Sylvain Ephimenco over de Nederlandse identiteit

Niemandsland

Progressief Nederland debatteert over de langzame integratie van allochtonen. Maar als de Nederlanders hun eigen identiteit beschimpen, hoe kunnen allochtonen zich er dan enthousiast aan spiegelen?

WANNEER WE UITGAAN van de stelling dat de Nederlandse samenleving zichzelf in het recente verleden stelselmatig heeft verloochend en dus nieuwkomers in het heden weinig te bieden heeft, rijst de vraag hoe het omvangrijke gat dat het cultuurrelativisme in de nationale identiteit heeft geslagen in de toekomst nog te repareren valt. Het in ere herstellen van een zekere vorm van trots voor je nationale cultuurerfgoed zou, ruw geschetst, de conditio sine qua non zijn voor een betere integratie van tal van gedesoriënteerde allochtonen die niet expliciet worden uitgenodigd zich deze cultuur eigen te maken. Althans volgens degenen die het debat over multi- en monoculturaliteit onlangs nieuw leven hebben willen inblazen.


De eigenheid waar een volk zijn gezicht en ziel aan ontleent is complexe materie. Ze bestaat enerzijds uit natuurlijke componenten die iedereen vanzelfsprekend vindt en anderzijds uit een stelsel van instrumenten die bedoeld zijn om die natuurlijke componenten te onderhouden, te eren of te cultiveren. In Nederland is het eerste, de grondstoffen van de identiteit, ruim voorradig en alomtegenwoordig. Ik noem er drie die fundamenteel zijn: een eigen taal die in alle hoeken van het nationale grondgebied wordt gesproken en die geen noemenswaardige concurrentie ondervindt van regionale dialecten; een rijke geschiedenis met zoals overal hoogte- en dieptepunten en, misschien het voornaamste, een geografische ligging die een worsteling met natuurelementen impliceerde. Dit laatste is ongetwijfeld het pronkstuk van de nationale identiteit. Niet alleen omdat het in Europa exclusief is, maar ook vanwege de specifieke kenmerken die uit de strijd tegen het water voortvloeien en die het gezicht van het collectief traditioneel bepalen: eensgezindheid, organisatiekunst, verdraagzaamheid, geloof in maakbaarheid en moed.


Het probleem is dat het stelsel van instrumenten die de grondstoffen moeten raffineren zich in een belabberde toestand van achterstallig onderhoud bevindt. De taal wordt denigrerend of met onverschilligheid bejegend, de nationale geschiedenis wordt amper levend gehouden en de verovering van grond op het water en het bewaken ervan wordt als een oubollig en stoffig cliché beschouwd.


Omdat ik me als buitenlander de Nederlandse taal eigen heb moeten maken, ben ik hiervoor extra gevoelig en word ik vaak door onachtzame autochtonen niet begrepen in mijn verontwaardiging over duidelijke gevallen van verloochening van het idioom die door mijn criticasters als futiel worden omschreven. Dat de Nederlandse VPRO enkele jaren terug het Nederlandse boek Hoffmans honger van de Nederlandse auteur Leon de Winter ging verfilmen en Nederlandse acteurs voor deze gelegenheid in het Engels liet brabbelen, vond ik verbijsterend. Evenals het jongste voorstel van Reinjan Mulder van uitgeverij De Geus om het uit het Engels vertaalde boek van een van oorsprong allochtone auteur als ‘Nederlandse roman’ te beschouwen en met de Libris-literatuurprijs mee te laten dingen. Dat die auteur een Nederlands paspoort bezit en in Nederland woont, vond de uitgever zwaarder wegen dan het hanteren van de Nederlandse taal. Hieruit spreekt niet alleen diepe minachting voor het Nederlands, ook werkt een dergelijke houding niet uitnodigend voor de getalenteerde in dit land wonende buitenlanders die hun volgende meesterwerk in het Nederlands zouden willen neerpennen. Toen ik overigens vol trots mijn eerste in het Nederlands geschreven roman af had, werd ik door autochtonen misprijzend toegesproken: als je dit boek in je eigen taal had geschreven en in Frankrijk had uitgegeven, had je een veel groter taalgebied kunnen aanspreken.


