Mens versus dier: De stadskudde

‘Niemand wint van mijn schapen’

Net boven Meppel, een veenpolder verwijderd van de stad, zoeft Bart Ekkels over de provinciale weg. Achter in zijn terreinwagen liggen gestapelde netten en twee honden in een kooi. De wegen versmallen, een stoplicht springt op rood, hij rijdt over de stoep een park in.

Ekkels (23) hoedt schapen in de stad. Gewoon, midden in Meppel. Samen met Tom Dekker (24) heeft hij in het nabijgelegen Nijeveen een schapenhouderij. Daarnaast vervullen ze een duobaan voor Wylde Weide Landschapsbeheer, dat ook kuddes in Leeuwarden en Drachten heeft.

Het is niet dat Ekkels zijn beesten nergens anders kwijt kan. Nee, de gemeente wil júist dat ze het stadsgroen begrazen. Ze bereiken moeilijk begaanbaar terrein, verplaatsen insecten en zaden via hun vacht en bemesten de bodem; het is goed voor de biodiversiteit. Plus: het is een mooi beeld, van die grazende schapen in de woonwijk, toch?

De meeste Meppelaars zijn het met hun gemeentebestuur eens, maar regelmatig stuit Ekkels op ‘de burgemeesters van het park’. ‘Dat zijn mensen die hun eigen regels verzinnen.’

Zo moesten Ekkels en Dekker laatst van de gemeente de bramenstruiken in het Wilhelminapark door hun kudde laten begrazen. Dat gaat niet gebeuren, had een buurtbewoner gezegd: dat doen wij al jaren met de scouting.

Vandaag wordt de kudde verplaatst naar het Meppeler Bos, een groenstrook net buiten de woonwijk Oosterboer. Ekkels haalt de gestapelde netten uit de terreinwagen en fabriceert daarmee tijdelijke hekken rond de bomen. Dan opent hij de kooi met twee honden. Meteen stuiven ze rond de schaapskudde en stuwen de levende wol voort.

Af en toe wordt Ekkels gebeld. Dan is er een schaap uit de netten gebroken. Jongeren hebben lopen klooien of een hond heeft wat kapot gemaakt. Maar dat is geen ramp, het hoort erbij – de politie is het gewend. Soms gaan de herders met hun kudde door de woonwijk. Dan slibben de straten dicht. Omstanders pakken vaak hun telefoon om een foto te maken. Een enkeling wordt ongeduldig, probeert in te halen. Ekkels laat ze, niemand wint het van zijn schapen.

Als een schaap in de kudde kreupel loopt, bindt de herder het aan een lantaarnpaal vast, hangt een bordje met uitleg op en haalt het beestje later op. De kudde moet voort. Maar als mensen dat zien, bellen ze meteen – want ja, dat is zielig – even het bordje lezen zit er niet bij. Ekkels heeft ermee leren omgaan. Hij laat mensen uitpraten, vertelt dat bij een groep van honderd mensen er soms ook een zieke tussen zit.

Als de honden hun taak hebben volbracht en de schapen staan te grazen, verschijnt een vrouw ten tonele. Ze schiet de herder aan. Kunnen de schapen niet verderop staan? Ze wandelt hier zo graag met haar hond. Ekkels luistert, vertelt dat de gemeente niet wil dat zijn beesten sommige bomen opeten. De vrouw knikt, maar zegt dat het toch fijn zou zijn als het zou kunnen. Ekkels loopt naar de terreinwagen en schudt zijn hoofd. ‘Dat was een burgemeester van het Meppeler Bos.’