Verlangen naar de innerlijke grens

Niemands slaaf

Eet geen suiker, neem een time-in en kijk niet steeds op die telefoon! Waarom we onszelf, te midden van vrijheid en overvloed, massaal beperkingen opleggen.

Medium hh 42314614

De muur van mijn sportschool is sinds Oud en Nieuw veranderd in een ‘wall of goals’. ‘Ik word de sterkste vrouw in mijn gewichtsklasse’, staat er in kleine letters met blauwe watervaste stift geschreven. ‘Mijn kleding moet beter passen; in bikini in zomer’, neemt een bezoekster zich voor. Een ander: ‘Strakker, fitter, beter!’

Er is iets met die tientallen teksten, ingeklemd tussen het brandblusapparaat en de deur naar de sauna, waardoor ik er steeds naar moet kijken. Het is niet de alledaagsheid zelf van al die goede voornemens die me stoort. Het zit ’m in de manier waarop ze worden aangekondigd. In grote, schreeuwende letters staat het boven aan de wand: ‘Een droom wordt pas een doel als je ’m opschrijft!’

Een droom.

Je kunt verlangen naar wereldvrede. Naar het socialisme, of heel anders: alle rijkdom op aarde, voor jou, alleen. In plaats daarvan noemen we ‘3 keer per week sporten’ een droom. En natuurlijk: ‘5 kilo kwijt voor de zon op het hoogste punt staat’. Wat is er met ons aan de hand?

Het antwoord heeft alles met grenzen te maken. Met hun terugkeer, om preciezer te zijn. Dat valt het meest op in de politiek. Op het ‘zomersprookje’ van de Europese gastvrijheid is een nog altijd voortdurende winter van obstakels gevolgd. Over het hele continent worden barrières opgeworpen, extra patrouilles ingesteld en hekken gebouwd. Maar er is nog een andere vorm van grensdenken. Een waarvoor je niet naar de politici in Brussel, Berlijn of Den Haag moet kijken, maar in de populaire media. In de boekhandel ook, steevast bij het rijtje bestsellers. En in die fitnessclub, tussen de dumbells en de cardio-apparatuur. Noem het zelfbeperking, zelftucht, of gewoon: discipline. Het verlangen naar innerlijke begrenzing is al jaren in opmars. In elk geval lang voordat Europa zich massaal zorgen ging maken over Syrische oorlogsvluchtelingen.

Full disclosure: ik doe er zelf hard aan mee. De ene na de andere barrière wordt opgeworpen, als was ik een Oost-Europese regering van dubieuze signatuur. Tegen de suiker bijvoorbeeld. Na lange discussies aan de woonkamertafel is de zoetigheid de wacht aangezegd. Chocolade, taart, frisdrank: het komt de deur niet meer in. Alleen zelf gemaakt lekkers is toegestaan – af en toe. Eigen suiker eerst.

Vegetariër was ik altijd al, maar het mag strenger: veganistisch, biologisch en zonder fabrieksvoedsel uit potjes. Dit zelfverkozen beschavingsoffensief gaat verder dan eten en drinken. Zo probeer ik, in de eeuwige strijd tegen de stress, al jaren een ijzeren gordijn tussen werk en vrije tijd te handhaven. En laatst nog heb ik in kleine kring, met het oog op een angstaanjagend lege bankrekening, een eigen variant op alle vega, vegan en slow challenges afgekondigd: beat the budget-week. Het werkte nog ook.

Overdrijf ik? Dan ben ik in elk geval niet de enige. We zijn collectief in de greep van een cultureel-culinaire revolutie. Geen beter gespreksonderwerp dan wat je in geen geval mag eten, of juist absoluut móet consumeren. Artikelen en boeken over voedsel zijn kaskrakers. Een snelle telling wijst uit dat bijna een kwart van de populairste stukken op Blendle, de digitale kiosk, hierover gaat. Van ‘Ik leef al 13 jaar suikervrij’ tot, in dit blad, ‘Melk, de witte leugen’. Ik kan er moeilijk aan wennen, maar veganisme is in plaats van een radicale overtuiging mainstream geworden. Hollywood-sterren buitelen over elkaar heen om nu eens superfoods te omarmen, dan weer een paleodieet of gewoon, boerenkool.