Over het feit dat Nederland zich tegenwoordig met Engelstalige liedjes op het Songfestival presenteert, durf ik bijna geen opmerking meer te maken om geen hoon en leedvermaak te oogsten. Maar ik neem wel de vrijheid om me het onbegrip voor te stellen van al die buitenlanders van wie nu wordt verlangd dat ze thuis met hun kroost in de taal van Couperus gaan brabbelen.



ER LIGGEN verschillende factoren ten grondslag aan het ontbreken van een openlijke en openbare beleving van de eigenheid. In een historisch verankerde calvinistische samenleving (ook al is dit begrip in het moderne tijdperk van aanstormende elektronische media, ontkerkelijking, ontzuiling en mondialisering minder tastbaar geworden) zijn te nadrukkelijke vormen van eigenliefde logischerwijs verdacht. Calvinisme en trots voor het cultuurerfgoed vloeken met elkaar in het collectieve en individuele geheugen. Belangrijker nog is de oprechte argwaan die Nederlanders koesteren voor elke uiting van nationalisme. Van doorgeschoten patriottisme valt behalve oorlogen en het stilleggen van de internationale handel niet veel te verwachten. Vijf bezettingsjaren vormen een wond in de herinneringen. Bovendien kan Nederland, dat vertrouwd is met pragmatisme en realiteitszin, gezien zijn geringe omvang niet te hoog van de toren gaan blazen. Laat dat maar aan de Vlamingen over, denkt men in Den Haag. Dus hier geen heldenverering, bombastische retoriek en plechtige celebraties. Behalve dan die schaarse herdenkingen die herinneren aan de kwaadaardigheid van het nationalisme, zoals elk jaar in mei. Dat men het beleven en belijden van de eigenheid met een vorm van sluipend nationalisme is gaan verwarren, is een cruciale denkfout waarvan men nu met de naweeën zit opgezadeld.


‘Waarom zou ik trots moeten zijn op Rembrandt?’ vroeg hoogleraar politieke geschiedenis Hans Righart me ooit. Het relativeren van gevoelens van nationale trots leek hem een gezond tegengif, zoals hij in zijn boek Het einde van Nederland? poneerde: ‘Waar landen als Frankrijk, Engeland en Duitsland zich met een onbekommerd chauvinisme laten voorstaan op hun nationale cultuurgoederen, overheerst in Nederland onverschilligheid.’ Wat mag en wat is taboe? vraagt de Nederlander die zijn richtpunten is kwijtgeraakt zich op zijn beurt af. Geen militaire marsen door de hoofdstad natuurlijk, maar wel op koninginnedag een woud van nationale vlaggen aan de gevels. Het chauvino-nationalisme mag op een ludieke manier door het oranjelegioen worden uitgedragen, maar hier loopt ongeveer de grens.



DE MEEST pernicieuze factor die het belijden van de identiteit in de weg staat, is wellicht het geloof dat juist het ontbreken van belangstelling voor de eigenheid het voorportaal vormt voor de staat van absolute verlichting. Los van de aardse banaliteit zweeft de Nederlandse engel boven het gewoel en de partijdigheid. Een soort half ascetische, half modieuze attitude die de weg bereidt naar de woeste en onvruchtbare steppen van het cultuurnihilisme — kijk me mijn nest bevuilen, in mijn eigen bord spugen, me in vernietigende zelfspot wentelen. Zo zei Joseph Luns ooit tegen Richard Nixon: ‘Van alle dierengeluiden lijkt het Nederlands nog het meest op een taal. En dan nog vind ik dat niet aardig tegenover dieren.’ In het licht van het voorafgaande is de formule van historicus Herman Pleij meer dan treffend wanneer hij stelt: ‘Zo zitten we met een sterk geprofileerde nationale identiteit, die bestaat uit de afwijzing daarvan.’


Zolang Nederlanders onder elkaar vertoefden, konden ze gemakkelijk met deze kunstmatige en als verlossend beschouwde identiteit volstaan. Het had natuurlijk zijn voordelen naar buiten toe. Over de grenzen keek men geïntrigeerd, maar vaak vol bewondering naar die charmante Hollanders die met zichtbaar gemak afstand van hun nationale ego konden nemen en zichzelf konden relativeren. Een les in moraliteit en bescheidenheid voor allen die doorgaans het eigen belang lieten prevaleren. Het gidsland was hiermee een feit. Want wie beter dan een asceet kwam het recht toe met de scepter over de internationale ethiek te zwaaien? Zolang Nederlanders bijna uitsluitend onder elkaar vertoefden…


