Niemand zit op mij te wachten

Toen ik jong was, was ik gelukkig, maar ik ben, vrees ik, nooit jong geweest.

Jongensachtig – dat wel. Maar jong?

Er was in mijn jeugd een te grote afstand tussen mijn ambities en wat ik volbracht. Ik kon die afstand niet overbruggen. Het was alsof ik werd tegengehouden door een macht buiten mezelf om, wat uiteraard niet waar was. Het waren angst en verantwoordelijkheidsbesef die me tegenhielden.

Angst om vrij te zijn en verantwoordelijkheid voor… niet alleen mezelf. Ook niet alleen voor mijn vrouwen, kinderen, vriendinnen of mijn ouders; ik voelde me verantwoordelijk voor alles.

Een schlemiel denkt dat hij de slimste is van allemaal, maar ieder ander weet hoe dom hij is. Wat betekent het als je je verantwoordelijk voelt? Het betekent vooral de wereld veranderen, want de wereld ging ten onder.

Maar ik was daar het juiste type niet voor. Te fanatiek. En zoals gezegd: te angstig. Ik was een bohemien, maar wilde niets liever dan zo snel mogelijk een vrouw en kinderen; ik had over mijn uiterlijk niet zo veel zelfvertrouwen. Een beter recept voor een zure sul krijg je niet. En dus draaide alles in de soep. Mijn huwelijk, mijn vaderschap, mijn werk. Ik kwam in De Wereld van Alsof terecht – waar ik trouwens veel van mijn collega’s tegenkwam. Ik deed alsof ik een groot schrijver was, alsof ik iets te zeggen had, alsof ik een moderne pedagogie omarmde waarin ouderlijke verwaarlozing werd bepleit. De Wereld van Alsof is stuitend armoedig.

De Wereld van Alsof wordt druk bevolkt, zoals ik al zei, door andere Alsoffers.

Zo was ik een keer als dichter uitgenodigd op een dichtersavond. Met vijf andere Alsof-dichters, wier namen ik al vergeten ben.

Hoe ging het met de kaartverkoop?

Nul! Nul, nul, nul! En ook al vermenigvuldigden we dat met honderd, het bleef nul!

We besloten daarom onze gedichten aan elkaar voor te lezen! Dat nooit weer.

Maar ik was ook schrijver. In een bibliotheek was speciaal voor mij een avond georganiseerd.

U raadt het al: nul, nul, nul bezoekers.

Het is toch idioot dat ik soms naar een begrafenis verlang?

En dan die boekhandel met alleen mijn boek een avond lang in de etalage. Daar waren er twintig bezoekers. Opgetrommeld door de boekhandelaar. Ik was populair: allemaal meisjes van zestig!

Dit is misschien larmoyant en wat betreft het zelfmedelijden te veel, maar dat kan me toch niets meer schelen. Het was zo. Ik ben er dan ook mee gestopt.

Ik ga nergens meer heen. Niemand zit op mij te wachten.

En ik heb de persoonlijkheid niet om tweede viool te spelen. Daar komt nog bij – ja, sorry, ik ga nog even door – dat ik mensenvrees heb. In een groep mensen zit nog kannibalistische honger. Ik ga niet naar feesten, tenzij ik er niet onderuit kan. Gelukkig heb ik tegenwoordig geen feesten meer, alleen maar begrafenissen.

Ik probeer De Wereld van Alsof achter me te laten – al zal iedereen altijd je accent blijven horen – en het grootste gevaar dat daarbij op de loer ligt is de misantropie.

Het is toch idioot dat ik soms naar een begrafenis verlang?

Ik vind het vreselijk, maar ik hou dan van mijn eigen verdriet. Ik voel dan iets; en bijna tastbaar onderga ik de angst voor de dood die ik in het geheim toejuich.

Leg het maar eens uit.

Ik kijk naar mijn huilende vrienden en vriendinnen en ben blij dat ik mee kan huilen. Ik schrijf expres niet: met ze mee kan huilen. Mijn huilen is een ritueel om mijn angst te verjagen.

Ik ben niet meer verantwoordelijk – voor niks meer.

Boven dit alles heeft De Schaamte altijd als een luifel boven mijn bestaan gehangen. Die zal ook niet weggaan. Het is goed je te koesteren in de beschermende schaduw van je schaamte.

Want waar ik ook ben, voel ik me uitgelachen.