Je kunt dat alles afdoen als ‘voedselhysterie’. Maar het gaat niet alleen om het vreten, zelfs niet om een obsessie met gezondheid en alle mogelijke risico’s. Aan alle kanten zie ik mensen pogingen doen om zichzelf beperkingen op te leggen. Wat te denken van de ‘tiny house movement’? Door je leefruimte – letterlijk – te begrenzen kun je zonder of met slechts een kleine hypotheek leven. Het maakt deel uit van een beweging die zich richt op het simpeler maken van ons leven. Minder spullen betekent minder uitgaven, en minder zorgen.

Nog zo’n zelfverkozen grens: jezelf een week lang terugtrekken achter de muren van een klooster. Met behulp van mindfulness leren we onze gedachten te begrenzen tot de peer waarin we bijten, de vogel boven ons hoofd of de bruine aarde onder onze blote voeten. Het tijdschrift Happinez beveelt ‘7 oefeningen in geduld’ aan. Oefening 4: neem eens een time-in. ‘Neem minimaal één keer per dag drie minuten de tijd om naar binnen te keren (…) Let op je adem, voel je hart, en loop al je zintuigen na. Besef hoe dankbaar je bent dat je leeft en dat je kunt zien, horen, ruiken, proeven en voelen.’ Vaag gedoe? Nee hoor, gewoon ‘een soort van mentale hygiëne’.

Zelfs de kinderen moeten eraan geloven. Het nieuwe opvoedevangelie, in koor verkondigd door alle Centra voor Jeugd en Gezin, is simpel: grenzen stellen! Voor wie die boodschap te laat komt, zijn er inmiddels speciale ‘digital detox’-_kampen. Je smartphone(s), laptop, horloge en andere apparatuur lever je bij de ingang in. Het doel: enkele dagen lang offline zijn. Afgesneden van de voortdurende stroom prikkels die telefoon, WhatsApp, Facebook en Twitter produceren. ‘Er begon een spook te trillen in mijn broek’, zo opende een vrij hilarische reportage hierover in _The New York Times. ‘Ik had mijn iPhone zoveel jaren in mijn linker broekzak gedragen dat mijn jeans permanente, rechthoekige vlekken vertonen bij mijn dijen.’ Het bleek fantoompijn. Voor het eerst in tijden was de auteur afgesneden van zijn technologie. Geheel in lijn met het zalvende motto van de organisatie: disconnect to reconnect.

Nooit eerder in de geschiedenis leefden zoveel mensen in zo’n overvloed van spullen, keuzes en mogelijkheden. Nooit ook werden zij daarin zo vrij gelaten als in ons deel van de wereld. We zuchten niet onder een totalitair regime dat ons in een keurslijf dwingt. De verschillende religies met hun van buitenaf opgelegde moraal zijn, getuige het deze maand verschenen onderzoek naar God in Nederland, ook de afgelopen tien jaar alleen maar kleiner geworden. Maar de oude tien geboden zijn amper losgelaten of we gaan al in groten getale op zoek naar minstens tien nieuwe. Persoonlijk denk ik bij ‘vasten’ nog altijd aan de periode na carnaval. Aan de haringsalade van mijn oma op Aswoensdag – de eerste en in de praktijk vaak ook meteen de laatste vleesloze dag. Tegenwoordig leef je een (kleine) week op flessen vers geperst fruit: sapvasten. Voor wie dat te zwaar vindt – zeg maar de katholieken van onze tijd – is er ‘mildvasten’. Daarbij mag je buiten alle sap toch nog wat vast voedsel tot je nemen.