De komst van grote groepen buitenlanders in de laatste twee decennia heeft geleidelijk een verschuiving in het denken over de identiteit doen plaatsvinden. Je hoeft maar in de grote steden te kijken om vast te kunnen stellen dat de integratie van vele nieuwkomers zeer traag verloopt. Het debat werd door de liberalen en extreemrechts in gang gezet. Enkele weken geleden heeft progressief Nederland, met uitzondering van de SP die er eerder bij was, de discussie nieuw leven ingeblazen. Men mag aan de linkerzijde vrijuit over ‘het multiculturele drama’ reppen zonder dat justitie met het zwaard gaat zwaaien. Nog geen drie jaar geleden stond op het uitspreken van een zin als ‘We zullen de multiculturele samenleving afschaffen’ gevangenisstraf. Niemand die toen vanuit de Rode Hoed protesteerde. De wetsovertreder was ook maar de duistere Hans Janmaat.


Langzaam is dus het besef doorgedrongen dat juist het gebrek aan identiteitsbelijdenis bij de autochtonen een remmende factor was voor de integratie van allochtonen. Je kunt inderdaad van nieuwkomers moeilijk verwachten dat zij zich met enthousiasme zullen spiegelen aan autochtonen die met enthousiasme hun eigen identiteit afwijzen, vertrappen en beschimpen. Wie wil nou door in het Nederlands te converseren onaardig zijn voor de wereldfauna? Integratie is niets anders dan een smeltingsproces in een groter verband. Niet alleen het economische aspect — het betreden van de arbeidsmarkt — is hier bepalend, maar ook tal van andere elementen die het nieuwe leven moeten veraangenamen. Allochtonen zijn vaak afkomstig uit islamitische landen. Ze hebben een eigen solide identiteit — religieus, maatschappelijk en cultureel — meegenomen naar hun gastland: hun integratieproces zal zich niet kunnen voltrekken zonder een substantieel verlies van hun oorspronkelijke eigenheid. Maar wat krijgen ze daar dan voor terug? Moeten ze straks, net als de modellen waaraan ze zich dienen te spiegelen, overlopend van zelfspot en schaamte door het leven gaan? Moeten ze de kunst van het cultuurrelativisme tot in de finesses gaan leren? Die allochtonen zijn natuurlijk niet gek en hebben alle tijd gehad om, ook van afstand, hun gastheren te observeren. Het beeld dat ze van Nederlanders hebben opgevangen is vanuit hun perspectief weinig opbeurend. Soms worden ze vijandig jegens iedere vorm van symbiose met de in hun ogen zwakke en lakse autochtonen die onverschillig staan tegenover hun voorvaderen en het cultuurerfgoed. Dan lopen ze gillend weg om zich achter hun schotel te verschansen en leren ze hun kinderen de enige taal die ze kennen, maar waar ze tenminste trots op zijn.



VAN DEZE scheefgegroeide situatie afkomen zal geen sinecure zijn. Het zal natuurlijk niet volstaan om van de ene op de andere dag lange rijen Nederlanders door de straten te laten paraderen, met de vuist op de borst kloppend en met het Wilhelmus op de lippen. Het is zeer de vraag of Nederlanders bereid zijn de beleving en celebratie van hun eigenheid te wijzigen. Nuchterheid zal een component blijven, ook in zijn meest castrerende uiting, van de nationale identiteit. Maar het niet warm willen lopen voor een hypothetische eigen heldenverering impliceert nog niet dat men die van de nieuwkomers moet vergemakkelijken. Dat men bijvoorbeeld de Arena moet afstaan om een fundamentalistische leider uit Turkije zijn nationalistische propaganda te helpen ventileren. De overheid moet zich eveneens afzijdig houden van elke vorm van versterking van de oorspronkelijke identiteit van de nieuwkomers om de al traag verlopende integratie niet verder af te remmen. Geen lessen in eigen taal, geen uniform met tulband en geen bidlokaal op openbare scholen, om maar een paar voorbeelden te noemen. Als ik ooit bij de politie ga solliciteren, wat me niet echt waarschijnlijk lijkt, zal ik zeker mijn identiteit meedragen, maar van mijn superieuren zal ik geen aangepast uniform eisen met blauwe alpinopet.