het over een depressie alsof het de normaalste zaak van de wereld is en leraren vertalen wiebelen op een stoel al snel naar adhd. Het is wat Abram de Swaan ‘proto-professionalisering’ noemde: een omgeving waar leken de basishouding en begrippen van een bepaalde professie overnemen. Dit sluit ook aan bij de toename van zelfdiagnostiek, al dan niet via internet. ‘We zouden veel beter kunnen gaan spreken van kwetsbaarheden dan van stoornissen’, meent Floor Scheepers. ‘Wat we nu aan het doen zijn als samenleving is niet goed, zeker als het om kinderen gaat die zich nog sterk ontwikkelen.’

Er wordt veel geld uitgegeven aan onderzoek naar de hersens van kinderen met stoornissen als autisme, adhd en depressie. Maar we hebben geen idee hoe al die etiketten de ontwikkeling van kinderen beïnvloeden. Scheepers vertelt bijvoorbeeld over onderzoek dat nu wordt gedaan naar de vraag hoe het mogelijk is dat autisme op latere leeftijd ‘oplost’. ‘Waarom vragen we ons niet af of de diagnose misschien onterecht was? Hoezo kan autisme “oplossen”?’

De gevolgen van psychiatrische labels voor de ontwikkeling van kinderen worden niet onderzocht, terwijl het inmiddels toch wel duidelijk is dat een grote groep kinderen ten onrechte wordt gelabeld. Dat maakt de medicalisering van onze kinderen tot één groot sociaal experiment met een hele generatie. Daarvoor zijn we allemaal verantwoordelijk.