‘Ze verwachten dat ze alles kunnen krijgen en dan nog zuchten en steunen ze over alles wat ze niet hebben’

Je kunt hieruit concluderen dat er helemaal niet zo veel is veranderd als het om innerlijke grenzen gaat. Dat is wat een filosoof als Peter Sloterdijk doet, daarbij geïnspireerd door Friedrich Nietzsche. De overeenkomsten tussen vasten, bidden, halal eten en, zeg, een lactosevrij dieet of een fitnessabonnement zijn volgens hem vele malen belangrijker dan de verschillen. Alle religies en andere levensbeschouwingen zijn in de woorden van Sloterdijk ‘slechts verkeerd begrepen spirituele oefensystemen’, zo schrijft hij in zijn boek Du musst dein Leben ändern! (2009). Zij beantwoorden aan misschien wel onze meest fundamentele behoefte. ‘Mens-zijn’ staat voor Sloterdijk gelijk aan ‘jezelf verbeteren’. Hoger reiken.

Dat oefenen gaat hand in hand met zelftucht. Alleen zo kunnen we andere, belangrijkere barrières doorbreken. Denk aan de hardloopster die zich moet houden aan een strikt dieet en trainingsschema. Zonder die begrenzing kan ze nooit een wereldrecord lopen. Het opwerpen van een kleine grens staat zo in dienst van het doorbreken van een grotere.

Daarbij worden onze pogingen tot zelfverheffing zeker niet uitsluitend ingegeven door individualistische motieven, zoals gezondheid of beroemdheid. Idealisme speelt net zo goed een rol. Je eet vegetarisch om dieren onnodig leed te besparen, en omdat van alle voedsel de productie van vlees veruit de grootste bijdrage levert aan de opwarming van de aarde. Je probeert genoegen te nemen met minder luxe uit protest tegen de consumptiemaatschappij. Of om minder geld uit te geven, en zo uit de fuik van hoge lasten en meer werken te blijven.

Door politieke alternatieven in je eigen leven alvast zo veel mogelijk te praktiseren, winnen ze aan geloofwaardigheid. ‘Het komt op ieders antwoord aan’, zei Sloterdijk hierover in een interview dat ik met hem had. ‘Anders kom je weer uit bij die andere vorm van het ongelukkige bewustzijn: het komt niet op mij aan. Die reactie is wat mij betreft verboden. Dat is de regel aller regels: je moet zo leven dat je achteraf geen excuses nodig hebt.’

De suggestie van een eeuwenoude, alle culturen overstijgende continuïteit is prikkelend. Waarom leggen we onszelf grenzen op? Omdat we oefenen om betere mensen te worden. Toch lijkt het me dat er meer aan de hand is. Een deel van de verklaring moet ook in onze, moderne maatschappij liggen. Waarom anders die plotseling zo toegenomen belangstelling voor zelfdiscipline?

In Volkskrant Magazine stond enkele jaren geleden een reportage over de ‘nostalgisten’: jonge mensen die zich kleden en gedragen alsof ze in de jaren twintig en dertig leven. Een van de initiatiefnemers is ‘juffrouw Jo Hedwich’. Ze doet de was op de hand, met Sunlight-zeep. Haar huis wordt slechts door één kachel verwarmd. Spartaans? Misschien wel, reageert Hedwich. ‘Maar als ik al die taken heb gedaan en ’s avonds bij de radio mijn kousen zit te stoppen voel ik me echt voldaan.’ De moderne mens wil volgens haar gewoon te veel: ‘Ze verwachten dat ze alles kunnen krijgen en dan nog zuchten en steunen ze over alles wat ze niet hebben.’

Over de drijfveren van nostalgisten als Hedwich valt het nodige te zeggen. Ik proef een zeker heimwee naar fatsoen. Maar mij interesseert iets anders: de hang naar vaste rolpatronen en ritmes die uit hun verhaal spreekt. Het verlangen naar een leven met minder keuzes. Dat is iets wat veel breder speelt. Ik heb enige tijd geleden veel lezingen gegeven naar aanleiding van een boek, Neem de tijd. Dat ging over de veelbesproken vraag hoe we het in Nederland toch zo druk hebben kunnen krijgen. Wat zijn de politieke en economische wortels van die haastmaatschappij? Het opvallende was dat na afloop van zo’n bijeenkomst steevast een jonger iemand in het publiek opstond om te pleiten voor een terugkeer naar vroeger. Het waren geen nostalgisten, maar in hun afkeer van het gestreste leven verlangden zij terug naar een voorbij tijdperk. Daarin waren er weliswaar nog geen afwasmachines, magnetrons en andere tijdbesparende technieken, maar wél duidelijke ritmes en rolverdelingen. Werk was werk, vrije tijd was daadwerkelijk vrij. ‘Moeten we niet gewoon minder willen?’ vroeg zo iemand steevast.

Ziedaar de keuzemoeheid waarmee we te midden van alle overvloed kampen. Om dat tegen te gaan, onderwerpen we onszelf aan nieuwe beperkingen. Iedereen die hier ervaring mee heeft, weet wat zo’n periode van zelfdiscipline met je doen kan. Het euforische gevoel. Het idee van grip hebben op je lichaam – op je leven.

Het is de grote vrijheidsparadox. De overvloed van de keuzemaatschappij leidt tot onvrijheid. En uitgerekend door daar paal en perk aan te stellen, door nieuwe grenzen op te werpen, herwinnen we een gevoel van vrijheid. Een extreem, nauwelijks te bevatten voorbeeld van die schijnbare tegenstelling kwam ik tegen in het schitterende boek van Nobelprijswinnares Svetlana Alexijevitsj, Het einde van de rode mens. Het is het verhaal dat Olga Karimova, een 49-jarige muzikante, over haar man vertelt. Ze ontmoet hem lang nadat hij uit het sovjetkamp is teruggekomen. Heel af en toe laat hij iets los over die twaalf lange Stalin-jaren. Over de kadaverdiscipline: ‘Deed je een stap uit de rij, dan werd er op je geschoten. Haalde je het bos, dan werd je daar door wilde beesten verscheurd.’ Een enkele keer was er een meevaller: een warme kom soep, een restant autoband voor onder de schoenen, tegen het uitglijden in de sneeuw.

Bij zijn vrijlating ontving hij een schadevergoeding voor de executie van zijn vader, een hoge functionaris, in de jaren dertig. ‘Daarvan had hij een nieuw pak gekocht, een nieuw overhemd, nieuwe schoenen en een camera’, herinnert zijn vrouw zich. ‘Toen was hij naar Nationaal gegaan, Moskou’s beste restaurant. Daar had hij het allerduurste besteld, met cognac, koffie en taart na. Toen hij zich volgegeten had, had hij iemand gevraagd hem op dat gelukkigste moment van zijn leven op de foto vast te leggen.’ Ze haalt de woorden aan waarmee hij hierop terugblikt: ‘Bij thuiskomst besefte ik dat ik geen geluk voelde. Ondanks mijn nieuwe pak en mijn camera. Waarom niet? Ik dacht terug aan mijn stukjes autoband en de soep in het ketelhuis. Dat was pas geluk geweest.’ Haar ontstellende conclusie: ‘Hij had het kamp voor niets ter wereld willen missen.’

Zo ontroerend als dat mag klinken, het is volstrekt onacceptabel. Om werkelijke vrijheid te kunnen ervaren, zouden we terug moeten naar Stalin en zijn goelag. Of ten minste naar de verstikkende moraal van het oude, verzuilde Nederland. Naar een tijd waarin de elite de weg wees en vrouwen al helemaal niets te zeggen hadden. Nee, van keuzestress heeft in zo’n samenleving niemand last. Maar op die manier gooi je wel het kind van de vrijheid met het badwater weg.

Er is nog een andere reden om achterdochtig te zijn. Het nieuwe innerlijke grensregime dat we opwerpen, heeft vaak een politiek karakter. Je stelt paal en perk aan de voedselindustrie, de 24-uurs economie, het hele consumptiekapitalisme. Maar dat is niet het hele verhaal. Op een bepaalde manier passen deze gedragingen juist naadloos in het systeem dat we aan de kaak willen stellen. Dat wordt duidelijk als je je voorstelt wat er zou gebeuren als we onszelf níet al die beperkingen zouden opleggen. Wat is het gevolg van het radicaal opgeven van zelfdiscipline? Het is een interessant gedachtenexperiment. Gaan we dan inderdaad ten onder aan alle vrijheid en overvloed?

Zonder enige mate van zelftucht zou de mens zichzelf nooit kunnen verbeteren. Dan worden we inderdaad ‘laatste mensen’

Ik vermoed dat het anders zou lopen. Wie onbeperkt en ongezond eet, wordt van alle kanten gewaarschuwd voor obesitas. Wie te veel drinkt, krijgt de politie op zijn dak. Laat je ook je tijdsdiscipline los, dan volgen er problemen met werk- of opdrachtgevers. Eenmaal werkloos wordt de bemoeienis er niet minder op. In de bijstand komt je leven min of meer onder curatele te staan.

De vraag is dus in hoeverre al die grenzen die we stellen wel echt van binnenuit komen. We leven niet langer in een verzorgingsstaat. In plaats daarvan spreken sociologen van een workfare state. Daarin geldt het principe dat burgers slechts voorwaardelijk vrij zijn. Zolang je laat zien dat je zelf je discipline kunt handhaven, word je met rust gelaten. Slaag je daar niet in, dan grijpt de overheid in, of het nu om opvoeding gaat (consultatiebureau, jeugdzorg), tijdsdiscipline (aan de onderkant van de arbeidsmarkt geen Nieuw Werken, maar minutieuze tijdsregistraties) of solliciteren (uwv).

Al die zelftucht is, met andere woorden, nooit een honderd procent vrije keuze. Filosofe Marli Huijer heeft uitgebreid geschreven over die moeizame verhouding tussen vrijheid en zelfbegrenzing. In haar boek Discipline: Overleven in overvloed laat ze daarnaast mooi zien hoe onze verhouding tot discipline altijd ook de economie heeft gevolgd. Het begon met de christelijke deugden van spaarzaamheid en hard werken; noodzakelijk om het kapitalisme op te bouwen. Na de Tweede Wereldoorlog moest die discipline juist deels worden teruggedraaid. Mensen dienden zich in die grenzeloze jaren te goed te doen aan de overvloed en méér consumeren. Alleen zo kon de economie verder groeien. En nu, sinds de crisis van 2008, zien we een hernieuwde nadruk op discipline. In de bezuinigingspolitiek, maar ook in de wereldwijde concurrentieslag tussen economische machtsblokken. De Chinezen komen, en die werken harder, langer en meer dan wij!

In onze prestatiemaatschappij zijn persoonlijke grenzen dan ook simpelweg een vereiste. Boven in ons hoofd schuilt een overijverige HR-afdeling. Om ons ‘menselijk kapitaal’ op peil te houden moeten we onze eigen sportcoach, procesmanager, psycholoog en huisarts zijn. Deze zelfdiscipline is in sommige kringen zelfs een statussymbool geworden. Door de grenzen die we stellen, zeggen we óók iets over onszelf. Ik eet biologisch, dus ik kies bewust. Ik train voor een marathon en daarmee toon ik ambitie. Maar al die tucht heeft een prijs. Het kan een bron worden van nieuwe stress en statusangst. En het dwingt ons in een keurslijf. Je mag vooral niet uit de band springen. De samenvatting die Michel Foucault halverwege de jaren zeventig gaf in zijn Discipline, toezicht en straf geldt zo bezien nog steeds: ‘Discipline doet de krachten van het lichaam toenemen (in termen van economisch nut), en deze zelfde krachten afnemen (in termen van politieke gehoorzaamheid).’ Vertaald naar onze tijd kun je je afvragen: zijn we niet veel te braaf geworden?

Medium hh 42314622

Op weinig plaatsen is de impact van de toegenomen zelfdiscipline zo zichtbaar als bij de voorheen vrije, creatieve beroepen. Vorig jaar had ik een tijdlang het genoegen om aan een boek te mogen schrijven in het gezelschap van een groep sociale wetenschappers van over de hele wereld. Wat mij – en ook veel andere aanwezigen – opviel, was hoe verschrikkelijk gedisciplineerd het eraan toe ging. Iedereen was dag en nacht met zijn werk bezig. Vrijwel niemand rookte. Meer dan één of twee glazen alcohol heb ik niemand zien drinken. Borrels en andere feestelijkheden eindigden ver voor twaalf uur ’s avonds. Menigeen vertrok daarop weer naar zijn werkkamer. Toch nog even verder schrijven aan dat cruciale onderzoeksvoorstel of die publicatie. Om dat indrukwekkende arbeidsethos te handhaven hadden zij geen baas, opzichter of prikklok nodig.

Het is allemaal heel begrijpelijk. De publicatiedruk onder wetenschappers is groot en de concurrentie is enorm. Het gevolg is een ratrace. Echt gek wordt dat pas zodra je beseft dat dit sociale milieu tot voor kort mede bevolkt werd door bohémiens en vrijbuiters, net als de kunsten. Natuurlijk zal er altijd hard gewerkt zijn, maar er was ook bandeloosheid, seks, drank, drugs – kortom: grensoverschrijdend gedrag. In plaats daarvan is iets gekomen waarover bijvoorbeeld ook journalisten kunnen meepraten: een enorme zelfdiscipline, waarvoor geen baas, opzichter of prikklok nodig is. We zijn onze eigen grensbewakers geworden.

Wie geen grenzen stelt, wordt slaaf van de overvloed om zich heen. Van de commercie. Dat willen we niet, dus werpen we steeds meer barrières op: we vasten, gaan kleiner wonen of sluiten ons tijdelijk af voor de wereld om op te laden. Maar in onze ijver dreigen we door te schieten naar het andere uiterste. We worden slaaf van een nieuwe meester: onze prestatiedrang, die ons doet streven naar een telkens hogere productiviteit. Ondertussen vergeten we te leven.

De vraag van die twintigers en dertigers in het publiek dringt zich daarmee meer dan ooit op: moeten we niet gewoon minder willen? Ik denk van niet. Het omgekeerde is waar. We moeten juist véél meer willen.

Dat is geen pleidooi voor grenzeloosheid. De filosofen hebben gelijk: zonder enige mate van zelftucht zou de mens zichzelf nooit kunnen verbeteren. Dan worden we inderdaad ‘laatste mensen’. Maar die zelftucht kan nooit het hele verhaal zijn. Zij is dienend. Het probleem ontstaat zodra we ons daar onvoldoende van bewust zijn. Dan helpen we met al onze innerlijke grenzen een competitief systeem vooruit waarvan we misschien wel helemaal geen voorstander zijn.

Dat vraagt om meer aandacht voor de verhouding tussen doel en middelen. Het helpt hierbij om het woord ‘discipline’ te vervangen door een andere, betere term. Ik stel ‘toewijding’ voor. Toewijding is, anders dan discipline, namelijk nooit een blind doel op zich. Je bent toegewijd áán iets. Toewijding is het middel waarmee je dat doel dichterbij probeert te brengen.

Wat dat doel moet zijn, daarin is iedereen uiteraard vrij. Je kunt jezelf grenzen opleggen in de hoop dat anderen het goede voorbeeld volgen en zo de planeet redden. Voor een Syriër is op dit moment het doel een Duits paspoort, en de ontberingen van de reis ernaartoe zijn het middel. En inderdaad, je zou kunnen betogen dat iemand ook toegewijd kan zijn aan ‘drie keer per week sporten’ en een sixpack voor de zomer. Maar de boodschap van al die intens brave, voor de commercie zo handzame dromen op de fitnessmuur is in mijn ogen een andere. Laat het niet zien dat het tijd wordt om grootser te denken? Dat is waar toewijding uiteindelijk om draait. We accepteren relatief kleine beperkingen, juist om een grotere grens te doorbreken.

Misschien ligt daar het begin van een oplossing: we moeten gevaarlijker gaan dromen. Nu eens door, in weerwil van wat school, fabriek, bedrijf of universiteit van je eist, alle discipline overboord te gooien en tomeloos te genieten. Dan weer door jezelf grenzen te stellen in dienst van een écht hoger doel. Bijvoorbeeld om die krankzinnige prestatiemaatschappij, die ons een leven laat leiden dat we helemaal niet willen, terug te dringen.


Beeld: Eddo Hartmann/HH